Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:5228

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-12-2014
Datum publicatie
15-12-2014
Zaaknummer
23-003023-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijke gevangenisstraf voor alternatief genezer wegens betrokkenheid bij het overlijden van patiënte met kanker.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-003023-13

datum uitspraak: 15 december 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 13 juni 2013 in de strafzaak onder parketnummer 15-700898-11 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

1 Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van

26 mei 2014, 14 november 2014, 19 november 2014 en 1 december 2014, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 januari 2007 tot en met 21 maart 2011 te [H] en/of [A] en/of [M], in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander,

(telkens) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, althans de gezondheid heeft benadeeld bij/van

[slachtoffer], verder te noemen patiënte, van wie verdachte en/of haar mededader wist(en) en/of redelijkerwijs had(den) moeten en/of kunnen vermoeden dat

- een of meerdere reguliere zorgverleners aandrongen op nader lichamelijk onderzoek door een regulier zorgverlener teneinde (ernstige en/of steeds ernstiger wordende) vermoedens en/of verdenkingen op (borst-)kanker nader te onderzoeken en/of

- zij aan de ziekte (borst-)kanker leed, door bij haar, als (basis-)arts en/of orthomoleculair arts en/of electro-acupuncturist en/of natuurgeneeskundige, handelingen te verrichten op het gebied van de geneeskunst en/of de zorg,

waarbij zij, verdachte en/of zijn mededader niet, althans onvoldoende heeft gehandeld als goed hulpverlener, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader,

INFORMED CONSENT

bij het verkrijgen en/of het tot stand komen van het 'informed consent' en/of ten behoeve van het sluiten en/of uitvoeren van de geneeskundige behandelovereenkomst, in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 7:448 BW en/of 7:450 BW door (telkens)

- aan voornoemde patiënte geen, althans onvoldoende (duidelijke) en/of onjuiste informatie te geven over

* de aard en het doel van de door verdachte voorgestelde en/of gegeven behandeling en/of

* (een of meerdere) (reguliere) behandelalternatie(f)(ven) en/of

* mogelijke complicatie(s) en/of de te verwachten gevolgen en risico's op complicaties voor de

gezondheid van deze patiënte en/of

- na te laten om voor patiënte een (voldoende) duidelijk onderscheid te maken tussen reguliere en niet-reguliere behandeling(en) en/of

- ( een) niet- reguliere diagnostische methode(n) en/of meting(en) toe te passen zonder aan deze patiënte (voldoende) duidelijk te maken en/of haar mede te delen dat geen uitspraken gedaan kunnen worden over de effectiviteit, duur en (neven)effecten van de behandelwijze(n) ten aanzien van haar ziektebeeld en/of

- na te laten deze patiënte (steeds) duidelijk te wijzen op de mogelijke gevaren voor diens gezondheidstoestand van het uit- of afstellen van één of meerdere reguliere behandelwijzen

en/of

GOED HULPVERLENERSCHAP

(vervolgens) ten tijde van het uitvoeren van de geneeskundige behandelovereenkomst, in strijd gehandeld met werkwijzen en/of protocollen voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard, zoals omschreven in artikel 7:453 BW, te weten door (telkens)

- na te laten om voor elke medische behandeling de, volgens de professionele standaard binnen de reguliere zorg (vast-) gestelde, (voorlopige) medische diagnose het uitgangspunt te laten zijn en/of

- geen, althans onvoldoende, overleg en/of afstemming te zoeken met een of meerdere reguliere zorgverlener(s) (welke reeds betrokken waren bij de zorg van patiënte) en/of

- na te laten zich bij de (eigen) diagnostiek en/of de behandeling te richten naar het best beschikbare wetenschappelijke bewijs, immers heeft verdachte en/of haar mededader bij patiënte (uitsluitend) een of meerdere niet-reguliere behandelwijze(n) toegepast en/of gegeven en/of

- niet, althans onvoldoende, periodiek en kritisch haar (differentiaal-) diagnose en/of het daarop gebaseerde behandelbeleid te toetsen en/of waar nodig aan te passen en/of aan te vullen (terwijl de gezondheidstoestand van patiënte steeds verder (zichtbaar) verslechterde) en/of

- patiënte (meermalen) mede te delen dat er geen sprake was van een kwaadaardig gezwel en/of (borst-) kanker en/of

- na te laten de patiënte te verwijzen naar de reguliere zorg (en/of behandelwijzen) en/of

- patiënte (meermalen) (actief) te ontraden en/of niet aan te raden zich in het reguliere medische circuit te laten onderzoeken en/of te laten behandelen

waardoor patiënte onvoldoende (duidelijk) en/of onjuist geïnformeerd heeft gekozen voor een of meerdere niet-reguliere behandeling(en), waarbij zij zich heeft laten diagnosticeren en/of behandelen door verdachte en/of haar mededader, waardoor haar de benodigde (reguliere) medische zorg is onthouden,

ten gevolge waarvan patiënte zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen en/of is toegebracht en/of haar gezondheid is benadeeld,

bestaande uit een (verdere) (door)groei en/of (verdere) uitzaaiing(en) van een of meerdere kankergezwel(len) en/of een verergering van haar ziektebeeld en/of een aanzienlijke afname van de genezingskans en/of levensverwachting en/of een (ernstige) toename van de pijnklachten,

terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

subsidiair:

zij op één of meer tijdstippen gelegen in de periode van 04 januari 2007 tot en met 21 maart 2011 te [H] en/of [M] en/of [L] en/of [A] en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander,

(telkens) roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gehandeld en/of nalatig is geweest,

door [slachtoffer], verder te noemen patiente, van wie verdachte en/of haar mededader wist(en) en/of redelijkerwijs had(den) moeten en/of kunnen vermoeden dat

- een of meer reguliere zorgverleners aandrongen op nader lichamelijk onderzoek door een regulier zorgverlener teneinde (ernstige en/of steeds ernstiger wordende) vermoedens en/of verdenkingen op (borst)kanker nader te onderzoeken en/of

- zij aan de ziekte (borst-)kanker leed,

door bij haar, als (basis-)arts en/of orthomoleculaire arts en/of (electro)acupuncturist en/of natuurgeneeskundige, handelingen te verrichten op het gebied van de geneeskunst en/of zorg,

waarbij zij, verdachte en/of haar mededader niet, althans onvoldoende heeft gehandeld als goed hulpverlener, immers heeft zij en/of haar mededader,

INFORMED CONSENT

bij het verkrijgen en/of tot stand komen van het 'informed consent' en/of ten behoeve van het sluiten en/of uitvoeren van de geneeskundige behandelovereenkomst, in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 7:448 BW en/of 7:450 BW

door (telkens)

- aan voornoemde patiënte geen, althans onvoldoende (duidelijke) en/of onjuiste informatie te geven over

* de aard en het doel van de door verdachte voorgestelde en/of gegeven behandeling en/of * (een of meerdere) (reguliere) behandelalternatie(f)(ven) en/of

* mogelijke complicatie(s) en/of de te verwachten gevolgen en risico's op complicaties voor de gezondheid van deze patiënte en/of

- na te laten om voor patiënte een (voldoende) duidelijk onderscheid te maken tussen reguliere en niet-reguliere behandeling(en) en/of

- ( een) niet- reguliere diagnostische methode(n) en/of meting(en) toe te passen zonder aan deze patiënte (voldoende) duidelijk te maken en/of haar mede te delen dat geen uitspraken gedaan kunnen worden over de effectiviteit, duur en (neven)effecten van de behandelwijze(n) ten aanzien van haar ziektebeeld en/of

- na te laten deze patiënte (steeds) duidelijk te wijzen op de mogelijke gevaren voor diens gezondheidstoestand van het uit- of afstellen van een of meerdere reguliere behandelwijzen

en/of

GOED HULPVERLENERSCHAP

(vervolgens) ten tijde van het uitvoeren van de geneeskundige behandelovereenkomst, in strijd gehandeld met werkwijzen en/of protocollen voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard, zoals omschreven in artikel 7:453 BW, te weten door (telkens) te hebben

- na te laten om voor elke medische behandeling de, volgens de professionele standaard binnen de reguliere zorg (vast-) gestelde, (voorlopige) medische diagnose het uitgangspunt te laten zijn en/of

- geen, althans onvoldoende, overleg en/of afstemming te zoeken met een of meerdere reguliere zorgverlener(s) (welke reeds betrokken waren bij de zorg van patiënte) en/of

- na te laten zich bij de (eigen) diagnostiek en/of de behandeling te richten naar het best beschikbare wetenschappelijke bewijs, immers heeft verdachte en/of haar mededader bij patiënte (uitsluitend) een of meerdere niet-reguliere behandelwijze(n) toegepast en/of gegeven en/of

- niet, althans onvoldoende, periodiek en kritisch haar (differentiaal-) diagnose en/of het daarop gebaseerde behandelbeleid te toetsen en/of waar nodig aan te passen en/of aan te vullen (terwijl de gezondheidstoestand van patiënte steeds verder (zichtbaar) verslechterde) en/of

- patiënte (meermalen) mede te delen dat er geen sprake was van een kwaadaardig gezwel en/of (borst-) kanker en/of

- na te laten de patiënte te verwijzen naar de reguliere zorg (en/of behandelwijzen) en/of

- patiënte (meermalen) (actief) te ontraden en/of niet aan te raden zich in het reguliere medische circuit te laten onderzoeken en/of te laten behandelen

waardoor patiënte onvoldoende (duidelijk) en/of onjuist geïnformeerd heeft gekozen voor een of meerdere niet-reguliere behandeling(en), waarbij zij zich heeft laten diagnosticeren en/of behandelen door verdachte en/of haar mededader, waardoor haar de benodigde (reguliere) medische zorg is onthouden,

waardoor het aan haar en/of haar mededader schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, bestaande uit een (verdere) (door)groei en/of (verdere) uitzaaiing(en) van een of meerdere kankergezwel(len) en/of een verergering van haar ziektebeeld en/of een aanzienlijke afname van de genezingskans en/of levensverwachting en/of een (ernstige) toename van de pijnklachten, heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

3 Vonnis waarvan beroep

Het hof heeft een groot aantal overwegingen van de rechtbank overgenomen. Het vonnis waarvan beroep kan echter niet in stand blijven, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

4 Bewijs

4.1

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het impliciet primair (opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, met de dood tot gevolg) ten laste gelegde feit. De advocaat-generaal heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte (hierna steeds: [verdachte]) als hulpverlener geneeskundige handelingen heeft verricht zoals bedoeld in de Wet inzake de geneeskundige behandelingsovereenkomst (hierna: WGBO) ten opzichte van [slachtoffer] (hierna steeds: [slachtoffer]). [verdachte] heeft zich in haar hoedanigheid van electro-acupuncturist, natuurgeneeskundige en behandelaar van [slachtoffer], schuldig gemaakt aan grove schending van de op haar rustende zorgplicht, zoals verankerd in de wet en de gedragsregels. [slachtoffer] is door [verdachte] onjuist dan wel onvoldoende geïnformeerd en geadviseerd over haar ziektebeeld, over het niet-reguliere karakter van de haar door [verdachte] gegeven behandeling en over de mogelijkheden van die behandeling en de daaraan verbonden risico’s. Voorts is [slachtoffer] onvoldoende doorverwezen naar het reguliere behandelcircuit en is haar actief ontraden om reguliere medische c.q. specialistische hulp in te roepen. Door het handelen van [verdachte] heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen welk letsel uiteindelijk tot haar overlijden heeft geleid, hetgeen [verdachte] kan worden toegerekend. [verdachte] heeft bewust de aanmerkelijke kans aanvaard op het door haar toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, zodat sprake is van (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van het zwaar lichamelijk letsel, zo heeft de advocaat-generaal, gelijk de officier van justitie, betoogd. De advocaat-generaal heeft vrijspraak bepleit van het medeplegen.

4.2

Standpunt van de verdediging

Door de raadsvrouw is het standpunt ingenomen dat [verdachte] dient te worden vrijgesproken van het haar primair en subsidiair ten laste gelegde. Hiertoe is aangevoerd dat de behandeling die [verdachte] [slachtoffer] gaf niet zag op borstkanker maar op de door [verdachte] geconstateerde articaïnebeschadiging, welke behandeling reeds een aanvang had genomen voordat de eerste signalen van borstkanker zich openbaarden. [verdachte] wist niet dat [slachtoffer] – vermoedelijk – aan borstkanker leed, noch is zij geïnformeerd geweest over het feit dat reguliere zorgverleners aandrongen op onderzoek naar borstkanker. [verdachte] heeft zich beperkt tot de behandeling van [slachtoffer] tegen articaïnebeschadiging door middel van het geven van adviezen betreffende ontgifting met behulp van homeopathische middelen, het verkeren in een stralingsvrije omgeving en het volgen van een stralingsvrij dieet. [verdachte] heeft [slachtoffer] daarmee niet weggehouden uit de reguliere geneeskunst. Er bestond geen aanleiding [slachtoffer] te wijzen op de gevaren van het uit- of afstellen van reguliere behandelingen aangezien articaïnebeschadiging alleen te behandelen is buiten het reguliere circuit en er dus geen reguliere behandelmethode voorhanden is. Nu [verdachte] de borst van [slachtoffer] nooit heeft gezien en bovendien uit het dossier niet blijkt dat zij op andere wijze op de hoogte is gekomen van de situatie rond de borst valt [verdachte] geen verwijt te maken, aldus de raadsvrouw. Voorts is opgemerkt dat bij de beoordeling van de zaak tevens een rol speelt dat bij [verdachte] het idee bestond dat [slachtoffer] onder behandeling was bij een reguliere arts, te weten medeverdachte [medeverdachte] (hierna steeds: [medeverdachte]).

De raadsvrouw heeft daarnaast aangevoerd dat, indien vast komt te staan dat [verdachte] de op haar rustende zorgplicht wel heeft geschonden, geen causaal verband bestaat tussen het handelen van [verdachte] en het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel dan wel de benadeling van de gezondheid. Niet gezegd kan worden dat de invloed van [verdachte] zover ging dat [slachtoffer] uitsluitend deed wat [verdachte] haar adviseerde, zodat het letsel niet in redelijkheid aan [verdachte] kan worden toegerekend. Het zelfbeschikkingsrecht van [slachtoffer] als patiënte is niet door [verdachte] aangetast. Er is dan ook, aldus de raadsvrouw, geen sprake geweest van opzet of schuld. [verdachte] heeft bovendien niet nauw en bewust met [medeverdachte] samengewerkt zodat ook van medeplegen geen sprake is. Een en ander heeft tot gevolg dat [verdachte] van het primair en subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouw.

4.3

Waardering van de getuigenverklaringen

In de onderhavige strafzaak staat het aan [verdachte] in relatie tot [slachtoffer] verweten handelen en nalaten in de periode van het jaar 2007 tot aan haar overlijden in maart 2011 centraal. Dit handelen en nalaten heeft zich voorgedaan in het bestek van de relatie zoals die heeft bestaan tussen [slachtoffer] en [verdachte], als zorgverlener. Het aan die relatie onlosmakelijk verbonden vertrouwelijke karakter daarvan brengt mee dat, buiten de zorgverlener en patiënt, er in het algemeen niet ook anderen zijn die uit eigen, directe wetenschap kunnen verklaren over hetgeen tussen hen is besproken, verricht en voorgevallen.

Toegespitst op de onderhavige zaak: [slachtoffer] is overleden, zodat voor hetgeen zij dienaangaande heeft verklaard en ondervonden slechts kan worden teruggevallen op hetgeen derden zich herinneren van hetgeen zij toentertijd van [slachtoffer] en van anderen -onder wie [verdachte]- hebben gehoord of waargenomen. Dit vanzelfsprekend naast de verklaring van [verdachte] en behoudens de verklaringen van de als getuigen gehoorde familieleden (de echtgenoot, moeder en kinderen van [slachtoffer]) en anderen, die soms aanwezig zijn geweest bij de contacten tussen haar en [verdachte]. De personen rond [slachtoffer] zijn in de onderhavige strafzaak als getuige gehoord bij de politie en bij de rechter-commissaris.

Het hof ziet, gelijk de rechtbank, onder ogen dat het overlijden van [slachtoffer] een enorme invloed heeft gehad op haar naasten, met name haar echtgenoot, kinderen, moeder en vriendinnen. Het is dan ook zeer begrijpelijk dat zij onderling over de gebeurtenissen tijdens haar ziekte en rond haar overlijden hebben gesproken. Daarbij komt dat tussen het moment van overlijden van [slachtoffer] op 21 maart 2011 en het moment waarop de getuigen zijn gehoord bij de rechter-commissaris (eind 2012 en begin 2013) geruime tijd verstreken is. Het voorgaande brengt met zich dat er, mede gelet op de emoties die door een en ander worden opgeroepen, een kans bestaat dat onbedoeld door voornoemde aspecten het vermogen van de getuigen onderscheid te maken tussen hetgeen zij uit eigen waarneming verklaren en hetgeen zij van of via derden hebben gehoord, nadelig kan zijn beïnvloed.

Dit een en ander brengt mee dat het hof bij de in de onderhavige zaak te nemen beslissingen, waaronder het wegen en waarderen van de inhoud van de diverse getuigenverklaringen, in het bijzonder de hiervoor weergegeven aspecten onder ogen heeft gezien die, in samenhang beschouwd, het hof nopen tot het betrachten van een bijzondere behoedzaamheid bij de hiervoor genoemde weging en waardering.

4.4

Redengevende feiten en omstandigheden1

Het hof leidt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende af.

Ten aanzien van primair en subsidiair:

Voorgeschiedenis: periode 2003 – 2007

[verdachte] is werkzaam als electro-acupuncturist en natuurgeneeskundige en zij behandelt in die hoedanigheid, vanuit haar praktijkruimte in [M], personen met alle voorkomende klachten en aandoeningen. Naar eigen zeggen is zij gespecialiseerd in de behandeling van articaïnebeschadiging als gevolg van door tandartsen gebruikte verdovingsmiddelen en is zij de enige in Nederland die de articaïnebeschadiging kan behandelen. Onderdeel van de door [verdachte] gegeven therapie is het ontgiften en ‘repareren’ van het lichaam met homeopathische middelen, onder meer in de vorm van druppels en korreltjes. Cruciaal voor de door haar voorgestane therapie zijn non-toxisch eten en het naleven van leefregels, gericht op het vermijden van straling in/op het lichaam.2

In maart 2003 is [slachtoffer] door haar rug gegaan en kon ze helemaal niets meer. In verband met deze klachten heeft [slachtoffer] hulp gezocht bij reguliere artsen. Op 16 april 2003 is er een MRI-scan gemaakt in het VUmc, waaruit bleek dat sprake was van drie hernia’s. Vanwege de complexiteit van de problematiek is operatief ingrijpen door diverse specialisten afgeraden.3 Via haar moeder is [slachtoffer] vervolgens in contact gekomen met [medeverdachte].4 [medeverdachte] is sinds 1985 afgestudeerd als basisarts en sinds 1996 als arts zelfstandig werkzaam5 en geaccrediteerd als arts-acupuncturist.6 In de periode van 14 mei 2003 tot juli 2006 heeft [medeverdachte] [slachtoffer] ter zake van rugklachten behandeld.7 Deze behandeling bestond onder meer uit acupunctuur.8

In augustus 2005 is bij [slachtoffer] de ziekte van Lyme geconstateerd in het Flevoziekenhuis in Almere.9 De ziekte van Lyme was er al langer maar was niet eerder opgemerkt. Deze ziekte blijkt uiteindelijk niet meer te behandelen met antibiotica.10

Op 2 februari 2006 is er op doorverwijzing van [medeverdachte] een MRI-scan gemaakt van de rug van [slachtoffer].11 In juli 2006 heeft [medeverdachte] de behandeling van de rugklachten van [slachtoffer] overgedragen aan zijn toenmalige praktijkgenoot [C], orthomanueel arts.12

Op 20 januari 2006 is [slachtoffer] ook in contact gekomen met [verdachte]. [slachtoffer] had alle reguliere medische circuits al gezien en was al enige tijd bij [medeverdachte] onder behandeling, maar hij kwam er niet uit. Door [verdachte] is op basis van het testsysteem met de naam ‘Electro Acupunctuur van Voll’ en het eigen verhaal van [slachtoffer] de diagnose gesteld dat sprake was van een zware erfelijke belasting, een ernstige amalgaan- en kwikvergiftiging en een ernstige articaïnebeschadiging, opgelopen bij de tandarts. Articaïne tast volgens [verdachte] het zenuwstelsel aan, alsmede de kleine hersenen, geeft DNA-schade en leverfunctiestoornissen.13 Voor de uitwerking van articaïnebeschadiging in de praktijk heeft [verdachte] verwezen naar de bijsluiter van de [naam verdachte] Stichting14 die zij aan haar patiënten meegaf, hoewel zij geen directe band meer heeft met deze stichting die haar naam draagt.15 In die bijsluiter staat over de gevolgen van de articaïnebeschadiging onder meer het volgende vermeld:16

“(…) Er wordt echter verondersteld dat bij onvoldoende omzetting van articaïne d.m.v. hydrolyse er een metabolisering plaatsvindt in het lichaam welke zich in 2 richtingen kan ontwikkelen. (…) Bij de tweede vorm kan er oxydatie plaatsvinden op het stikstofatoom waarbij een hydroxylamine kan ontstaan. Deze stof is een direct werkend mutageen en kan derhalve zonder tussenkomst van enzymen een reactie aangaan met het DNA in de cellen. Als zodanig kan het zich later profileren als carcinogeen. Deze vorm van metabolisering is wellicht (mede) verantwoordelijk voor het grote aantal cliënten met kanker in de groep van ca. 300 bij de [verdachte] Stichting bekende articaïne gedupeerden. Deze vorm van carcinogenese manifesteert zich vooral in de nieren, prostaat en borsten.”

Als lange termijn gevolgen van articaïnebeschadiging heeft [verdachte] extreme voedselintolerantie en intolerantie voor alle vormen van straling genoemd. Onderdeel van de door [verdachte] gegeven therapie is het ontgiften en repareren van het lichaam met homeopathische middelen op waterbasis, onder meer in de vorm van druppels en korreltjes. Cruciaal voor de juiste toepassing van de therapie zijn non-toxisch eten en het naleven van leefregels. [verdachte] is in staat om via de telefoon te beoordelen welk middeltje iemand nodig heeft en geeft dagelijks telefonische adviezen. Schade als gevolg van het gebruik van articaïne is volgens [verdachte] niet binnen de reguliere geneeskunde te behandelen. Deze behandeling duurt in de regel vele jaren. Nadat [verdachte] de diagnose ernstige articaïnebeschadiging had gesteld, is zij met de behandeling van [slachtoffer] begonnen. [verdachte] heeft verklaard dat zij hoofdbehandelaar van [slachtoffer] is geweest voor de klachten waarmee zij bij haar kwam.17 [verdachte] heeft [slachtoffer] geadviseerd ten aanzien van voeding, homeopathische druppels, korreltjes en leefregels.18

In lijn met de door [verdachte] voorgestane behandelwijze heeft [slachtoffer] gedurende haar ziekte – zowel in de hier aan de orde zijnde periode als nadien in de ten laste gelegde periode – volgens een stralingsvrij dieet moeten leven19 en in een stralingsvrije omgeving moeten vertoeven.20 In de woning van [slachtoffer] zijn daartoe allerhande maatregelen getroffen. Zo mochten geen mobiele telefoons en geen internetverbinding in de woning aanwezig zijn.21 Tevens moest het voedsel dat [slachtoffer] tot zich nam eerst gemeten worden22 en op een bepaalde placemat gezet worden.23 Het meten van wat [slachtoffer] wel en niet mocht hebben qua voeding ging veelal door de telefoon.24 [slachtoffer] werd door [verdachte] twee keer per dag gemeten, soms meer, soms minder.25 Daarnaast bevond zich in de woning een groot aantal potjes met daarin korreltjes en druppels waarvan [verdachte] telefonisch aan [slachtoffer] of een ander doorgaf welke [slachtoffer] moest innemen.26 Naast druppels, voedingsadviezen en stralingsadviezen hebben ook deze korreltjes een onderdeel uitgemaakt van de behandeling door [verdachte].27 [medeverdachte] is mede uitvoering gaan geven aan de behandeling van [verdachte]. Later is [medeverdachte] ook zelf gaan meten welke korreltjes [slachtoffer] moest gebruiken en heeft hij haar van korreltjes voorzien.28 Ook [slachtoffer] heeft op enig moment zelf metingen verricht aan de hand van een apparaat dat ook bij [verdachte] stond en waarmee [verdachte] via de telefoon metingen kon verrichten.29 Ook droeg [slachtoffer] een hangertje met daaraan een zakje met korreltjes tegen de straling waaraan zij werd blootgesteld.30

Rond Kerst 2006 heeft [slachtoffer] een knobbeltje in haar borst ontdekt.31 Vervolgens heeft [slachtoffer] zich op 29 december 2006 bij haar huisarts, mevrouw Troost, gemeld. Na het tweede consult op 2 januari 2007 heeft de huisarts [slachtoffer] voor nader onderzoek naar het ziekenhuis verwezen.32

Periode 4 januari 2007 – medio 2010

Dit nader onderzoek heeft plaatsgevonden in het Kennemer Gasthuis Ziekenhuis te Haarlem op 4 januari 2007, in het bijzijn van onder meer [medeverdachte].33 [medeverdachte] is meegegaan naar het ziekenhuis om [slachtoffer] tijdens het onderzoek te detoxen of de straling te neutraliseren, omdat [slachtoffer] op aangeven van [verdachte] absoluut niet mocht worden blootgesteld aan straling in verband met haar articaïnebeschadiging. Zo heeft [medeverdachte] aangeduid waar [slachtoffer] moest gaan zitten om zo minder aan straling blootgesteld te worden en heeft hij haar korreltjes gegeven voorafgaande aan de scan.34

Vervolgens hebben [slachtoffer] en haar echtgenoot op 11 januari 2007 de uitslag vernomen. Tijdens dit gesprek luidde de boodschap aanvankelijk dat er niets aan de hand was, maar gedurende dit zelfde gesprek is, na onderbreking voor overleg met de radioloog, het knobbeltje alsnog als ‘suspect’ aangemerkt. Er zou een stukje moeten worden weggenomen voor onderzoek en onder die omstandigheden was het beter het knobbeltje direct helemaal te verwijderen.35

[slachtoffer] is niet teruggekeerd naar het ziekenhuis voor nader onderzoek. Het ziekenhuis heeft meerdere keren contact gezocht met de (vervangend) huisarts van [slachtoffer] teneinde de noodzaak van verder onderzoek onder de aandacht te brengen.36 Op haar beurt heeft huisarts Troost [slachtoffer] in 2007 meerdere malen geadviseerd zich binnen het reguliere circuit verder te laten onderzoeken voor een nadere diagnose. [slachtoffer] heeft de adviezen van de huisarts echter niet opgevolgd.37

Begin januari 2007 heeft [slachtoffer] aan [C] verteld dat er een knobbeltje was vastgesteld in haar linkerborst. [C] heeft [slachtoffer] menig keer geadviseerd verder onderzoek te laten doen. Hij heeft voorts voorgesteld te bemiddelen voor een second opinion bij een andere chirurg. [slachtoffer] heeft bij herhaling laten weten dat ze niet toe was aan verder onderzoek in het ziekenhuis. Op 9 januari 2007 heeft [C] hierover gesproken met [medeverdachte], die onderschreef dat verder onderzoek nodig was. In juni 2007 heeft [C] hierover contact gezocht met huisarts Troost, die beaamde dat [slachtoffer] te kennen had gegeven te willen wachten met verdere diagnostiek.

In december 2007 heeft [slachtoffer] aan de huisarts te kennen gegeven dat zij nader onderzoek in het ziekenhuis definitief weigerde.

Op 24 april 2008 heeft [C] [slachtoffer] voor de keuze gesteld: verdere diagnostiek naar het knobbeltje in haar borst of verdere behandeling van haar rugklachten met uitdrukkelijke toestemming van de huisarts. Op 14 mei 2008 heeft [slachtoffer] te kennen gegeven dat zij zichzelf niet zou laten behandelen, als het toch borstkanker blijkt te zijn, waarna er een einde is gekomen aan de behandelrelatie tussen [C] en [slachtoffer].

De aanwezigheid van het knobbeltje in de borst heeft [slachtoffer] indertijd aan [verdachte] kenbaar gemaakt. [verdachte] heeft hier niets mee gedaan.38 In hoger beroep heeft [verdachte] betwist dat zij van het knobbeltje op de hoogte was. Zij heeft ontkend dit ter terechtzitting in eerste aanleg te hebben verklaard. Het hof gaat aan die betwisting voorbij, enerzijds gelet op het tijdstip waarop die betwisting is gedaan (namelijk eerst bij de inhoudelijke behandeling in hoger beroep) en anderzijds omdat het hof niet aannemelijk acht dat er sprake is van een verschrijving in het proces-verbaal van de rechtbank nu het een wezenlijk punt betreft.

Eind 2008 heeft [slachtoffer] aan haar echtgenoot, [echtgenoot van het slachtoffer], laten zien dat er een donkere plek bij haar borst zat en heeft zij verteld dat deze plek steeds groter werd. [echtgenoot van het slachtoffer] heeft haar gezegd dat dit niet goed was, waarop [slachtoffer] heeft gereageerd met de mededeling dat [verdachte] het in de gaten hield en dat [medeverdachte] het behandelde en dat het dus goed zou komen. [slachtoffer] werd door [medeverdachte] nog steeds behandeld door metingen, acupunctuur, touch for health (strijken) en stralingskorrels.39

[slachtoffer] is af en toe bij [verdachte] langsgegaan, maar met name heeft zij telefonisch contact onderhouden met [verdachte]. [slachtoffer] en [verdachte] spraken soms wel tien tot vijftien keer per dag telefonisch met elkaar, soms kort, soms langdurend.40 [verdachte] heeft vaak gebeld en gaf dan aan [slachtoffer] door welke korreltjes zij nodig had. [verdachte] heeft zelf gebeld, maar ook hebben [slachtoffer] en ook [medeverdachte] naar [verdachte] gebeld. De zoon van [slachtoffer] heeft ook wel eens een boodschap van [verdachte] aangenomen en doorgegeven aan zijn moeder. Door [verdachte] werd gebeld om te zeggen wat zijn moeder nodig had.41

Hoewel anderen hebben getracht [slachtoffer] te bewegen naar het ziekenhuis te gaan, heeft [slachtoffer] steevast gereageerd door te zeggen dat het haar overtuiging was dit niet te moeten doen en dat ze wist wat ze deed omdat [verdachte] en [medeverdachte] alles in de gaten hielden42. [echtgenoot van het slachtoffer] heeft desondanks steeds benadrukt dat [slachtoffer] meteen naar het ziekenhuis moest, maar [slachtoffer] heeft gereageerd met de mededeling dat dit niet kon vanwege de straling. Zij heeft verwezen naar [medeverdachte] en [verdachte] en heeft benadrukt dat zij, zolang de articaïnebeschadiging niet was hersteld en zij niet in balans was, niet naar het ziekenhuis mocht vanwege de straling. De context is altijd geweest dat [slachtoffer] eerst moest aansterken en ontgiften. Tot dat moment kon zij niet naar het ziekenhuis volgens [medeverdachte] en [verdachte].43 Dit door de echtgenoot van [slachtoffer] geschetste beeld is ook door haar dochter weergegeven. [verdachte] zou tegen haar moeder hebben gezegd dat haar moeder niet naar het ziekenhuis kon, omdat de straling onrustige cellen zou activeren en dan zou het afgelopen zijn.44Tegen haar huisarts heeft [slachtoffer] gezegd dat, als ze naar het ziekenhuis zou gaan, zij volgens [verdachte] dood zou gaan.45

[verdachte] heeft in dit verband zelf verklaard dat de ervaring leert dat het hele ziekenhuisgebeuren bij deze kwetsbare patiënten resulteert in een explosieve toename van kankercellen in diverse organen. Het gaat dan niet zozeer om borstkankercellen, maar om bestraald eten en onderzoeken met straling waardoor kanker aan bijvoorbeeld darmen, beenmerg en lymfesysteem kan ontstaan.46 Een ziekenhuisopname zou het begin van het einde betekenen, aldus [verdachte].47

[slachtoffer] heeft alleen naar [verdachte] en [medeverdachte] geluisterd, aldus de echtgenoot van [slachtoffer]. Ze luisterde alleen naar hen. Hij en de kinderen hebben machteloos gestaan.4849

Voor [slachtoffer] is de wil van [verdachte] wet geweest en dat geldt ook voor hetgeen door [medeverdachte] werd gezegd.50 [slachtoffer] heeft zich volledig aan de eisen van haar behandelaars gehouden.51

Periode medio 2010 – 21 maart 2011

Op 28 juni 2010 heeft [echtgenoot van het slachtoffer] zich verontrust bij huisarts Troost gemeld. Hij heeft verteld dat hij de borst van [slachtoffer] heeft gezien en dat deze borst één grote etterende wond (‘krater met zwarte randen’) was. Daarnaast was [slachtoffer] afgevallen en benauwd. Op 14 juli 2010 heeft de huisarts [slachtoffer] op eigen initiatief bezocht en heeft zij de wond op de borst gezien. Zij heeft een zeer grote zwerende tumormassa geconstateerd. Tegen de huisarts heeft [slachtoffer] gezegd dat deze wond er al een jaar zat en werd veroorzaakt door bacteriën en virussen. Troost heeft [slachtoffer] aangeraden naar het ziekenhuis te gaan. Dat heeft [slachtoffer] niet gewild. Zij heeft verteld dat zij door haar arts [voornaam van de medeverdachte] [medeverdachte] verzorgd werd en dat zij bewust voor deze weg heeft gekozen.

Op 26 augustus 2010 heeft [echtgenoot van het slachtoffer] aan collega huisarts Crielaard aangegeven dat [slachtoffer] veel pijn heeft, maar dat zij volgens [medeverdachte] geen pijnstillers kan verdragen en dat zij de pijn moet doorstaan. [slachtoffer] heeft tegenover Troost, die haar thuis heeft bezocht, bevestigd dat zij geen pijnstillers durft te gebruiken uit angst dat zij daar niet tegen zou kunnen. Troost heeft geadviseerd Fentanylpleisters te gebruiken tegen de pijn, waarmee [slachtoffer] akkoord is gegaan.52 De Fentanylpleisters zijn er door [medeverdachte] af gehaald omdat [slachtoffer] er misselijk van werd.53 De dochter van [slachtoffer] heeft van haar moeder gehoord dat zij van [verdachte] geen paracetamol in mocht nemen.54

[verdachte] heeft de laatste maanden dagelijks telefonisch contact met [slachtoffer] gehad en door haar werd het lichaam van [slachtoffer] gemeten. [verdachte] mat een stoornis in het lichaam van [slachtoffer] en door het innemen van korreltjes moest het beter worden.55 De laatste keer dat [verdachte] [slachtoffer] heeft gezien is ongeveer medio 2010 geweest. [verdachte] heeft van de open wond bij de borst van [slachtoffer] gehoord.56 [slachtoffer] heeft tegen haar echtgenoot gezegd dat zij met [verdachte] over de wond op haar borst heeft gesproken en dat ze [verdachte] tot het laatste moment om raad heeft gevraagd57

In oktober 2010 heeft [echtgenoot van het slachtoffer] met [verdachte] gebeld omdat hij zich zorgen maakte over [slachtoffer]. [verdachte] heeft toen gezegd dat [slachtoffer] de boel saboteerde en dat ze gewoon aan anorexia leed.58 De moeder van [slachtoffer] heeft in een telefoongesprek met [verdachte] gezegd dat haar dochter aan het sterven was, waarop [verdachte] vervolgens heeft geschreeuwd dat [slachtoffer] niet ging sterven en dat ze geen kanker had.59

In oktober 2010 heeft huisarts Troost, met toestemming van [slachtoffer], bloedonderzoek naar tumormarkers laten verrichten. De uitslag heeft laten zien dat de tumormarkers sterk verhoogd waren.

Op 28 oktober 2010 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen Troost, [medeverdachte] en [slachtoffer]. Tijdens dit gesprek hebben [slachtoffer] en [medeverdachte] aangegeven dat zij een infectie zien als de oorzaak van de borstproblemen en werd doorverwijzing naar een specialist opnieuw geweigerd.60 [slachtoffer] heeft verder aangegeven dat zij met [verdachte] wil overleggen. Een aantal dagen later heeft [slachtoffer] aan Troost verteld dat [verdachte] heeft aangegeven dat de verhoogde bloedwaarden het gevolg waren van het gebruik van Fentanylpleisters.61 [verdachte] heeft bevestigd dat ze wist dat [slachtoffer] een bloedtest had gehad.62

Eind januari 2011 is de situatie van [slachtoffer] verslechterd. Door haar werd zeer beperkt gegeten, omdat in veel voedsel volgens [medeverdachte] en [verdachte] stralingsbesmetting kon zitten, en als gevolg daarvan is zij sterk vermagerd. De pijn die [slachtoffer] heeft ervaren was vaak onhoudbaar maar pijnstilling werd nog altijd geweigerd.63

Op een moment waarop [echtgenoot van het slachtoffer] heeft geconstateerd dat [slachtoffer] lag te creperen van de pijn heeft hij van [medeverdachte] geëist dat [medeverdachte] morfine zou voorschrijven. Dit heeft [medeverdachte] gedaan maar op het moment dat de morfine toegediend zou worden is [medeverdachte] na “metingen” tot de conclusie gekomen dat [slachtoffer] dit niet kon hebben en heeft hij de morfine niet toegediend.64

[echtgenoot van het slachtoffer] heeft [medeverdachte] weggestuurd en heeft gebeld met de huisartsenpost. De desbetreffende arts heeft [slachtoffer] vanwege haar toestand willen meenemen naar het ziekenhuis, hetgeen zij heeft geweigerd. De arts heeft daarbij het voorstel gedaan [slachtoffer] wilsonbekwaam te laten verklaren teneinde haar gedwongen te laten opnemen, welke weg [echtgenoot van het slachtoffer] niet heeft willen inslaan. De toestand van [slachtoffer] was op dat moment dusdanig dat alles langs haar heen ging.65 Ook huisarts Troost heeft de mogelijkheid van gedwongen opname kort nadien onderzocht, maar na raadpleging van een GGZ-psychiater heeft zij hiervan afgezien.66

De borstwond van [slachtoffer] was zodanig stinkend, dat er geurdrijvers zijn gekocht om de stank uit huis te verdrijven en bij de verzorging van [slachtoffer] een sjaaltje voor de mond werd gehouden Ook [slachtoffer] zelf is wel eens misselijk geworden van de stank.6768

Vanaf medio februari 2011 zijn thuiszorgmedewerkers ingeschakeld voor de verzorging van [slachtoffer]. 69 Door diverse thuiszorgmedewerkers is gezien dat [slachtoffer] een enorme wond op de borst had70. Volgens thuiszorgmedewerkster [F] werd deze niet goed verzorgd . De wond was enorm stinkend, lag open en de gehele borst leek weggevreten alsof er een amputatie had plaatsgevonden.71 [slachtoffer] heeft de wond verzorgd met het druppelen van een zelfgemaakte tinctuur72 en door de thuiszorgmedewerkers gevraagd naar de wijze waarop de wond tot dat moment verzorgd is, heeft [slachtoffer] er op gewezen dat [medeverdachte] haar verzorgde73. Thuiszorgmedewerkster [I] heeft waargenomen dat de borst in een staat van ontbinding verkeerde en vreselijk stonk. Zij heeft [medeverdachte] opgebeld en hem gezegd dat [slachtoffer] naar het ziekenhuis moest en dat de wond verzorgd moest worden. [medeverdachte] heeft haar gezegd dat zij er calenduladruppels op moest druppelen en dat zij de wond niet mocht verbinden74. Van een reguliere arts heeft [slachtoffer] niet willen weten omdat zij geen gewone medicijnen wilde.75 Gedurende de periode dat de thuiszorgmedewerkers betrokken zijn geweest bij de verzorging van [slachtoffer] is het geven van korreltjes door gegaan. De thuiszorgmedewerkers hebben op verzoek van [slachtoffer] meermalen per dag naar [medeverdachte] gebeld om te vragen welke korreltjes zij aan [slachtoffer] moesten geven. Tevens heeft [slachtoffer] aan een thuiszorgmedewerker aangegeven dat een ziekenhuisopname niet tot de mogelijkheden behoorde omdat zij daar zou overlijden.76

Ook in deze periode heeft [verdachte] heel veel telefonisch contact (’tig keer per dag’) opgenomen met [slachtoffer] om op dwingende toon te vertellen welke middeltjes [slachtoffer] in moest nemen. Ook heeft [slachtoffer] met [verdachte] gebeld als ze ondraaglijke pijn had. Ze heeft dan aan [verdachte] gevraagd wat ze moest nemen. Door [verdachte] werden dan bepaalde korreltjes of vitaminen geadviseerd.77 [verdachte] heeft verklaard dat zij, indien hiernaar gevraagd door [slachtoffer], telefonische adviezen heeft gegeven in verband met incidentele pijnklachten.78

Op 16 maart 2011 heeft huisarts Troost [slachtoffer] wederom op eigen initiatief bezocht. De huisarts heeft een zeer fors benauwde patiënte gezien en haar nogmaals aangeraden aan naar het ziekenhuis te gaan maar dat heeft [slachtoffer] niet gewild. Zij is echter wel akkoord gegaan met een polibezoek voor diagnostiek. Op 17 maart 2011 heeft [echtgenoot van het slachtoffer] in verband met benauwdheid van [slachtoffer] wederom naar de huisarts gebeld. Huisarts Troost heeft bij bezoek een vrouw gezien die zo benauwd was dat zij, indien zij op dat moment geen zuurstof toegediend zou krijgen, zou overlijden. Omdat de dochter van [slachtoffer] twee dagen later jarig was, heeft [slachtoffer] ’nu eindelijk’ een ziekenhuisopname geaccepteerd.79

Op de eerste hulp van het Kennemer Gasthuis te Haarlem is [slachtoffer] aanvankelijk behandeld door arts-assistent Kraal. Hij heeft een ernstig zieke vrouw aangetroffen die fors benauwd was. Het beste heeft hij zich de wond aan de borst herinnerd. Deze was zeer groot en rook vies, de wond had heel wat oppervlakte van haar borst in beslag genomen. Vanwege de benauwdheid heeft Kraal een longfoto willen laten maken maar [slachtoffer] heeft hier niet mee in gestemd vanwege de straling die met een dergelijke foto gepaard ging. Omdat [slachtoffer] een longfoto heeft geweigerd is door Kraal algemeen chirurg Visser ingeschakeld.80 Deze heeft bij binnenkomst in de ruimte waar [slachtoffer] verbleef direct de geur van rotting waargenomen, hetgeen in schril contrast stond tot het verder zeer verzorgde uiterlijk van [slachtoffer]. Ook Visser heeft de mogelijkheid van een thoraxfoto met [slachtoffer] besproken. [slachtoffer] heeft hierbij aan gegeven dat zij een foto geen optie vond vanwege de straling, omdat je daar kanker van kon krijgen. Uiteindelijk is het Visser, nadat hij [slachtoffer] uitleg had gegeven over de te maken foto en het doel ervan, gelukt haar in te laten stemmen met het maken van een foto. Op deze foto zijn uitzaaiingen in de longen geconstateerd die zover waren gevorderd dat er operatief ook geen mogelijkheden meer waren: haar borst was al verdwenen en [slachtoffer] was op dat moment zeer zwak.81 Ook internist oncoloog Grootscholten heeft gedurende de ziekenhuisopname van [slachtoffer] contact met haar gehad. [slachtoffer] heeft toegestaan dat er röntgenfoto’s van de longen werden gemaakt en biopten werden genomen. Tevens zijn er gewone foto’s van de wonden op de borst genomen. Wondbehandeling en pijnbestrijding zijn door [slachtoffer] geweigerd. Naast zorg heeft [slachtoffer] slechts het toedienen van zuurstof toegestaan. Het is Grootscholten opgevallen dat [slachtoffer] extreem mager was. De prognose was heel slecht82 Grootscholten heeft [slachtoffer] gezegd dat zij aan kanker leed. De diagnose borstkanker was tijdens het leven van [slachtoffer] voor 99,9% zeker op grond van de weggevreten borst en het beeld op de röntgenfoto’s. Na haar overlijden is de uitslag van de biopten bekend geworden en was de diagnose voor 100% zeker.83 Ten slotte heeft Grootscholten er melding van gemaakt dat zij nog nooit een soortgelijk overlijdensgeval heeft meegemaakt als gevolg van borstkanker en nog nooit een borsttumor heeft gezien zoals bij [slachtoffer]. Een borstcarcinoom is niet te behandelen met acupunctuur, als alternatieve therapie zou het misschien tegen pijn gehanteerd kunnen worden. Een operatie zou noodzakelijk zijn geweest, zij het niet in 2007 dan wel in 2008.84

Op 21 maart 2011 is [slachtoffer] in het ziekenhuis in [L] overleden85 aan respiratoire insufficiëntie en uitputting als gevolg van een uitgebreid gemetastaseerd en verwaarloosd mammacarcinoom.86

Bij brief van 22 maart 2011 heeft [verdachte] aan de echtgenoot van [slachtoffer] geschreven:

‘Beste [voornaam echtgenoot van het slachtoffer], Hierbij stuur ik je de documentatie over waar het allemaal mee begonnen is. Een lymfocytoon op basis van een borrelia. De diagnose Lyme heeft ze zwart op wit staan met een medische verklaring. Als je dit ontkent doe je onrecht aan [voornaam van het slachtoffer] en de hele situatie. Zou het reguliere circuit (ziekenhuis) dit weten dan zouden ze er anders tegen aan kijken. Ik zie dat bij elke actie van het ziekenhuis de kankercellen explosief op alle fronten stijgen. Ze zal elke keer zieker worden en het meer benauwd krijgen. [voornaam van het slachtoffer] weet heel goed dat ziekenhuis, einde verhaal betekent. Het zou mij niets verbazen als er nu het omgekeerde gebeurt van wat de bedoeling is: dat je kinderen getuigen worden van hoe hun moeder kapot gaat aan het ziekenhuis. Ik wil het niet zien in elk geval en wil de herinnering goed houden. Sterkte! [voornaam verdachte]’. 87

Kans op herstel en oorzaak van overlijden


Door de rechter-commissaris in strafzaken van de rechtbank Noord Holland is een deskundige benoemd, prof. dr. E. Boven, VUmc, Medisch Oncologisch deskundige. In het door haar 21 december 2012 uitgebrachte rapport heeft de deskundige geconcludeerd dat vrouwen die zich met een primair mammacarcinoom bij de mammapoli melden gemiddeld 75% kans hebben te genezen, welke kans groter wordt naarmate het ziekteproces vroeger wordt ontdekt. Het proces is in die fase goed behandelbaar. Wanneer een vrouw geen (andere) behandeling of medicus aanvaardt moet goed worden uitgezocht wat hiervan de reden is. Voor goede voorlichting zijn de chirurg, de mammacare verpleegkundigen en de huisarts de eerst aanspreekbare personen. Een basisarts heeft geen plaats in dit traject, aangezien deze arts geen ervaring heeft in de diagnostiek en de behandeling van het primaire mammacarcinoom. Bij locoregionale uitbreiding van de borstkanker kan opereren niet meer zinvol zijn en kan palliatieve zorg worden ingesteld. Dit geldt ook voor de patiënt met uitzaaiingen. Hoewel genezing niet meer mogelijk is, zijn er tal van antitumorbehandelingen om het leven te verlengen met behoud van kwaliteit van het leven.

Acupunctuur wordt in het reguliere medische circuit niet toegepast bij de behandeling van mammacarcinoom. Indien een patiënt naast de reguliere behandeling baat heeft bij acupunctuur, wordt dit in het algemeen niet als bezwaar gezien. 88

Onderzoek natuurgeneeskundige hulpmiddelen

Onderzoek door een gediplomeerd stralingsdeskundige naar de placemat met daarop het woord ‘neutralise’ welke placemat is gebruikt om de straling in voedsel van [slachtoffer] te neutraliseren, heeft uitgewezen dat dit object geen enkele significante invloed kan hebben op het neutraliseren van straling.89 Uit onderzoek naar de korreltjes die [slachtoffer] moest innemen is naar voren gekomen dat de aanwezigheid van een farmacologisch actieve stof niet vastgesteld kan worden. De witte korrels bestaan uit een mengsel van diverse suikers, waaronder sucrose.90

4.5

Beoordeling ten laste gelegde feiten

Het hof dient te beoordelen of [verdachte] door te handelen en/of na te laten zoals hiervoor weergegeven [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, al dan niet de dood tot gevolg hebbend heeft toegebracht, althans opzettelijk haar gezondheid heeft benadeeld, dan wel of voornoemd letsel dat bij [slachtoffer] is opgetreden aan de schuld van [verdachte] te wijten is geweest.

Het hof overweegt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen het volgende.

4.5.1

De zorgplicht voor hulpverleners zoals verwoord in het BW en de Wet BIG

[verdachte] heeft tot [slachtoffer] gestaan in de verhouding van alternatief genezer (electro-acupuncturist en natuurgeneeskundige) / hulpverlener tot patiënt. Dit betekent voor de beoordeling van de aan [verdachte] verweten gedragingen – indien en voor zover deze komen vast te staan – dat de strafrechtelijke normering en duiding daarvan mede wordt ingevuld door hetgeen buiten het Wetboek van Strafrecht is geregeld. In dit kader zijn de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) en de Wet inzake de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO), opgenomen in boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van belang.

De Wet BIG geeft een ieder de vrijheid om ten behoeve van de bestrijding van zijn of haar medische klachten raad en bijstand te zoeken bij degene van wie hij of zij adequate gezondheidszorg verwacht, ongeacht of die zorg gestoeld is op de reguliere medische wetenschap, dan wel op alternatieve methoden van tot genezing, verlichting of begeleiding strekkend handelen. Binnen de door de wet getrokken grenzen mag aan de hulpzoekende voor zover verantwoord door een ieder alternatieve zorg worden geboden ter bestrijding van de kwaal waarvoor een hulpvraag is geformuleerd.

Omdat [verdachte] geen arts is en derhalve niet als zodanig in het BIG-register is geregistreerd, valt het handelen van [verdachte] niet onder het bereik van artikel 3 juncto artikel 40 van de Wet BIG, inhoudende dat de arts zijn / haar beroepsuitoefening zo dient te organiseren dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde zorg. Evenmin is [verdachte] onderworpen aan het medisch tuchtrecht ingevolge artikel 47 Wet BIG.
Wel is artikel 96 van de Wet BIG op [verdachte] van toepassing, op basis waarvan een hulpverlener strafwaardig handelt indien hij of zij bij het verrichten van handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg buiten noodzaak schade of een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van een ander veroorzaakt. Indien de hulpverlener wist of ernstige reden had om te vermoeden dat hij of zij schade zou veroorzaken, begaat de hulpverlener ingevolge het tweede lid van deze bepaling een misdrijf.

Voorts is de WGBO op [verdachte] van toepassing. Deze regeling heeft immers betrekking op een ieder die geneeskundige handelingen verricht in de uitoefening een geneeskundig beroep of bedrijf, ongeacht of de persoon in een register is ingeschreven. De bepalingen van deze regeling zien op handelingen op het gebied van de geneeskunst, rechtstreeks betrekking hebbend op de patiënt en stellen – kort gezegd – minimum eisen aan de inhoud die door de hulpverlener en de patiënt aan de behandelingsrelatie wordt gegeven. Handelingen op het gebied van de geneeskunst zijn onder meer: verrichtingen, het onderzoeken en geven van raad daaronder begrepen, rechtstreeks betrekking hebbende op een persoon en ertoe strekkende hem van een ziekte te genezen, hem voor het ontstaan van een ziekte te behoeden of zijn gezondheidstoestand te beoordelen.


[verdachte] heeft [slachtoffer] behandeld voor articaïnebeschadiging. Onderdeel van de door [verdachte] gegeven therapie betrof het ontgiften en repareren van het lichaam van [slachtoffer] door middel van homeopathische middelen op waterbasis, onder meer in de vorm van korreltjes en druppels. Het hof stelt vast dat [verdachte], gelet op het voorgaande, geneeskundige handelingen heeft verricht ten opzichte van [slachtoffer] en daarbij handelde in de uitoefening van haar beroep. Tussen hen bestond derhalve een geneeskundige behandelingsovereenkomst. De verdediging heeft dat ook niet betwist. De vraag is welke zorgplicht een dergelijke behandelingsrelatie in het leven roept.

In artikel 7:453 BW is bepaald dat de hulpverlener de zorg van een goed hulpverlener in acht moet nemen en moet handelen volgens de professionele standaard. De professionele standaard omvat de medisch-professionele standaard – betreffende het medisch handelen volgens de inzichten van de medische wetenschap en ervaring – en andere aspecten zoals het voldoen aan de rechten van de patiënt en aan andere maatschappelijke normen en wettelijke regelingen. Voorts is artikel 7:448 BW van belang waarin staat dat de patiënt recht heeft op door de hulpverlener te verstrekken informatie; het beginsel van de geïnformeerde toestemming (ook wel ‘informed consent’ genoemd). De hulpverlener is verplicht de patiënt duidelijk te informeren over het ziektebeeld, de mogelijkheden voor en de risico’s van de behandeling als ook de mogelijke andere behandelingen. Op grond van deze wettelijke regeling kan een geneeskundige behandeling slechts plaatsvinden na toestemming van de patiënt.

Naast de wettelijke regelingen wordt ook aan de hand van richtlijnen door de eigen beroepsgroep invulling gegeven aan de ‘zorgplicht’ die op een hulpverlener rust. De hulpverlener moet bij zijn werkzaamheden immers de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en dient daarbij, zoals hiervoor reeds overwogen, in overeenstemming te handelen met de op hem of haar rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard. Voor [verdachte] geldt dat de richtlijnen als verwoord in de Beroepscode voor de Natuurgeneeskundig Therapeut van toepassing zijn. Deze richtlijnen geven invulling aan de binnen de beroepsgroep geldende professionele standaard, ongeacht of de desbetreffende hulpverlener lid is van de beroepsvereniging, de Vereniging van Natuurgeneeskundig Therapeuten.

Uit deze richtlijnen volgt dat sprake is van goed hulpverlenerschap (voor zover in deze van belang) als de therapeut zich onthoudt van handelingen die gelegen zijn buiten het terrein van zijn eigen kennen en kunnen. Daarnaast mogen therapeuten – behoudens bijzondere omstandigheden – niet overgaan tot behandeling wanneer de lichamelijke toestand van de patiënt zodanig is dat gesproken kan worden van acute bedreiging van het leven, waarbij de therapeut weet of kan weten dat regulier medische of specialistische hulp noodzakelijk moet worden geacht, of als de therapeut kan weten dat door zijn behandeling een andere geneeskundige behandeling wordt afgebroken of achterwege blijft, waardoor het leven of de gezondheid van de patiënt in gevaar zou kunnen komen. Voorts dient een therapeut niet tot behandeling over te gaan indien hij er niet in slaagt een helder inzicht te krijgen betreffende de gezondheidstoestand van de patiënt.

Concluderend, gezien de geneeskundige behandelingsovereenkomst tussen [verdachte] en [slachtoffer], heeft de op [verdachte] rustende zorgplicht aldus (mede) bestaan uit voornoemde informatieplicht en uit de verplichting de zorg van een goed hulpverlener te betrachten door te handelen met inachtneming van voornoemde professionele standaard.

4.5.2

Vrijspraak medeplegen

Gelijk de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat medeplegen, in de zin dat [verdachte] en [medeverdachte] nauw en bewust met elkaar samenwerkten, op basis van het voorhanden zijnde dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld. Weliswaar is [medeverdachte] op enig moment ondersteuning gaan bieden aan de door [verdachte] voorgestane en de door [slachtoffer] gekozen leefwijze, maar naar het oordeel van het hof levert een en ander te weinig aanknopingspunten op om van een nauwe en bewuste samenwerking te spreken.

Het hof zal [verdachte] derhalve vrijspreken van het haar ten laste gelegde medeplegen.

4.5.3

Wetenschap van [verdachte] dat [slachtoffer] borstkanker had

Voor de beantwoording van de vraag of [verdachte] haar zorgplicht jegens [slachtoffer] is nagekomen dan wel heeft geschonden, dient allereerst beoordeeld te worden of uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [verdachte] wist of moest vermoeden dat [slachtoffer] (mogelijk) aan borstkanker leed.

De advocaat-generaal heeft betoogd dat [verdachte] zich een beeld heeft kunnen vormen over de gezondheidstoestand van [slachtoffer] gelet op het grote aantal telefonische contacten tussen [verdachte] en [slachtoffer], de contacten die [verdachte] met [medeverdachte] onderhield, het feit dat [verdachte] [slachtoffer] heeft gesproken over de wond op de borst en de bekendheid van [verdachte] met de uitslagen van het bloedonderzoek.

Door de verdediging is het standpunt ingenomen dat weliswaar tussen [slachtoffer] en [verdachte] een geneeskundige behandelingsovereenkomst heeft bestaan, maar dat de door [verdachte] gegeven behandeling enkel zag op de door [verdachte] geconstateerde articaïnebeschadiging. Van het feit dat werd vermoed dat [slachtoffer] aan borstkanker leed had [verdachte] geen wetenschap volgens de verdediging.

Het hof stelt vast dat uit het dossier niet is gebleken, hetgeen door [verdachte] ook stellig is ontkend, dat zij op enig moment de wond op de borst van [slachtoffer] heeft gezien. Evenmin is gebleken dat [verdachte] [slachtoffer] na medio 2010 nog in persoon heeft gezien. Voorts is naar het oordeel van het hof niet vast komen te staan dat [verdachte] door [medeverdachte] is geïnformeerd over het ziektebeeld van [slachtoffer]. Het voorgaande brengt echter niet met zich mee dat [verdachte] geen wetenschap had hoeven of kunnen hebben van het vermoeden dat [slachtoffer] aan borstkanker leed.

Een jaar nadat [slachtoffer] onder behandeling van [verdachte] was gekomen ter zake van articaïnebeschadiging, is naar aanleiding van een door [slachtoffer] geconstateerd knobbeltje in de borst en een daaropvolgend onderzoek in het ziekenhuis in het begin van 2007 het vermoeden gerezen dat [slachtoffer] borstkanker had. [verdachte] was van dit knobbeltje op de hoogte en wist dat [slachtoffer] daarvoor contact had met reguliere artsen, te weten de huisarts en [medeverdachte]. Weliswaar heeft [verdachte] de wond op de borst nooit gezien, maar medio 2010 heeft zij in ieder geval wel van de wond gehoord. Er was toen al sprake van een grote zwerende tumormassa. Voorts is [verdachte] in het najaar van 2010 door [slachtoffer] zelf geïnformeerd over de uitslagen van het bloedonderzoek, waaruit naar voren was gekomen dat de tumormarkers sterk verhoogd waren. Verdachte heeft ontkend dat zij hiervan op de hoogte was. Gelet op de verklaring van huisarts Troost, afgelegd bij de rechter-commissaris, dat [slachtoffer] aan haar heeft verteld dat [verdachte] heeft aangegeven dat de verhoogde bloedwaarden het gevolg waren van het gebruik van Fentanylpleisters, gaat het hof aan die ontkenning voorbij. Ook is [verdachte] door [echtgenoot van het slachtoffer] en de moeder van [slachtoffer] geïnformeerd over de zorgelijke toestand van [slachtoffer]. Mede indachtig het veelvuldig telefonisch contact tussen [verdachte] en [slachtoffer], alsmede gelet op de eigen theorie van [verdachte] die behelst dat articaïnebeschadiging de ziekte kanker tot gevolg kan hebben, is het hof van oordeel dat [verdachte] redelijkerwijs had kunnen en moeten weten dat vanaf 2007 steeds sterker het vermoeden bestond dat [slachtoffer] aan borstkanker leed, welke diagnose vanwege de weigering van [slachtoffer] om nader onderzoek te laten doen, uiteindelijk eerst na het overlijden van [slachtoffer] met zekerheid kon worden gesteld.

4.5.4

Bewijsoverweging

Bij de beoordeling van de hiervoor weergegeven – en eventueel in een aanvulling op dit verkort arrest nog op te nemen - redengevende feiten en omstandigheden neemt het hof in aanmerking dat deze merendeels bestaan uit de weergave van getuigen van hetgeen zij hebben vernomen van [slachtoffer]. Vastgesteld kan worden dat [slachtoffer] er veel, zo niet alles aan was gelegen het ziekenhuis te vermijden en dat zij erop uit was haar bezorgde omgeving gerust te stellen door te verwijzen naar [medeverdachte] en [verdachte] als degenen die zich als professional met haar gezondheid bezig hielden. Daarbij is duidelijk dat [slachtoffer] de mogelijkheid dat zij kanker had niet onder ogen wilde zien. De vraag is of en in hoeverre [slachtoffer] als gevolg daarvan in haar uitingen naar haar omgeving onware mededelingen heeft gedaan, wat [verdachte] betreft erop neerkomende - kort samengevat - dat zij van [verdachte] niet naar het ziekenhuis mocht vanwege de straling zolang zij niet was hersteld van de articaïnebeschadiging en dat zij volgens [verdachte] niet aan kanker leed.

Het hof heeft deze vraag onder ogen gezien en ontkennend beantwoord op grond van de volgende overwegingen.

1. In haar hiervoor geciteerde brief aan [echtgenoot van het slachtoffer] van 22 maart 2011 schrijft [verdachte], na een inleidende opmerking over de bij [slachtoffer] in het verleden gestelde diagnose Lyme, letterlijk het volgende:

Ik zie dat bij elke actie van het ziekenhuis de kankercellen explosief op alle fronten stijgen. Ze zal elke keer zieker worden en het meer benauwd krijgen. [voornaam van het slachtoffer] weet heel goed dat ziekenhuis, einde verhaal betekent. Het zou mij niets verbazen als er nu het omgekeerde gebeurt van wat de bedoeling is: dat je kinderen getuigen worden van hoe hun moeder kapot gaat aan het ziekenhuis.

[verdachte] stelt dat zij hiermee geen uitspraak deed over [slachtoffer], maar slechts een algemene uitspraak om [echtgenoot van het slachtoffer] ervan te overtuigen dat de articaïne beschadigde patiënt niet de standaard patiënt is. Deze uitleg van de geciteerde passage is naar het oordeel van het hof in tegenspraak met de volstrekt heldere en niet te interpreteren bewoordingen van de brief. Daarover bij herhaling doorgevraagd ter terechtzitting in hoger beroep heeft [verdachte] zich steeds op haar zwijgrecht beroepen, met verwijzing naar een gesprek dat zij eerder met [echtgenoot van het slachtoffer] had, waarover zij zich genoodzaakt voelde te zwijgen. Dat zo zijnde rest het hof slechts uit te gaan van de door [verdachte] geschreven tekst.

2. [ [echtgenoot van het slachtoffer] heeft bij de rechter-commissaris op 17 december 2012 een verklaring afgelegd, onder meer inhoudende:

In oktober 2010 heb ik [voornaam verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]) opgebeld omdat ik me zorgen maakte over [voornaam van het slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer]). [voornaam verdachte] zei toen dat [voornaam van het slachtoffer] de boel saboteerde en dat ze gewoon aan anorexia leed.

(………..)

[voornaam verdachte] heeft ook tegen mij gezegd: “Ik zie geen kanker”.

Ik heb zelfs [voornaam verdachte] nog moeten bellen toen zij (het hof begrijpt: [slachtoffer]) al in het ziekenhuis lag. Toen ik [voornaam verdachte] buiten aan de telefoon sprak wilde ze [voornaam van het slachtoffer] spreken. Ik zei dat dat niet kon omdat ze in het ziekenhuis lag. [voornaam verdachte] zei dat ik dit niet had mogen doen. Ik heb ook een brief van [voornaam verdachte] hierover gekregen.

3. De moeder van [slachtoffer], [moeder van het slachtoffer], heeft bij de rechter-commissaris op 11 december 2012 een verklaring afgelegd, onder meer inhoudende:

Ik heb één keer die mevrouw uit [M] aan de telefoon gehad. Hiermee bedoel ik inderdaad [voornaam verdachte] [verdachte]. Ze wilde [voornaam van het slachtoffer] spreken. Ik zei haar dat mijn dochter aan het sterven was. Ze werd heel boos en schreeuwde dat ze niet ging sterven en dat ze geen kanker had.

(……………………)

Dit was een paar weken voor het overlijden van [voornaam van het slachtoffer].

(………………….)

Mevrouw [verdachte] schreeuwde dat ze niet dood zou gaan en dat ze geen kanker had. Ze schreeuwde zo hard dat de buren het bijna konden horen.

Uit het voorgaande concludeert het hof dat ook de verklaringen de auditu van hetgeen [slachtoffer] over de rol van [verdachte] heeft gezegd, kunnen bijdragen aan het bewijs.Herbert

4.5.5

Zorgplicht van [verdachte] jegens [slachtoffer]

Het hof heeft eerder overwogen dat de Wet BIG in beginsel niet aan de toelaatbaarheid van de door de [verdachte] als alternatief genezer aan [slachtoffer] gegeven raad en verleende bijstand in de weg staat. De keuzevrijheid van [slachtoffer] als patiënte, zoals die in het systeem van die wet besloten ligt, betekent echter niet dat het een en ander door [verdachte] vrijblijvend kon worden verricht. Hiervoor heeft het hof reeds vastgesteld dat op de schouders van [verdachte] een zorgplicht rustte. Het hof dient thans te beoordelen of [verdachte] de op haar rustende zorgplicht jegens [slachtoffer] heeft geschonden, door haar onjuist c.q. onvoldoende te informeren over haar gezondheidstoestand en / of zich te begeven buiten de grenzen van haar kennen en kunnen.

De inhoud van het zorgverlenerschap van [verdachte] als alternatief genezer heeft bestaan uit het behandelen van articaïnebeschadiging; een diagnose die [verdachte] heeft gesteld aan de hand van het testsysteem met de naam ‘Electro Acupunctuur van Voll’ en het eigen verhaal van [slachtoffer], de anamnese. De door [verdachte] gegeven therapie betrof, zoals hiervoor overwogen, het ontgiften en repareren van het lichaam van [slachtoffer] door middel van homeopathische middelen op waterbasis, onder meer in de vorm van korreltjes en druppels. Daarnaast heeft [verdachte] [slachtoffer] geadviseerd over non-toxisch eten en het naleven van bepaalde leefregels, hetgeen cruciaal was voor een juiste toepassing van de therapie.

Het hof benadrukt in dit verband dat de door [verdachte] aan zichzelf toegedichte expertise – electro-accupuncturist en specialist op het gebied van articaïnebeschadiging – geen medisch wetenschappelijke grondslag heeft. Sterker nog, articaïnebeschadiging kan volgens [verdachte] zelf in het geheel niet regulier worden gediagnosticeerd en behandeld. Daar staat tegenover dat niet aannemelijk is geworden dat aard of inhoud van de adviezen en bijstand door [verdachte], of de wijze waarop zij die verleende, reeds op zich beschouwd tot benadeling van de gezondheid van [slachtoffer] konden leiden.

[verdachte] heeft voornoemde diagnose bij [slachtoffer] gesteld nadat zij zich in verband met klachten bij haar meldde, maar voordat er sprake was van een vermoeden van borstkanker. Nadat [slachtoffer] het knobbeltje in haar borst ontdekte en zij binnen het reguliere medische circuit werd gewezen op het ernstige vermoeden van het bestaan van borstkanker, waarvoor nader onderzoek wenselijk was, heeft [verdachte] haar behandeling voor articaïnebeschadiging ongewijzigd voortgezet. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat [verdachte] vanaf het moment van vermoedens van borstkanker mede heeft bedoeld haar behandeling te richten op het genezen van borstkanker. [verdachte] heeft aangegeven dat zij ervan uitging dat [slachtoffer] zich op dit gebied liet bijstaan door twee reguliere artsen.

Weliswaar bevat het dossier verklaringen waaruit kan worden opgemaakt dat mogelijk door [verdachte] andere oorzaken zijn genoemd voor de borstwond van [verdachte], maar dit zijn louter ’de-auditu’-verklaringen, zodat bij gebreke van overige bewijsmiddelen, niet onomstotelijk is komen vast te staan dat [verdachte] haar adviezen en bijstand tevens heeft bedoeld te richten op de oorzaak van de borstwond van [slachtoffer]. Daarbij komt dat niet is uitgesloten dat [slachtoffer] de van [verdachte] ontvangen adviezen en bijstand zelf heeft betrokken op haar borstwond, gelet op haar inmiddels gegroeide afkeer van de reguliere medische wetenschap.

Gelet op het hiervoor overwogene houdt het hof het ervoor dat [verdachte] [slachtoffer] niet heeft behandeld voor borstkanker en dat zij haar ten aanzien van de articaïnebeschadiging volledig heeft ingelicht omtrent haar gezondheidstoestand, zonder dat [verdachte] zich met betrekking tot haar behandeling als leek heeft begeven op het terrein waar bij uitstek de reguliere arts deskundig is. Het hof is van oordeel dat [slachtoffer] ten aanzien van de articaïnebeschadiging voldoende in staat kon worden geacht haar zelfbeschikkingsrecht als patiënt uit te oefenen.

Het voorgaande geldt echter niet ten aanzien van handelingen van [verdachte] voor zover die reikten buiten het terrein van haar eigen kennen en kunnen. Onderdeel van en cruciaal voor (het welslagen van) de therapie van [verdachte] voor articaïnebeschadiging betrof het non-toxisch eten en de stralingsvrije leefomgeving. Indachtig deze leefregels werden in de woning van [slachtoffer] allerhande maatregelen getroffen. Zo mochten er geen mobiele telefoons en geen internetverbinding in de woning zijn om straling tegen te gaan en diende [slachtoffer] een tasje te dragen met korreltjes om haar tegen straling te beschermen. Tevens moest het voedsel dat [slachtoffer] tot zich nam eerst door [verdachte] gemeten worden om de mate van straling te kunnen bepalen en indien nodig ‘geneutraliseerd’ worden via een placemat. [verdachte] verstrekte [slachtoffer] een lijst specifieke voedingsmiddelen die ze wel en niet mocht eten in verband met de af- en aanwezigheid van mogelijke straling. Ook verstrekte [verdachte] adviezen en middelen aan [slachtoffer] ter bescherming tegen straling buiten de directe leefomgeving van [verdachte]. Deze adviezen hielden onder meer in dat [verdachte] [slachtoffer], gelet op de articaïnebeschadiging, actief ontraadde naar het ziekenhuis te gaan. De blootstelling aan straling in het ziekenhuis, door bestraald eten en onderzoeken met straling, zou te groot zijn in verhouding tot de slechte gezondheidstoestand van [slachtoffer] als gevolg van de articaïnebeschadiging.

Het hof heeft hiervoor reeds vastgesteld dat [verdachte] redelijkerwijs had kunnen en moeten vermoeden dat [slachtoffer] sedert 2007 aan borstkanker leed. Het is een feit van algemene bekendheid dat borstkanker een levensbedreigende aandoening is van progressieve aard, wanneer geen adequate behandeling wordt gegeven. Blijkens de in bovengenoemd rapport van de oncologisch deskundige

E. Boven genoemde richtlijn voor diagnostiek en behandeling van mammacarcinoom (www.oncoline.nl) zijn bij het diagnostisch traject en de behandeling daarvan standaard een radioloog, een chirurg, een patholoog en een mammacare verpleegkundige betrokken. Diagnostiek en behandeling dienen derhalve in een ziekenhuis plaats te vinden onder leiding van specialisten. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat de kans op ernstige schade aan de gezondheid door een onjuiste behandeling of het uitblijven van behandeling ingeval van borstkanker aanzienlijk is. Door onder die omstandigheden dwingende adviezen te blijven geven die gericht waren op stralingsvrij eten en het verkeren in een stralingsvrije omgeving en vanuit die invalshoek actief ziekenhuisbezoek te ontraden heeft [verdachte], als behandelaar voor articaïnebeschadiging, onvoldoende onderscheid gemaakt tussen reguliere en niet-reguliere behandelingen. Evenmin heeft zij contact gezocht met reguliere zorgverleners om hen te informeren over de risico’s van de door haar aan [slachtoffer] gegeven adviezen voor de behandeling van borstkanker.

Daardoor heeft [verdachte] een risicovolle situatie geschapen. Risicovol voor het ontstaan van lichamelijk letsel dan wel nadeel voor de gezondheid van [slachtoffer] omdat [slachtoffer] ervoor had gekozen zich met het oog op haar gezondheid te verlaten op de raad en bijstand van onder meer [verdachte], een leek op het gebied van borstkanker. Risicovol voor [verdachte], omdat de kans zeer aanzienlijk was dat haar raad en bijstand, aan [slachtoffer] gegeven en verleend, zich tevens uitstrekten tot een terrein buiten haar kennen en kunnen, waardoor de kans op het ontstaan van lichamelijk letsel bij [slachtoffer] dan wel benadeling van de gezondheid van [slachtoffer] eveneens zeer aanzienlijk was.

Dat [verdachte] meende dat [slachtoffer] zich ten aanzien van haar borstwond kon laten bijstaan door reguliere artsen, waaronder haar huisarts en [medeverdachte], kan [verdachte] niet vrijpleiten. Allereerst is een basisarts, evenals een huisarts, niet de aangewezen deskundige in een traject van diagnostiek en behandeling van borstkanker. Bovendien moet [verdachte], gelet op het grote aantal telefonische contacten tussen [verdachte] en [slachtoffer], hebben geweten dat [slachtoffer] heel veel waarde hechtte aan de adviezen van [verdachte]. [verdachte] had derhalve kunnen en moeten vermoeden dat haar adviezen aan [slachtoffer] diagnostisering en behandeling van de borstkanker in de weg stonden, ondanks de aanwezigheid van een basisarts en mogelijke raadpleging van een huisarts.

Aldus is het hof van oordeel dat de adviezen en bijstand van [verdachte] er mede toe strekten [slachtoffer] ervan te weerhouden het ziekenhuis en daarmee specialisten te bezoeken en haar daarvan ook daadwerkelijk hebben weerhouden, zodat die adviezen en bijstand zonder noodzaak schade aan de gezondheid van [slachtoffer] hebben veroorzaakt. [verdachte] heeft aldus gehandeld in strijd met het bepaalde in art. 7:453 BW.

4.5.6

Opzet

Het hof heeft zich vervolgens een oordeel gevormd omtrent de vraag of, gelet op de hierna door het hof te omschrijven schending van de zorgplicht, sprake is van opzet bij [verdachte] op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, al dan niet de dood tot gevolg hebbend (zoals impliciet primair ten laste is gelegd) dan wel het benadelen van de gezondheid (zoals impliciet subsidiair ten laste is gelegd). Hierbij stelt het hof voorop dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet blijkt dat [verdachte] opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel in die zin dat [verdachte] dit letsel beoogd heeft. Dan resteert de vraag of sprake is geweest van zogeheten voorwaardelijk opzet.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien [verdachte] zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg, in casu het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, al dan niet de dood tot gevolg hebbend, zou intreden en zij die kans ook welbewust heeft aanvaard.

Naar het oordeel van het hof was ook het opzet van [verdachte] in voorwaardelijke zin er niet op gericht aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel haar gezondheid te benadelen. Van het willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen dan wel dat haar gezondheid zou worden benadeeld door het creëren en voeden van stralingsangst bij [slachtoffer] is onvoldoende gebleken. Het enkele feit dat [verdachte] had moeten weten van de aanmerkelijke kans dat zwaar lichamelijk letsel zou intreden of de gezondheid benadeeld zou worden is daarvoor onvoldoende. Uit het dossier blijkt genoegzaam dat [verdachte] er vanuit haar gedachtengoed alles aan heeft gedaan [slachtoffer] te genezen van articaïnebeschadiging. Het wilsaspect in de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen als gevolg van een door haar niet behandelde aandoening dan wel dat haar gezondheid daardoor ernstig zou worden benadeeld ontbreekt naar het oordeel van het hof. Van voorwaardelijk opzet is daarom evenmin sprake.

Het hof zal [verdachte] dan ook vrijspreken van het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dan wel het opzettelijk benadelen van de gezondheid van [slachtoffer].

Gelet op het voorgaande zal het hof [verdachte] vrijspreken van hetgeen haar primair ten laste is gelegd.

4.5.7

Schuld

Wel is het hof van oordeel dat [verdachte] in deze verwijtbaar heeft gehandeld. Immers, [verdachte] heeft in het kader van haar behandeling voor articaïnebeschadiging veelvuldig telefonisch contact gehad met [slachtoffer] en met personen uit haar directe omgeving. [verdachte] wist dat [slachtoffer] leefde volgens de door haar gepropageerde leefregels en dat [slachtoffer] heel veel waarde hechtte aan haar adviezen. Deze adviezen hielden onder meer in dat [verdachte] [slachtoffer], gelet op de articaïnebeschadiging, actief ontraadde naar het ziekenhuis te gaan om straling te voorkomen. Daardoor heeft [verdachte] [slachtoffer] gesterkt in haar toch al groeiende afkeer van de reguliere geneeskunde en in haar opvatting dat een ziekenhuisopname voor haar gezondheidsrisico’s met zich bracht. Ook vanaf het moment dat [verdachte] wist van het knobbeltje in de borst, de borstwond en de verhoogde tumormarkers in het bloed heeft [verdachte] haar adviezen gehandhaafd, letterlijk tot het einde aan toe, gelet in de op 22 maart 2011 geschreven brief aan [echtgenoot van het slachtoffer]. Het feit dat [slachtoffer] tevens onder behandeling en zorg van een arts, [medeverdachte] stond, neemt de eigen verantwoordelijkheid van [verdachte] jegens [slachtoffer] niet weg.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat [verdachte] in haar zorgplicht jegens [slachtoffer] schromelijk te kort geschoten is en dat zij de op haar als hulpverlener rustende zorgverplichtingen die uit de wet en de voor de beroepsgroep geldende richtlijnen voortvloeien heeft geschonden. [verdachte] kan een zodanig verwijt worden gemaakt dat naar het oordeel van het hof geconcludeerd moet worden dat de gevolgen van haar handelen dan wel nalaten aan haar schuld te wijten zijn geweest, en wel in die zin dat zij zeer onvoorzichtig heeft gehandeld en nalatig is geweest.

Gelet op het voorgaande komt het hof tot een bewezenverklaring van hetgeen [verdachte] subsidiair ten laste is gelegd.

4.5.8

Zwaar lichamelijk letsel

Het hof is van oordeel dat het ten laste gelegde letsel kan worden bewezen zoals hierna weer te geven

en dat daarmee sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Het hof verwijst naar het grote aantal verklaringen waaruit volgt dat [slachtoffer] hevige pijn leed en dat sprake was van een grote stinkende wond, die (uiteindelijk) het gehele borstoppervlak in beslag nam, waarbij de borst van [slachtoffer] geheel was verdwenen alsof er een amputatie had plaatsgevonden en waarbij de kanker was uitgezaaid in (onder meer) haar longen. Het hof merkt de verdere doorgroei en uitzaaiing van kankergezwellen, en de daarmee samenhangende verergering van het ziektebeeld van [slachtoffer], afname van de levensverwachting en toename van pijnklachten, als zwaar lichamelijk letsel aan.

4.5.9

Bewijsoverweging causaliteit

Door het hof is vastgesteld dat [verdachte] zeer onvoorzichtig heeft gehandeld en nalatig is geweest en dat de gevolgen van haar handelen dan wel nalaten aan haar schuld te wijten zijn geweest.

Door de verdediging is bepleit dat geen causaal verband bestaat tussen de gedragingen van [verdachte] en het zwaar lichamelijk letsel dat [slachtoffer] heeft opgelopen. Daartoe is aangevoerd dat het aan [verdachte] niet in redelijkheid is toe te rekenen dat [slachtoffer] geen reguliere behandelingen heeft ondergaan. Belangrijke omstandigheid hierbij is dat [slachtoffer] zelf een duidelijke voorkeur had voor het alternatieve circuit en daarin duidelijk haar eigen keuzes heeft gemaakt. [verdachte] heeft geen beslissende invloed gehad en zeker niet buiten het gebied van de articaïnebeschadiging, aldus de verdediging.

Het hof overweegt het volgende.

Over [slachtoffer] wordt door haar moeder gezegd dat zij reeds vanaf haar 18e een grote belangstelling had voor de alternatieve geneeskunst en dat het voor haar dochter fantastisch was toen ze met [medeverdachte] in contact kwam en dat ze alles deed wat hij zei.91

Zij had zich in het verleden voor gezondheidsproblemen, naast behandeling binnen het reguliere gezondheidscircuit, op alternatieve wijze laten behandelen, bijvoorbeeld middels acupunctuur.92 Zij had altijd in het reguliere medische circuit gelopen, hoewel zij daarbij kritisch was en open stond voor alternatieve geneeswijzen.93 Voorts wordt [slachtoffer] door haar naasten omschreven als een heel sterke vrouw met een heel sterke wil, die daarnaast erg motiverend en vasthoudend was. Als zij eenmaal ergens vertrouwen in had, was zij daar niet meer van af te brengen.9495 Daarnaast worden termen als ‘dwingend’ maar anderzijds ‘erg afhankelijk’ in de zin van alles doen wat een ander zei, gebezigd wanneer het karakter van [slachtoffer] wordt omschreven.96 Ook wordt over haar gezegd dat zij eigengereid was en dat er voor haar vaak maar één manier was.97

Uit hetgeen het hof hiervoor reeds heeft overwogen volgt dat [verdachte] [slachtoffer] actief heeft ontraden naar het ziekenhuis te gaan, zelfs in de fase dat ziekenhuisopname noodzakelijk was. Uit het procesdossier is gebleken dat bij [slachtoffer] zelf een sterke weerstand was gegroeid ten aanzien van de reguliere geneeskunde, hoewel zij in het verleden altijd ook onderzoek en behandeling in het reguliere medische circuit had ondergaan. Echter, ondanks de sterke persoonlijkheid van [slachtoffer] en haar duidelijke voorkeur voor niet reguliere geneeswijzen, heeft zij zich in 2007 tot haar huisarts en later tot de mammapoli gewend nadat eind 2006 een knobbeltje in de borst werd geconstateerd. Ook voordien heeft [slachtoffer] zich meerdere malen ter zake van verschillende aandoeningen onder reguliere medische behandeling gesteld, waaronder het maken van een MRI-scan van haar rug in 2003 en 2006. Ook is vastgesteld dat [slachtoffer] in oktober 2010 wel akkoord is gegaan met een bloedonderzoek en later uiteindelijk met een ziekenhuisopname. Daarbij komt, dat eenmaal in het ziekenhuis, [slachtoffer] aanvankelijk weigerde röntgenfoto’s te laten maken, maar na uitleg van de chirurg hier toch mee instemde.

Het hof leidt hieruit af dat [slachtoffer] bij juiste informatievoorziening wel degelijk te bewegen was tot reguliere behandelwijzen.
Dat voor [verdachte] hierin een belangrijke rol was weggelegd volgt uit het feit dat [slachtoffer] volledig meeging in het gedachtegoed van [verdachte] en hetgeen [verdachte] haar daaromtrent mededeelde. Zij baseerde de door haar gemaakte keuzes gedurende haar ziekteproces in overwegende mate op de mededelingen van [verdachte] en op die van [medeverdachte]. Naar het oordeel van het hof is de afkeer van [slachtoffer] van de reguliere zorg door toedoen van [verdachte] zonder twijfel verergerd. In dit verband wijst het hof op de kracht van de overtuiging van [verdachte] van de noodzaak van een stralingsvrije omgeving. In haar schriftelijke beantwoording van vragen van de officier van justitie geeft zij te kennen dat de ervaring heeft geleerd dat het hele ziekenhuis gebeuren bij deze kwetsbare patiënten resulteert in explosieve toename van kankercellen in diverse organen. [slachtoffer] heeft in haar laatste levensjaren een zodanig sterke angst voor straling ontwikkeld dat zij, blijkens de verklaring van de oncoloog Grootscholten tegenover de rechter-commissaris afgelegd op 14 januari 2013, enkele dagen voor haar overlijden nog bang was voor de aanwezigheid van mobiele telefoons in verband met het gevaar van kanker door straling. Naar het oordeel van het hof is het dan ook in aanzienlijke mate waarschijnlijk te achten dat [slachtoffer] tot andere keuzes was gekomen, indien [verdachte] had voldaan aan de op [verdachte] jegens haar rustende zorgplicht, zeker wanneer [verdachte] hierin samenwerking had gezocht met de echtgenoot en kinderen van [slachtoffer] en met haar huisarts.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het handelen van [verdachte] een onmisbare schakel is geweest in de gebeurtenissen die uiteindelijk hebben geleid tot het zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer]. Het hof is van oordeel dat moet worden geconcludeerd dat het in aanzienlijke mate waarschijnlijk is dat in het bijzonder ook de door [verdachte] gedane mededelingen van beslissende invloed zijn geweest op de door [slachtoffer] gemaakte keuze zich niet regulier, in het ziekenhuis, te laten behandelen. [verdachte] heeft het gevaar dat [slachtoffer] als gevolg hiervan zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, welk gevaar zich ook daadwerkelijk heeft geopenbaard, in zodanige mate verhoogd dat het ontstaan van dit letsel, in de vorm van – kort weergegeven – een verdere doorgroei en uitzaaiing van kankergezwellen, redelijkerwijs aan [verdachte] dient te worden toegerekend.

4.6

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 4 januari 2007 tot en met 21 maart 2011 te [H] en/of [M]

zeer onvoorzichtig heeft gehandeld en nalatig is geweest, door bij [slachtoffer], verder te noemen patiënte, van wie verdachte redelijkerwijs had moeten en/of kunnen vermoeden dat zij aan (borst-)kanker leed,

als natuurgeneeskundige, handelingen te verrichten op het gebied van de zorg,

waarbij zij, verdachte onvoldoende heeft gehandeld als goed hulpverlener, immers heeft zij

ten tijde van het uitvoeren van de geneeskundige behandelovereenkomst in strijd gehandeld met werkwijzen en/of protocollen voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard, zoals omschreven in artikel 7:453 BW, te weten door

- patiënte mede te delen dat er geen sprake was van kanker en/of

- patiënte (actief) te ontraden zich in het reguliere medische circuit te laten onderzoeken en/of te laten behandelen,

waardoor haar de benodigde (reguliere) medische zorg is onthouden,

waardoor het aan haar schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, bestaande uit een (verdere) (door)groei en/of (verdere) uitzaaiing(en) van een kankergezwel en een verergering van haar ziektebeeld en een aanzienlijke afname van de genezingskans en levensverwachting en een ernstige toename van de pijnklachten heeft bekomen.

Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. [verdachte] moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat [verdachte] het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5 Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, terwijl het misdrijf wordt gepleegd in de uitoefening van enig ambt of beroep

6 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat [verdachte] strafbaar is.

7 Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft [verdachte] voor het subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren en met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht en haar vrijgesproken van het haar primair ten laste gelegde.

Tegen voormeld vonnis is door de [verdachte] en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

7.1

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat [verdachte] voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 10 jaren. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd aan het voorwaardelijk deel van de straf als bijzondere voorwaarde te verbinden dat [verdachte] gedurende de proeftijd geen handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg mag verrichten, met dadelijke uitvoerbaarheid van die bijzondere voorwaarde.

7.2

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht voor het geval dat het hof tot een veroordeling mocht komen rekening te houden met het feit dat [verdachte] een blanco strafblad heeft en dat zij in de 25 jaar dat zij werkzaam is als natuurgeneeskundige nimmer klachten of negatieve aandacht heeft gekregen. Een beroepsverbod zou onaanvaardbaar zijn. Er is sprake geweest van een unieke situatie waar zij lering uit heeft getrokken. Thans laat zij haar patiënten een verklaring ondertekenen waarin staat vermeld dat zij geenszins haar patiënt afraadt om gebruik te maken van het reguliere medische systeem.

Voorts heeft de verdediging verzocht rekening te houden met haar hoge leeftijd en haar broze gezondheid. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou daarom buitenproportioneel zijn. Verzocht wordt eventueel een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.

7.3

Oordeel van het hof

Bij de beslissing over de straf die aan [verdachte] moet worden opgelegd heeft het hof zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van [verdachte], zoals van een en ander is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Voorts heeft het hof acht geslagen op het uittreksel uit het justitieel documentatieregister

d.d. 4 november 2014, waaruit blijkt dat [verdachte] niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.

In het bijzonder heeft het hof het volgende in aanmerking genomen.

[verdachte] heeft in haar hoedanigheid van hulpverlener haar patiënte, [slachtoffer], waarvan zij moest vermoeden dat zij aan borstkanker leed, wegens articaïnebeschadiging uitsluitend niet-reguliere therapie en medicatie met een ontbrekende dan wel onbewezen effectiviteit aangeboden. Vanuit haar gedachtengoed ten aanzien van articaïnebeschadiging en daarop gebaseerde stralingsvrije therapie heeft [verdachte] [slachtoffer] actief ziekenhuisbezoek ontraden. In de wetenschap dat [slachtoffer] vermoedelijk aan borstkanker leed heeft [verdachte] onvoldoende onderscheid gemaakt tussen reguliere en niet-reguliere behandelingen door [slachtoffer] onjuist dan wel onvoldoende te informeren over de mogelijke gevaren voor haar gezondheid van het uit- of afstellen van een of meer reguliere behandelwijzen. Evenmin heeft zij contact gezocht met reguliere zorgverleners dan wel de aanwezigheid van zorgverleners aangegrepen om hen te informeren over de risico’s van de door haar aan [slachtoffer] gegeven adviezen voor de behandeling van borstkanker.

[verdachte] heeft derhalve haar zorgplicht als hulpverlener op zeer ernstige wijze geschonden. Gevolg van haar handelen is dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen in die zin dat zij jarenlang niet adequaat is onderzocht en behandeld voor de verdere doorgroei en uitzaaiing van een kankergezwel. Het uitblijven van reguliere medische zorg als gevolg van het handelen van [verdachte] heeft geleid tot een verergering van het ziektebeeld van [slachtoffer], een afname van de levensverwachting en een toename van pijnklachten.

Het hof heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op de straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. In dat licht acht het hof de eis van de advocaat-generaal bepaald te hoog. Het hof zal bovendien tot een aanzienlijk lagere straf komen aangezien de eis is gebaseerd op het primair ten laste gelegde, terwijl het hof tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde komt.

Het hof zal volstaan met het opleggen van een geheel voorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur. Het heeft daarbij ook gelet op de gevorderde leeftijd van de verdachte. Het hof heeft voorts meegewogen dat een dergelijke straf [verdachte] er van zal weerhouden patiënten in de toekomst af te raden dan wel niet aan te raden gebruik te maken van het reguliere medische systeem. Het hof acht het in dit verband van belang dat [verdachte] thans ook zelf lijkt in te zien dat hierover geen misverstand moet bestaan blijkens de verklaring die zij haar patiënten bij aanvang van haar behandeling laat tekenen.

Met betrekking tot de door de advocaat-generaal gevorderde bijzondere voorwaarde overweegt het hof het volgende. In de onderhavige zaak heeft [verdachte] grote fouten gemaakt en haar zorgplicht ernstig geschonden. Echter zij is reeds gedurende vijfentwintig jaren werkzaam als natuurgeneeskundige en heeft kennelijk altijd zonder problemen gefunctioneerd. Van klachten bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg is niet gebleken. Het gevaar voor herhaling lijkt dan ook gering en het voert gelet daarop te ver als bijzondere voorwaarde aan de straf te verbinden dat [verdachte] gedurende de proeftijd geen handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg mag verrichten, omdat dit er feitelijk op neer zou komen dat [verdachte] haar praktijk niet meer zou kunnen uitoefenen. Daarom ziet het hof geen aanleiding om de door de advocaat-generaal gevorderde bijzondere voorwaarde op te leggen.

Gelet op het geringe recidivegevaar acht het hof het niet mogelijk een proeftijd van langere duur dan de gebruikelijke duur van twee jaren op te leggen, nu op het onderhavige feit de artikelen 14b en 14c Sr zoals deze destijds golden van toepassing zijn en daarin alleen is voorzien in een proeftijd van langere duur dan twee jaren, indien er ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Met een proeftijd van twee jaren zal dan ook worden volstaan.

Alles afwegende acht het hof na te melden straf passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 308 en 309 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof [M], waarin zitting hadden mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, mr. F.A. Hartsuiker en mr. C.N. Dalebout, in tegenwoordigheid van mr. M. Boelens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 december 2014.

1 De door het hof in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Een schriftelijk bescheid zijnde de door verdachte [verdachte] gegeven schriftelijke antwoorden op vragen van de officier van justitie (los opgenomen in het dossier). Verklaring van [verdachte] ter terechtzitting van 29 mei 2013 (pagina 12, 13) en de ter terechtzitting in hoger beroep van 14 november 2014 door [verdachte] overgelegde verklaring. Proces-verbaal van verhoor van de getuige [dochter van het slachtoffer] d.d. 25 augustus 2011 (dossierpagina 117)

3 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [echtgenoot van het slachtoffer] d.d. 4 augustus 2011 (dossierpagina 11 boven), proces-verbaal van verhoor van de getuige [echtgenoot van het slachtoffer] d.d. 18 augustus 2011 (dossierpagina 48 boven en 81 onder – 82 boven) en proces-verbaal van verhoor van de getuige [C] d.d. 2 april 2012 (dossierpagina 420).

4 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [moeder van het slachtoffer] d.d. 28 juli 2011 (dossierpagina 104).

5 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] d.d. 22 november 2011 (dossierpagina 208 – 210 boven).

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 oktober 2011 (dossierpagina 201).

7 Een schriftelijk bescheid zijnde een brief van [medeverdachte] aan arbo-arts E. Ehrlich d.d. 19 november 2003 (dossierpagina 266), proces-verbaal met betrekking tot het medisch dossier van [medeverdachte] terzake van [slachtoffer] (dossierpagina 251 en 252) en groene kaarten als bijlage gevoegd bij voormeld dossier (dossierpagina 264).

8 Proces-verbaal van horen aangever [echtgenoot van het slachtoffer] d.d. 4 augustus 2011 (dossierpagina 11 onder)

9 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [echtgenoot van het slachtoffer] d.d. 4 augustus 2011 (dossierpagina 11).

10 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [echtgenoot van het slachtoffer] d.d. 4 augustus 2011 (dossierpagina 11-12).

11 Een schriftelijk bescheid zijnde een brief van het MRI-centrum Amsterdam aan verdachte d.d. 6 februari 2006 (dossierpagina 267).

12 Proces-verbaal van verhoor getuige [C] d.d. 2 april 2012 (dossierpagina 420).

13 Een schriftelijk bescheid zijnde de door [verdachte] gegeven schriftelijke antwoorden op vragen van de officier van justitie (los opgenomen in het dossier).

14 Een schriftelijk bescheid zijnde de door [verdachte] gegeven schriftelijke antwoorden op vragen van de officier van justitie (los opgenomen in het dossier).

15 Verklaring van [verdachte] ter terechtzitting afgelegd d.d. 29 mei 2013.

16 Een schriftelijk bescheid zijnde informatie betreffende de [naam verdachte] Stichting (dossierpagina 22 – 24).

17 Een schriftelijk bescheid zijnde de door [verdachte] gegeven schriftelijke antwoorden op vragen van de officier van justitie (los opgenomen in het dossier).

18 Proces-verbaal van horen aangever [echtgenoot van het slachtoffer] d.d. 4 augustus 2011, met bijlage 2, zijnde een gespreksverslag tussen [verdachte] en [slachtoffer] d.d. 20 januari 2006, 9 en 13 februari 2006, alsmede een lijst met voedseladviezen gebaseerd op het zo min mogelijk binnen krijgen van zware chemicaliën (ongedateerd) (dossierpagina 18 – 21).

19 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [dochter van het slachtoffer] d.d. 25 augustus 2011 (dossierpagina 117-118). Proces-verbaal van verhoor van de getuige [echtgenoot van het slachtoffer] d.d. 18 augustus 2011 (dossierpagina 49).

20 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [echtgenoot van het slachtoffer] afgelegd tegenover de rechter-commissaris d.d. 17 december 2012 (pagina 6-7).

21 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [echtgenoot van het slachtoffer] d.d. 18 augustus 2011 (dossierpagina 49. 77 onder -78 ).

22 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [zoon van slachtoffer] afgelegd tegenover de rechter-commissaris d.d. 13 december 2012 (pagina 2).

23 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [F] d.d. 8 augustus 2011 (dossierpagina 165 onder), proces-verbaal van verhoor van de getuige [zoon van het slachtoffer] afgelegd tegenover de rechter-commissaris d.d. 13 december 2012 (pagina 2) en proces-verbaal van inbeslagneming van 16 augustus 2011, (dossierpagina 190 en 192).

24 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [echtgenoot van het slachtoffer] d.d. 18 augustus 2011 (dossierpagina 52 boven).

25 Verklaring van [verdachte] ter terechtzitting afgelegd d.d. 29 mei 2013 (pagina 6,7).

26 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [dochter van het slachtoffer] d.d. 25 augustus 2011 (dossierpagina 118) en proces-verbaal van verhoor van de getuige [G] d.d. 22 augustus 2011 (pagina 156 en 161).

27 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [dochter van het slachtoffer] d.d. 25 augustus 2011 (dossierpagina 118 ) en proces-verbaal van verhoor van de getuige [dochter van het slachtoffer] tegenover de rechter-commissaris d.d. 17 december 2012 (pagina 3).

28 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [dochter van het slachtoffer] d.d. 25 augustus 2011 (dossierpagina 119 onder).

29 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [dochter van het slachtoffer] afgelegd tegenover de rechter-commissaris d.d. 17 december 2012 (pagina 2).

30 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [echtgenoot van het slachtoffer] d.d. 18 augustus 2011 (dossierpagina 56-57). Verklaring van [verdachte] ter terechtzitting in hoger beroep van 14 november 2014.

31 Proces-verbaal van horen aangever [echtgenoot van het slachtoffer] d.d. 4 augustus 2011 (dossierpagina 12 midden).

32 Een schriftelijk bescheid zijnde de melding van huisarts Troost bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg (dossierpagina 8), een schriftelijk bescheid van VvAA zijnde een aanvulling op de melding van huisarts Troost bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg d.d. 14 september 2011 (dossierpagina 128) en een schriftelijk bescheid zijnde een verwijzing door huisarts Troost van [slachtoffer] naar het Kennemer Gasthuis voor nader onderzoek d.d. 2 januari 2007, dossierpagina 367 – 368).

33 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [echtgenoot van het slachtoffer] d.d. 18 augustus 2011 (dossierpagina 49 2e alinea) en een schriftelijk bescheid zijnde een verslag van dr. R. Silvis van de mammapoli van het Kennemer Gasthuis d.d. 4 januari 2007 (dossierpagina 369).

34 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [echtgenoot van het slachtoffer] d.d. 18 augustus 2011 (dossierpagina 49 midden) en proces-verbaal van verhoor van de getuige [echtgenoot van het slachtoffer] tegenover de rechter-commissaris d.d. 17 december 2012 (pagina 3).

35 Een schriftelijk bescheid zijnde het medisch dossier van het Kennemer Gasthuis te Haarlem terzake van [slachtoffer], betrekking hebbend op de contacten in 2007, dossierpagina 361. Verklaring getuige [echtgenoot van het slachtoffer] afgelegd tegenover de rechter-commissaris d.d. 17 december 2012, pagina

36 Een schriftelijk bescheid zijnde het medisch dossier van het Kennemer Gasthuis te Haarlem terzake van [slachtoffer], betrekking hebbend op de contacten in 2007 (dossierpagina’s 361-362), een schriftelijk bescheid zijnde een poliklinisch bericht van het Kennemer Gasthuis aan huisarts Kruthoffer d.d. 18 januari 2007 (dossierpagina 372 – 373) en een schriftelijk bescheid van VvAA zijnde een aanvulling op de melding van huisarts Troost bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg d.d. 14 september 2011 (dossierpagina 128).

37 Proces-verbaal van verhoor van de getuige N.A.A. Troost e/v Sluis afgelegd tegenover de rechter-commissaris d.d. 14 januari 2013 (pagina 2) en een schriftelijk bescheid van VvAA zijnde een aanvulling op de melding van huisarts Troost bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg d.d. 14 september 2011 (dossierpagina 129).

38 Verklaring van [verdachte] afgelegd ter terechtzitting d.d. 29 mei 2013, (pagina 12).

39 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [echtgenoot van het slachtoffer] d.d. 18 augustus 2011 (dossierpagina 59 boven) en proces-verbaal van verhoor van de getuige [echtgenoot van het slachtoffer] afgelegd tegenover de rechter-commissaris d.d. 17 december 2012 (pagina 7).

40 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [echtgenoot van het slachtoffer] tegenover de rechter-commissaris d.d. 17 december 2012 (pagina 5). Proces-verbaal van horen aangever [echtgenoot van het slachtoffer] d.d. 4 augustus 2011 (dossierpagina 12).

41 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [zoon van het slachtoffer] tegenover de rechter-commissaris d.d. 13 december 2012 (pagina 3).

42 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [echtgenoot van het slachtoffer] d.d. 18 augustus 2011 (dossierpagina 75 onder).

43 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [echtgenoot van het slachtoffer] tegenover de rechter-commissaris d.d. 17 december 2012 (pagina’s 7 en 8) .

44 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [dochter van het slachtoffer] d.d. 25 augustus 2011 (dossierpagina 121 boven) en proces-verbaal van verhoor van de getuige [dochter van het slachtoffer] tegenover de rechter-commissaris d.d. 17 december 2012 (pagina 2).

45 Proces-verbaal van verhoor van de getuige N.N.A. Troost e/v Sluis tegenover de rechter-commissaris d.d. 14 januari 2013 (pagina 4) en proces-verbaal van verhoor van de getuige [dochter van het slachtoffer] d.d. 25 augustus 2011 (dossierpagina 121 boven).

46 Een schriftelijk bescheid zijnde de door verdachte gegeven schriftelijke antwoorden op vragen van de officier van justitie (los opgenomen in het dossier).

47 Proces-verbaal d.d. 31 augustus 2011 letterlijke tekst brief [verdachte] aan [echtgenoot van slachtoffer] d.d. 22 maart 2011 (dossierpagina 183-185).

48 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [echtgenoot van het slachtoffer] tegenover de rechter-commissaris d.d. 17 december 2012 (pagina 3) en proces-verbaal van verhoor van de getuige [dochter van het slachtoffer] d.d. 25 augustus 2011 (dossierpagina 120).

49 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [dochter van het slachtoffer] d.d. 25 augustus 2011 (dossierpagina 120 en 121 boven).

50 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [dochter van het slachtoffer] tegenover de rechter-commissaris d.d. 17 december 2012 (pagina 3).

51 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [H]tegenover de rechter-commissaris d.d. 10 januari 2013 (pagina 2).

52 Een schriftelijk bescheid van VvAA zijnde een aanvulling op de melding van huisarts Troost bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg d.d. 14 september 2011 (dossierpagina 128 en 130), een schriftelijk bescheid (mailbericht van huisarts Troost aan de Inspectie voor de GezondheidsZorg) zijnde bijlage 2 bij het proces-verbaal van horen aangever mr. M.E.W.H. Joosten d.d. 23 juni 2012 (dossierpagina 008/009) en een proces-verbaal van verhoor van de getuige [echtgenoot van het slachtoffer] tegenover de rechter-commissaris d.d. 17 december 2012 (pagina 3 en 5).

53 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [echtgenoot van het slachtoffer] d.d. 18 augustus 2011 (dossierpagina 69) en proces-verbaal van verhoor van de getuige [echtgenoot van het slachtoffer] tegenover de rechter-commissaris d.d. 17 december 2012 (pagina 5).

54 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [dochter van het slachtoffer] tegenover de rechter-commissaris d.d. 17 december 2012 (pagina 3).

55 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [B] d.d. 17 augustus 2011 (dossierpagina 145 onderaan/146 bovenaan).

56 Een schriftelijk bescheid zijnde de door verdachte gegeven schriftelijke antwoorden op vragen van de officier van justitie (los opgenomen in het dossier). Verklaring van [verdachte] afgelegd ter terechtzitting d.d. 29 mei 2013, (pagina 7).

57 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [echtgenoot van het slachtoffer] tegenover de rechter-commissaris d.d. 17 december 2012 (pagina 7 midden).

58 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [echtgenoot van het slachtoffer] tegenover de rechter-commissaris d.d. 17 december 2012 (pagina 3).

59 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [moeder van het slachtoffer] tegenover de rechter-commissaris d.d. 11 december 2012 (pagina 4).

60 Proces-verbaal van horen aangever mr. M.E.W.H. Joosten d.d. 23 juni 2012 met bijlage 2, een bescheid zijnde het mailbericht van huisarts Troost aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg (dossierpagina 008/009), proces-verbaal schriftelijke reactie op vragen door huisarts N. Troost d.d. 28 september 2011 met bijlage de antwoorden van huisarts troost zijnde een aanvulling op de melding van huisarts Troost bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg d.d. 14 september 2011 (dossierpagina 131) alsmede het proces-verbaal van verhoor van getuige N.A. Troost tegenover de rechter-commissaris d.d. 14 januari 2013 (pagina 2).

61 Proces-verbaal van verhoor van de getuige N.A.A. Troost e/v Sluis tegenover de rechter-commissaris d.d. 14 januari 2013 (pagina 3).

62 Verklaring van [verdachte] afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d.14 november 2014 (dossierpagina 5).

63 Proces-verbaal van horen aangever mr. M.E.W.H. Joosten d.d. 23 juni 2012 met bijlage 2, een bescheid zijnde het mailbericht van huisarts Troost aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg (dossierpagina 008/009), proces-verbaal schriftelijke reactie op vragen door huisarts N. Troost d.d. 28 september 2011 met bijlage de antwoorden van huisarts troost zijnde een aanvulling op de melding van huisarts Troost bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg d.d. 14 september 2011 (dossierpagina 131) alsmede het proces-verbaal van verhoor van getuige N.A. Troost tegenover de rechter-commissaris d.d. 14 januari 2013 (pagina 2).

64 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [echtgenoot van het slachtoffer] d.d. 18 augustus 2011 (dossierpagina 69) en proces-verbaal van verhoor van de getuige [echtgenoot van het slachtoffer] afgelegd tegenover de rechter-commissaris d.d. 17 december 2012 (pagina 5).

65 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [echtgenoot van het slachtoffer] afgelegd tegenover de rechter-commissaris d.d. 17 december 2012 (pagina 3 onder en pagina 5 boven).

66 Proces-verbaal van verhoor van de getuige N.A.A. Troost afgelegd tegenover de rechter-commissaris d.d. 14 januari 2013 (pagina 3).

67 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [moeder van het slachtoffer] d.d. 28 juli 2011 (dossierpagina 106 onder) en proces-verbaal van verhoor van de getuige [dochter van het slachtoffer] d.d. 25 augustus 2011 (dossierpagina 118).

68 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [G] tegenover de rechter-commissaris op 11 december 2012 (pagina 2 midden).

69 Verklaring van [medeverdachte] ter terechtzitting d.d. 29 mei 2013, pagina 9, proces-verbaal van horen aangever mr. M.E.W.H. Joosten d.d. 4 augustus 2012 met bijlage 1, een bescheid zijnde de melding van de zorgaanbieder aan de IGZ d.d. 22 maart 2012 (pagina 3 midden) en bijlage 6 zijnde een bescheid zijnde de intake van [slachtoffer] door Flexicura d.d.17 februari 2011 (dossierpagina 30 – 38).

70 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [F] d.d. 8 augustus 2011 (dossierpagina 167) en proces-verbaal van verhoor van de getuige [I] d.d. 23 augustus 2011 (dossierpagina 177).

71 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [F] d.d. 8 augustus 2011 (dossierpagina 165-166).

72 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [F] d.d. 8 augustus 2011 (dossierpagina 166).

73 Schriftelijke bescheiden zijnde e-mailbericht inhoudende aantekeningen van thuiszorgmedewerker [F] (dossierpagina 171).

74 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [I] d.d. 23 augustus 2011 (dossierpagina 177 tweede alinea, 179 tweede en vierde alinea).

75 Schriftelijke bescheiden zijnde e-mailbericht inhoudende aantekeningen van thuiszorgmedewerker [F] (dossierpagina 171).

76 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [F] d.d. 8 augustus 2011 (dossierpagina 167) en proces-verbaal van verhoor van de getuige [I] d.d. 23 augustus 2011 (dossierpagina 177).

77 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [G] d.d. 22 augustus 2011 (dossierpagina 156 en 160 boven).

78 Een schriftelijk bescheid zijnde de door verdachte gegeven schriftelijke antwoorden op vragen van de officier van justitie (los opgenomen in het dossier).

79 Een schriftelijk bescheid zijnde de melding van huisarts Troost bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg (dossierpagina 9).

80 Proces-verbaal van verhoor van de getuige T. Kraal afgelegd tegenover de rechter-commissaris d.d. 3 april 2013 (pagina 2).

81 Proces-verbaal van verhoor van de getuige G.A. Visser afgelegd tegenover de rechter-commissaris d.d. 3 april 2013 (pagina 2,3 en 4).

82 Proces-verbaal van verhoor van de getuige M.I. Grootscholten d.d. 22 augustus 2011 (dossierpagina 135-136).

83 Proces-verbaal van verhoor van de getuige M.I. Grootscholten afgelegd tegenover de rechter-commissaris d.d. 14 januari 2013 (pagina 3- 4).

84 Proces-verbaal van verhoor van de getuige M.I. Grootscholten d.d. 22 augustus 2011 (dossierpagina 137-138).

85 Een schriftelijk bescheid zijnde een kopie van een overlijdensakte (dossierpagina 1).

86 Een schriftelijk bescheid zijnde een schrijven van dr. M.I. Grootscholten zoals dit zich in het medisch dossier van [slachtoffer] bevond (dossierpagina 345).

87 Proces-verbaal letterlijke tekst brief [voornaam verdachte] [verdachte] aan [echtgenoot van het slachtoffer] d.d. 31 augustus 2011 met als bijlage 5 de handgeschreven tekst d.d. 22 maart 2011 (dossierpagina 183-185).

88 De schriftelijke verklaring van een deskundige, te weten het rapport d.d. 21 december 2012 van prof. dr. E. Boven (NFI deskundige Medisch Oncoloog).

89 Proces-verbaal verklaring stralingsdeskundige P. Stoop d.d. 22 december 2011 (dossierpagina 243 en 245-248).

90 Proces-verbaal uitslag RIVM d.d. 1 december 2011 (dossierpagina 231-232).

91 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [moeder van het slachtoffer] tegenover de rechter-commissaris d.d. 11 december 2012 (pagina 2 en 4).

92 Proces-verbaal van horen aangever [echtgenoot van het slachtoffer] d.d. 4 augustus 2011 (dossierpagina 11).

93 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [echtgenoot van het slachtoffer] tegenover de rechter-commissaris d.d. 17 december 2012 (pagina 3).

94 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [moeder van het slachtoffer] d.d. 28 juli 2011 (dossierpagina 104 boven).

95 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [echtgenoot van het slachtoffer] tegenover de rechter-commissaris d.d. 17 december 2012 (pagina 4).

96 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [G] tegenover de rechter-commissaris d.d. 11 december 2012 (pagina 3).

97 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [H]tegenover de rechter-commissaris d.d. 10 januari 2013 (pagina 2).