Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:536

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
24-04-2014
Zaaknummer
200.131.265-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kort geding. Schorsing concurrentie- en relatiebeding. Gelet op de omstandigheden van het geval (onder meer: dienstverband van slechts twee jaar; zie voor de andere omstandigheden het arrest onder 3.5) verwacht het hof dat de bodemrechter aanleiding zal zien de duur van het concurrentiebeding te beperken tot tenminste tot de periode die inmiddels is verstreken sinds het einde van de arbeidsovereenkomst, te weten bijna negen maanden. De grieven van werkgever tegen de beslissingen van kantonrechter het concurrentiebeding te schorsen en de vordering van werkgever in reconventie af te wijzen falen mitsdien bij gebreke van belang. De beslissing met betrekking tot het relatiebeding blijft in hoger beroep in stand. Omdat het hof niet uitsluit dat de bodemrechter ten aanzien van het concurrentiebeding tot een minder vergaande beperking komt dan waarvan de kantonrechter is uitgegaan, komt het hof tot kostencompensatie in eerste aanleg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0398
AR 2014/236

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.131.265/01 KG

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 441189/KG EXPL 13-57

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 februari 2014

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MEIBOOM AEROSOL ADHESIVES B.V.,

gevestigd te Alkmaar,

appellante,

advocaat: mr. W. Hovingh te Alkmaar,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. A. Heijink te Renswoude.

Partijen worden hierna Meiboom en [geïntimeerde] genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

Meiboom is bij dagvaarding van 18 juli 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland, sectie kanton, locatie Alkmaar van 8 juli 2013, in kort geding onder bovengenoemd zaak-/rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser in conventie, verweerder in reconventie en Meiboom als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie..

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- een brief van 20 augustus 2013 zijdens Meiboom;

- memorie van antwoord, met producties;

- akte houdende uitlating producties, tevens houdende akte overlegging producties;

- antwoord akte

Ten slotte is arrest gevraagd.

Meiboom heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis (hierna: het vonnis) zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen en haar vorderingen, zoals in eerste aanleg ingesteld, zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis, met veroordeling van Meiboom in de kosten van - naar het hof begrijpt - het hoger beroep (met nakosten).

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis onder 2.1 tot en met 2.8 een aantal uitgangspunten opgesomd. Die opsomming is niet in geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

3 Beoordeling

3.1

Meiboom is een groothandel gespecialiseerd in de verkoop van spuitlijm. [geïntimeerde] is op 30 mei 2011 voor de duur van één jaar bij Meiboom in dienst getreden als accountmanager. Deze arbeidsovereenkomst is op 30 mei 2012 verlengd voor de duur van (nogmaals) één jaar. Het salaris van [geïntimeerde] bedroeg laatstelijk € [bedrag] bruto per maand (exclusief emolumenten). De arbeidsovereenkomst bevat een concurrentiebeding (met boetebeding), op basis waarvan het [geïntimeerde] - onder meer - niet is toegestaan gedurende twaalf maanden na afloop van het dienstverband in dienst te treden bij een onderneming die artikelen fabriceert, verhandelt of exploiteert soortgelijk aan of aanverwant met die welke Meiboom verhandelt. Daarnaast bevat de arbeidsovereen-komst een relatiebeding voor de periode van twaalf maanden na het einde van het dienstverband alsook een geheimhoudingsbeding (beide met boetebeding). Meiboom heeft [geïntimeerde] op 6 mei 2013 meegedeeld de arbeidsovereenkomst niet te verlengen en hem op non-actief gesteld. De achtergrond daarvan was een kritische e-mail van [geïntimeerde] van 3 mei 2013 en een gesprek daarover op 6 mei 2013, waarin [geïntimeerde] de kwaliteit en de herkomst van een bepaald type lijm (wederom) aan de orde stelde. Op 21 mei 2013 heeft [geïntimeerde] Meiboom bericht dat hij voornemens was in dienst te treden bij Canect en Meiboom verzocht hem, voor zover dit in strijd zou zijn met het concurrentie- en/of relatiebeding, daartoe toestemming te verlenen. Canect is, althans was, de (Engelse) leverancier van de meeste van de door Meiboom verhandelde lijmen. [geïntimeerde] zou bij een in Nederland op te richten Canect-vennootschap, waarvan [geïntimeerde] voor 25% eigenaar zou kunnen worden, in dienst kunnen treden voor een salaris van €[bedrag] bruto per maand. Meiboom heeft vorenbedoelde toestemming niet gegeven.

3.2

In eerste aanleg vorderde [geïntimeerde] in conventie primair buitenwerkingstelling, althans schorsing van het concurrentie- en relatiebeding totdat bij onherroepelijke beslissing in een bodemprocedure zal zijn beslist of Meiboom aan deze bedingen jegens [geïntimeerde] enig recht kan ontlenen. Subsidiair vorderde [geïntimeerde] de schorsing van de bewuste bedingen, zodanig dat het hem wordt toegestaan als commercieel directeur in dienst te treden van en/of aandelen te houden in Canect European B.V. dan wel Canect, totdat in een bodemprocedure zal zijn beslist als hiervoor omschreven. Meer subsidiair vorderde [geïntimeerde] dat meerbedoelde bedingen door middel van schorsing in duur en tijd worden beperkt, althans dat een in goede justitie te bepalen voorziening wordt getroffen en dat Meiboom - zo begrijpt het hof - wordt veroordeeld aan [geïntimeerde] een lijst te verstrekken met relaties die [geïntimeerde] op basis van het relatiebeding niet mag benaderen. Uiterst subsidiair vorderde [geïntimeerde] dat Meiboom wordt veroordeeld tot betaling van een vergoeding aan [geïntimeerde] van € [bedrag]bruto (met wettelijke rente), althans een in goede jusitite te bepalen bedrag, alsmede tot het verstrekken van een lijst aan [geïntimeerde] als hiervoor omschreven.

In reconventie vorderde Meiboom dat het [geïntimeerde] tot 31 mei 2014 (onder verbeurte van een dwangsom en onverminderd het bestaande boetebeding) verboden is in welke hoedanigheid dan ook voor Canect, Canect European B.V. of enige andere aan Canect verbonden vennootschap of andere concurrent werkzaam te zijn.

3.3

De voorzieningenrechter heeft in conventie het tussen partijen geldende concurrentiebeding met ingang van 1 augustus 2013 geschorst, de werking van het tussen partijen geldende relatiebeding geschorst voor relaties die niet staan vermeld op de als productie 3 door Meiboom in het geding gebrachte lijst en voor het overige de vorderingen afgewezen. In reconventie heeft de voorzieningenrechter de vorderingen afgewezen. Meiboom werd in de proceskosten veroordeeld.

3.4

De grieven strekken tot alsnog afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] en tot alsnog toewijzing van de vordering van Meiboom. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

3.5

Het hof volgt de voorzieningenrechter in diens oordeel (en motivering terzake) dat het beroep van [geïntimeerde] op artikel 7:653 lid 3 BW faalt. Meiboom kan aldus rechten ontlenen aan het tussen partijen overeengekomen concurrentiebeding (hierna: het concurrentiebeding).

3.6

Kort na het vonnis heeft Canect de onder 3.1, slot, bedoelde vennootschap opgericht. [geïntimeerde] is thans voor die vennootschap werkzaam (volgens de LinkedIn-pagina van [geïntimeerde] als commercial director en co-owner). Het hof gaat er, evenals de voorzieningenrechter, van uit dat deze vennootschap als een concurrent in de zin van het concurrentiebeding te zien valt.

3.7

Het hof dient zich af te vragen of de bodemrechter aanleiding zal zien het concurrentiebeding op de voet van artikel 7:653 lid 2 BW geheel of gedeeltelijk te vernietigen. In dit verband acht het hof allereerst van belang dat [geïntimeerde] slechts twee jaar bij Meiboom in dienst is geweest (op contracten voor bepaalde tijd van steeds één jaar), dat het tweede contract voor bepaalde tijd per 31 mei 2013 zou aflopen en dat Meiboom [geïntimeerde] tot begin mei 2013 geen concreet perspectief had gegeven op voortzetting van het dienstverband en bovendien geen duidelijke antwoorden gaf op (herhaaldelijke) vragen die [geïntimeerde] haar stelde in verband met problemen die hij bij klanten ondervond met betrekking tot een bepaald type lijm. Het hof gaat er daarom van uit dat de bodemrechter het feit dat het na 31 mei 2013 niet tot een voortzetting van de arbeidsrelatie tussen partijen is gekomen, althans dat Meiboom een zodanig voorstel niet aan [geïntimeerde] heeft gedaan, aan Meiboom zal toeschrijven, ook al zou komen vast te staan dat [geïntimeerde] een dergelijke voortzetting begin mei 2013 inmiddels ook zelf niet meer als een reële optie zag. Gelet op hetgeen tijdens dit kort geding door partijen daarover naar voren is gebracht acht het hof het voorts aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat - zoals [geïntimeerde] heeft gesteld - de informatie met betrekking tot Meiboom waarover hij ([geïntimeerde]) beschikte zich beperkte tot (enige) productkennis en verkoopgegevens. Zo heeft [geïntimeerde] gemotiveerd betwist dat hij kennis heeft gedragen van inkoop- en margegegevens. Meiboom heeft daar weinig tot niets tegenover gesteld.

3.8

Reeds op grond van voornoemde omstandigheden verwacht het hof dat de bodemrechter aanleiding zal zien de duur van het concurrentiebeding te beperken en wel tenminste tot de periode die inmiddels is verstreken sinds het einde van de arbeidsovereenkomst, te weten bijna negen maanden. Daarmee komt het belang van Meiboom bij dit hoger beroep te vervallen voor zover het ziet op de beslissingen van de voorzieningenrechter het concurrentiebeding (in conventie) te schorsen en de op dit beding ziende vordering van Meiboom (in reconventie) af te wijzen: dit beroep kan om voornoemde redenen op genoemde punten niet leiden tot de beslissingen die Meiboom voorstaat.

3.9

Met betrekking tot het relatiebeding geldt het volgende. Meiboom klaagt erover dat de voorzieningenrechter de werking van dit beding heeft geschorst voor relaties die niet vermeld staan op de als productie 3 door Meiboom in het geding gebrachte lijst. Het hof kan zich ter zake geheel vinden in de motivering van de voorzieningenrechter, die overwoog (i) dat voor [geïntimeerde] duidelijk moet zijn ten aanzien van welke relaties het bewuste beding geldt (ii) dat Meiboom hierover geen nadere informatie wenst te verschaffen, aangezien het concurrentiegevoelige informatie betreft en (iii) er tegen de onder (ii) genoemde achtergrond van kan worden uitgegaan dat [geïntimeerde] deze (nadere) informatie niet bekend is. In de toelichting op de desbetreffende grief (grief 11) wordt deze motivering niet afdoende aangevallen. Het gaat immers hetzij om relaties die niet bekend zijn aan [geïntimeerde] (in welk geval weliswaar begrijpelijk is dat Meiboom die relaties niet wil noemen, maar tevens geldt dat niet valt in te zien dat Meiboom ten aanzien van die relaties concurrerende activiteiten van [geïntimeerde] te duchten heeft) hetzij om relaties die wel aan [geïntimeerde] bekend zijn, in welk geval Meiboom geen reden had noch heeft die niet te noemen en aan bedoelde lijst toe te (doen) voegen. De grief faalt.

3.10

Omdat het hof op grond van hetgeen door partijen over en weer is aangevoerd niet uitsluit dat de bodemrechter ten aanzien van het concurrentiebeding tot een minder vergaande beperking komt als waarvan de voorzieningenrechter is uitgegaan, acht het hof een compensatie van kosten in eerste aanleg passend.

3.11

De conclusie luidt dat de grieven falen, behoudens de grief die ziet op de proceskostenveroordeling: die slaagt in voormelde zin en in zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Voor het overige zal het vonnis worden bekrachtigd.

3.12

Gelet op voornoemde uitkomst acht het hof ook in dit beroep een compensatie van kosten passend.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, behoudens de beslissing ten aanzien van de proceskosten;

vernietigt het vonnis voor wat betreft de beslissing ten aanzien van de proceskosten, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

compenseert de proceskosten van de eerste aanleg, aldus dat iedere partij de eigen kosten daarvan draagt;

compenseert de proceskosten van het hoger beroep, aldus dat iedere partij de eigen kosten daarvan draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A. Goslings, A.M.A. Verscheure en D. Kingma en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2014.