Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:531

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
24-04-2014
Zaaknummer
200.123.104-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering wegens gesteld kennekelijk onredelijk ontslag. Verjaringstermijn is niet gestuit door een opgesteld nietig ontslag gegronde gevorderde voorlopige voorziening tot doorbetaling van loon. Beroep op verjaring niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0399
AR 2014/240

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.123.104/01

zaaknummer rechtbank (Noord-Holland): 566446 / CV EXPL 12-5754

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 februari 2014

(bij vervroeging)

inzake

[APPELLANT] ,

wonend te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. F. Boukich te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SUCCES ROTTERDAM B.V.,

gevestigd te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.C.I. Veerman te Volendam.

Partijen worden hierna [appellant] en Succes genoemd.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 30 januari 2013 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, sector kanton, locatie Zaandam (verder: de kantonrechter) van 3 januari 2013, in deze zaak onder bovengenoemd zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en Succes als gedaagde.

[appellant] heeft bij memorie twee grieven geformuleerd, bewijs aangeboden, producties in het geding gebracht en geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, en, opnieuw recht doende, (het hof begrijpt:) zijn vorderingen zal toewijzen, Succes zal veroordelen om aan hem terug te betalen wat hij uit hoofde van het bestreden vonnis aan Succes heeft voldaan en Succes zal veroordelen in de proceskosten van beide instanties.

Succes heeft bij memorie de grieven van [appellant] bestreden en geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van [appellant] in de proceskosten van het geding in hoger beroep.

Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties.

2 De feiten

De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep onder het kopje 'De feiten' (onder 1 tot en met 6) een aantal feiten vermeld en tot uitgangspunt genomen. Omdat die feiten tussen partijen niet in geschil zijn, zal ook het hof daarvan uitgaan.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

( i) Met ingang van 3 juli 2007 is [appellant] op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst getreden van (een rechtsvoorganger van) Succes.

(ii) Op 13 juli 2011 heeft Succes een ontslagvergunning voor [appellant] aangevraagd bij het UWV Werkbedrijf (verder: UWV).

(iii) Op 29 juli 2011 heeft Succes [appellant] op staande voet ontslagen. Van dat ontslag is op 5 augustus 2011 de nietigheid ingeroepen.

(iv) Op 2 september 2011 is de door Succes verzochte ontslagvergunning door UWV verleend.

( v) Bij brief van 9 september 2011 heeft Succes de arbeidsovereenkomst tegen 7 oktober 2011 opgezegd, dit echter alleen voor het geval dat de arbeidsovereenkomst ten gevolge van het ontslag op staande voet nog niet was geëindigd.

(vi) Op 3 april 2012 heeft [appellant] Succes in kort geding gedagvaard, waarbij het ontslag op staande voet is vernietigd en loondoorbetaling is gevorderd. Bij vonnis van 18 april 2012 is de gevorderde voorlopige voorziening afgewezen.

3.2.

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd, kort gezegd, Succes te veroordelen om aan [appellant] een bedrag van € 5.534,92 bruto te betalen wegens kennelijk onredelijk ontslag. Succes heeft hiertegen verweer gevoerd.

3.3.

De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep overwogen, kort samengevat, dat voor zover [appellant] beoogt vast te houden aan zijn standpunt dat het hem gegeven ontslag op staande voet ongeldig was, hij niet in zijn vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag kan worden ontvangen, en dat, voor zover [appellant] beoogt zich neer te leggen bij het hem gegeven ontslag op staande voet, de arbeidsovereenkomst alsnog rechtsgeldig is geëindigd op 7 oktober 2011 en het hem vrijstond een vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag in te stellen, maar dat Succes zich terecht op verjaring van die vordering beroept omdat de verjaringstermijn – die op 8 oktober 2011 een aanvang nam – ten tijde van de inleidende dagvaarding (18 juli 2012) al lang was verstreken en geen tijdige stuiting daarvan heeft plaatsgevonden, waarbij geldt dat het bij wijze van voorlopige voorziening instellen van een op een nietig ontslag gegronde vordering tot doorbetaling van loon geen geldige stuitingshandeling is. Op grond van een en ander heeft de kantonrechter de vordering van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

3.4.

De eerste grief strekt ten betoge dat de vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag, anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, niet is verjaard omdat [appellant] op 3 april 2012 een voorlopige voorziening heeft gevorderd in kort geding die zodanig duidelijk was dat Succes er rekening mee moest houden dat zij zich vooralsnog tegen een door [appellant] in te stellen vordering diende te verweren. Dit is de toetsingsmaatstaf die in het kader van artikel 3:317 BW heeft te gelden. Uit het instellen van de voorlopige voorziening bleek dat [appellant] zich niet neerlegde bij het hem gegeven ontslag. Daaraan heeft de kantonrechter ten onrechte geen gewicht toegekend, aldus (nog steeds) [appellant]. Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.

3.5.

De door [appellant] op 3 april 2012 ingestelde vordering was gebaseerd op artikel 7:677 BW. [appellant] stelt zich op het standpunt dat de verjaringstermijn (van zes maanden) die krachtens artikel 7:683 lid 1 BW geldt voor zijn onderhavige vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag en die is ingegaan op 8 oktober 2011, op grond van artikel 3:316 BW is gestuit als gevolg van de door hem op 3 april 2012 ingestelde procedure in kort geding, zodat op die datum een nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen. De op artikel 7:677 BW gebaseerde vordering tot doorbetaling van loon kan voor de toepassing van artikel 3:316 lid 1 BW echter niet worden aangemerkt als een vordering tot schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag als bedoeld in artikel 7:681 BW, zodat het doen uitbrengen van de dagvaarding van 3 april 2012 in de procedure in kort geding niet kan worden aangemerkt als het instellen van een eis of een andere daad van rechtsvervolging in de zin van artikel 3:316 lid 1 BW, waardoor de verjaringstermijn met betrekking tot de vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag zou zijn gestuit. Dit betekent dat grief 1 faalt.

3.6.

De tweede grief is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat geen feiten en/of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat het beroep op verjaring tot gevolgen leidt die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid als onaanvaardbaar moeten worden aangemerkt. In dit verband heeft [appellant] in de eerste plaats gesteld dat hij na het gegeven ontslag in een depressie is geraakt en als gevolg daarvan angstklachten en een depressieve stoornis heeft ontwikkeld, en heeft hij een verklaring van zijn huisarts overgelegd gedateerd op 30 januari 2012. Dit betoog kan [appellant] niet baten, reeds omdat uit de desbetreffende verklaring blijkt dat de bedoelde klachten reeds in oktober 2010 bij hem aanwezig waren. Dat door het ontslag van [appellant] de thuissituatie bij [appellant] zou zijn verslechterd en de gezondheidssituatie van zijn echtgenote – die blijkens de daarop betrekking hebbende verklaring van de Stichting Perspektief ook al in juni 2010 niet zo goed was – er verder op achteruit zou zijn gegaan, zijn omstandigheden die zowel op zichzelf als in onderling verband beschouwd onvoldoende zijn om tot de conclusie te komen dat het beroep op verjaring door Succes naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Hieruit volgt dat ook grief 2 tevergeefs is voorgesteld.

3.7.

Bahchiri heeft voor het overige geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel moeten leiden, zodat zijn bewijsaanbod, dat bovendien al onvoldoende is gespecificeerd, wordt gepasseerd.

3.8.

De slotsom luidt als volgt. De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het geding in hoger beroep.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

verwijst [appellant] in de proceskosten van het geding in hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van Succes gevallen, op € 683,= aan verschotten en € 632,= aan salaris advocaat;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, D.J. van der Kwaak en A.M.A. Verscheure, en is in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2014 door de rolraadsheer.