Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:5352

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
19-12-2014
Zaaknummer
200.142.807-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klager verwijt de notaris - kort gezegd - dat hij zijn taak als boedelnotaris niet goed heeft uitgevoerd.

De kamer heeft de klacht van klager op drie onderdelen ongegrond verklaard en klager voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht.

Het hof verklaart de klacht op vier onderdelen (deels) ongegrond en klager voor het overige niet-ontvankelijk in zijn klacht.

Wetsverwijzingen
Wet op het notarisambt 107, 99, geldigheid: 2014-12-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0004

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.142.807/01 NOT

nummer eerste aanleg : AL/2013/66

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 16 december 2014

inzake

[naam],

wonend te [plaats], gemeente [gemeente],

appellant,

gemachtigde: mr. P. Winkelman, advocaat te Tiel,

tegen

[naam],

notaris te [plaats],

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. M.M. Olthoff-Worst, advocaat te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant (hierna: klager) heeft op 3 maart 2014 een beroepschrift bij het hof ingediend tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) van 10 februari 2014. De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen geïntimeerde (hierna: de notaris) op drie onderdelen ongegrond verklaard en klager voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht.

1.2.

De notaris heeft een verweerschrift bij het hof ingediend.

1.3.

Bij brief van 2 oktober 2014 heeft klager nadere stukken ingediend en toegelicht.

1.4.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 16 oktober 2014. Klager en de notaris, vergezeld van hun gemachtigden, zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; de gemachtigde van de notaris aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

2 De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 De feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

3.2.

Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende.

Op 26 juni 2009 is[naam] (hierna: erflaatster) overleden. Klager is een van de 23 erfgenamen van erflaatster. Klager heeft mr. [naam], notaris gevestigd te Tiel, opdracht gegeven om de nalatenschap af te wikkelen, waarbij is afgesproken dat klager de praktische zaken zou regelen. Klager heeft onder meer de woning van erflaatster leeggeruimd. De afwikkeling van de nalatenschap is daarna stil komen te liggen. Op verzoek van de erfgenamen, met uitzondering van klager, heeft de notaris medio 2010 de taak van boedelnotaris op zich genomen. Een van de erfgenamen, [X] (hierna: [X]), heeft in juli 2010 het advocatenkantoor SBM Advocaten te Houten (hierna: SBM) ingeschakeld om afgifte van boedelbescheiden door klager aan het kantoor van de notaris te bewerkstelligen. SBM heeft de facturen voor de verrichte werkzaamheden gericht aan de echtgenoot van [X] en op naam van diens bedrijf gesteld. SBM verleende ook juridische diensten aan het bedrijf van de echtgenoot van [X]. De notaris heeft de door [X] betaalde facturen van SBM in de eindafrekening van 29 juli 2011 opgenomen. Hiertegen heeft klager bezwaar gemaakt.

3.3.

Klager heeft in 2011 een tuchtprocedure tegen de notaris gevoerd. De kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen in het arrondissement Utrecht heeft bij beslissing van 1 november 2011 klager op één onderdeel van zijn klacht tegen de notaris niet-ontvankelijk verklaard en die klacht op drie onderdelen ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is geen hoger beroep ingesteld.

4 Het standpunt van klager

Klager verwijt de notaris het volgende.

i De notaris heeft ten onrechte de facturen van SBM in de eindafrekening van 29 juli 2011 opgenomen.

ii De notaris heeft verzuimd te reageren op de herhaaldelijke verzoeken van klager om

informatie.

iii De notaris heeft ten onrechte zijn aan de klachtprocedures bestede uren gedeclareerd.

iv Oplichting:

a de notaris heeft boedelbestanddelen weggeven aan een van de erfgenamen;

b de notaris weigert om de door klager gemaakte kosten voor het leegruimen van de

woning van erflaatster in de eindafrekening op te nemen.

v Het op onwettige wijze uitvoeren van de binnen het notariaat geldende regels:

a de notaris heeft geen aparte rekening op naam van de erfgenamen aangehouden;

b de notaris heeft zich partijdig opgesteld;

c de notaris heeft in april 2010 onjuiste informatie over klager gegeven aan

enkele erfgenamen;

d de notaris heeft door het accepteren van de facturen van SBM meegewerkt aan

btw-fraude.

5 Het standpunt van de notaris

De notaris heeft verweer gevoerd. Het standpunt van de notaris wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

6 De beoordeling

Ontvankelijkheid

Nieuwe klachten

6.1.

Klager heeft in hoger beroep nieuwe klachten geformuleerd ten aanzien van (onder meer) de taxatie van de tot de boedel behorende sieraden, de rente over banktegoeden van erflaatster, het ontbreken van restituties door Nuon op de financiële overzichten en fouten bij de verdeling in staken. Op grond van het bepaalde in artikel 107 lid 4 van de Wet op het notarisambt (Wna) dient het hof een aan hem voorgelegde zaak opnieuw in volle omvang te behandelen. In die procedure is voor de behandeling van in appel nieuw geformuleerde klachten geen plaats. Anders dan klager ter zitting in hoger beroep heeft aangevoerd, kunnen deze punten niet onder de oorspronkelijke klachten worden geschaard. Klager zal daarom in zijn nieuwe klachten niet-ontvankelijk worden verklaard. Het hof zal zich dus beperken tot het beoordelen van de klachten zoals die in eerste aanleg zijn geformuleerd.

Vervaltermijn (artikel 99 lid 15 Wna)

6.2.

Klager verwijt de notaris in klachtonderdeel v sub c dat hij in april 2010 onjuiste informatie over klager aan enkele erfgenamen heeft gegeven. Op de voet van artikel 99 lid 15 Wna kan een klacht slechts worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot de klacht gerechtigde van het handelen of nalaten dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven, kennis heeft genomen. Aangezien de onderhavige klacht op 6 mei 2013 bij de kamer is ingekomen, heeft klager de klacht op dit punt niet tijdig - want buiten de vervaltermijn van drie jaren - heeft ingediend. Klager zal daarom voor wat betreft klachtonderdeel v sub c niet-ontvankelijk worden verklaard.

Ne bis in idem

6.3.

Naar vaste jurisprudentie van het hof geldt in het tuchtrecht de regel dat na behandeling van een klacht door de tuchtrechter, een latere klacht over “hetzelfde feit” niet nog eens kan worden behandeld. Dit ne bis in idem-beginsel leidt ertoe, dat als kan worden gesproken van “hetzelfde feit”, de beoordeling van de eerdere klacht aan een nieuwe tuchtrechtelijke beoordeling van hetzelfde handelen van de notaris in de weg staat.

Het hof is van oordeel dat op de klachtonderdelen die zien op het weggeven van boedelbestanddelen aan een van de erfgenamen (iv sub a), de weigering om de door klager gemaakte kosten voor het leegruimen van de woning van erflaatster in de eindafrekening op te nemen (iv sub b) en de gestelde partijdige opstelling van de notaris (v sub b) in de eerdere klachtprocedure onherroepelijk is beslist in de onder 3.3. genoemde beslissing van 1 november 2011, onder rechtsoverweging 3.10. Dit betekent dat het ne bis in idem-beginsel hier aan de orde is, zodat klager met betrekking tot deze klachtonderdelen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Inhoudelijk

Klachtonderdeel i

6.4.

Vast staat dat 22 van de 23 erfgenamen ermee instemden dat de facturen van SBM ten laste van de boedel zouden worden gebracht. De klacht dat die facturen ten onrechte door de notaris in de eindafrekening van 29 juli 2011 zijn opgenomen, treft dan ook geen doel. Daarbij betreft het een voorstel van de notaris aan de erfgenamen om de facturen van SBM in de verdeling mee te nemen. Het is dan aan de erfgenamen dit voorstel al dan niet te accepteren. Met de kamer is het hof van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is.

Klachtonderdeel ii

6.5.

Uitgangspunt is dat een notaris in gevallen als de onderhavige tijdig reageert op brieven van de erfgenamen en hen op hun verzoek informatie verstrekt. Het was dan ook beter geweest als de notaris eerder de brieven van (de gemachtigde van) klager had beantwoord. Gezien de omstandigheden, met name de moeizame relatie met klager, is dat nalaten van de notaris niet zodanig dat hem hiervan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Gelijk aan de kamer acht het hof dit klachtonderdeel ongegrond.

Klachtonderdeel iii

6.6.

Klager verwijt de notaris dat hij de aan de klachtprocedures bestede uren aan erfgenamen in rekening heeft gebracht. De notaris heeft ter zitting in hoger beroep onweersproken aangevoerd dat hij de uren die hij aan de klachtprocedures heeft besteed in een apart dossier heeft bijgehouden. Dit blijkt ook uit de brief van 5 februari 2013 van de notaris aan de gemachtigde van klager. Hierin licht de notaris zijn declaraties uitgebreid toe.

Nu klager zijn stelling niet nader heeft onderbouwd, is naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk geworden dat de notaris de aan deze klachtprocedure bestede uren bij de erfgenamen in rekening heeft gebracht. Dit klachtonderdeel zal daarom ongegrond worden verklaard.

6.7.

Nadat de notaris in juli 2011 zijn voorstel tot verdeling aan de erfgenamen had voorgelegd, heeft de notaris de tijd die hij vervolgens heeft besteed aan de beantwoording van de brieven van (de gemachtigde van) klager wel ten laste van de nalatenschap gedeclareerd. Dit acht het hof niet onjuist. Die werkzaamheden hebben betrekking op de afwikkeling van de nalatenschap en vallen dus binnen de taak van de notaris als boedelnotaris, welke taak door het verzenden van het verdelingsvoorstel niet was beëindigd.

Klachtonderdeel v sub a

6.8.

Het hof verenigt zich met het oordeel van de kamer dat het - kort gezegd - in de notariële praktijk gebruikelijk is dat derdengelden op dossierniveau worden geadministreerd, zoals de notaris ook heeft gedaan, en dat de notaris op dit punt volgens de geldende normen heeft gehandeld. De kamer heeft dit klachtonderdeel terecht ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel v sub d

6.9.

Met betrekking tot dit klachtonderdeel heeft de kamer - kort gezegd - overwogen dat de notaris in zijn brieven aan (de gemachtigde van) klager heeft uitgelegd om welke reden SBM is benaderd, waarop de facturen van SBM betrekking hebben en heeft toegelicht hoe de tenaamstelling tot stand is gekomen. Verder heeft de notaris onweersproken aangevoerd dat hij slechts de facturen van SBM in de eindafrekening heeft verwerkt, waarmee de andere 22 erfgenamen akkoord zijn gegaan. De kamer acht deze gang van zaken plausibel en niet in strijd met enige voor de notaris geldende beroepsregel.

6.10.

Het hof deelt dit oordeel van de kamer en de gronden waarop dit oordeel berust. Niet is gebleken dat de notaris heeft meegewerkt aan btw-fraude, wat van deze niet nader onderbouwde stelling van klager overigens ook zij. Dit klachtonderdeel heeft de kamer met recht ongegrond verklaard.

Conclusie

6.11.

Het hof komt deels tot een andere beslissing dan de kamer. Omwille van de duidelijkheid zal het hof de beslissing van de kamer in zijn geheel vernietigen.

6.12.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

6.13.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 De beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing;

en, opnieuw beslissende:

- verklaart klager in zijn in hoger beroep nieuw geformuleerde klachten niet-ontvankelijk;

- verklaart klager niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen iv en v, sub b en c;

- verklaart de klachtonderdelen i, ii, iii en v, sub a en d, ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. W.J.J. Los, A.H.N. Stollenwerck en B.J.M. Gehlen en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2014 door de rolraadsheer.