Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:5211

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-10-2014
Datum publicatie
25-03-2015
Zaaknummer
200.149.259/01
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtsmacht Nederlandse rechter, hoofdverblijfplaats, vervangende toestemming voor verhuizing naar het buitenland.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 7 oktober 2014

Zaaknummer: 200.149.259/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/545836 FA RK 13/5125 (AW/JP)

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellant,

advocaat: mr. G.Th. Offreins te Amsterdam,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.C. Carli-Lodder te 's-Gravenhage.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 19 mei 2014 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 26 februari 2014 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/545836 FA RK 13/5125 (AW/JP).

1.3.

De vrouw heeft op 16 juli 2014 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De man heeft op 2 juli 2014 en 31 juli 2014 nadere stukken ingediend.

1.5.

De vrouw heeft op 24 juli 2014 nadere stukken ingediend.

1.6.

Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam (hierna: BJAA) heeft op 15 juli 2014 een stuk ingediend.

1.7.

De zaak is op 4 augustus 2014 ter terechtzitting behandeld.

1.8.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de advocaat van de vrouw;

- mevrouw […], vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming regio Amsterdam, locatie Amsterdam (hierna: de Raad);

- BJAA, vertegenwoordigd door de gezinsvoogd.

1.9.

D vrouw is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 2011 gehuwd te Jamaica. Hun huwelijk is op 11 juli 2014 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 26 februari 2014 in de registers van de burgerlijke stand. Uit de relatie voorafgaand aan hun huwelijk zijn geboren [kind a] en [kind b], beiden [in]2008 (hierna gezamenlijk: de kinderen). De kinderen verblijven sinds eind februari 2014 met de vrouw in Canada.

2.2.

Bij beschikking van 3 juli 2013 van de rechtbank Amsterdam in de voorlopige voorzieningenprocedure is, voor zover in hoger beroep van belang, bepaald dat de kinderen met onmiddellijke ingang aan de man zullen worden toevertrouwd.

2.3.

Bij vonnis van 8 juli 2013 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam is de vrouw verboden om vóór 15 augustus 2013 met de kinderen naar het buitenland te reizen, kort gezegd op straffe van een dwangsom van € 10.000,-. Voorts is de vrouw gelast de Canadese paspoorten van de kinderen tot 15 augustus 2013 in bewaring te geven bij een notaris binnen een week nadat de advocaat van [de man] haar schriftelijk heeft laten weten welke notaris daartoe wordt aangewezen, kort gezegd op straffe van een dwangsom van

€ 100,- voor iedere dag dat zij niet aan deze veroordeling voldoet.

2.4.

Bij vonnis van 24 juli 2013 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam is, voor zover in hoger beroep van belang, het verzoek van de vrouw, om de tenuitvoerlegging van de last de Canadese paspoorten van de kinderen tot 15 augustus 2013 in bewaring te geven bij een notaris te schorsen, geweigerd. Voorts is de vrouw verboden vóór dinsdag 15 juli 2014 met de kinderen naar het buitenland te reizen, tenzij partijen anders overeenkomen danwel een andere rechter anders beslist, kort gezegd op straffe van een dwangsom van

€ 10.000,- voor iedere keer dat zij niet aan dit verbod voldoet. Ten slotte is de vrouw veroordeeld alle handelingen te verrichten die noodzakelijk zijn om de zich thans bij de Canadese ambassade bevindende Canadese paspoorten van de kinderen binnen 3 werkdagen na betekening van dit vonnis bij notaris Gramser te Amsterdam af te geven, en is bepaald dat alle kosten voor de in bewaringstelling van de Canadese paspoorten bij notaris Gramser voor rekening van de vrouw komen.

2.5.

Bij beschikking van 30 oktober 2013 van de rechtbank Amsterdam in de voorlopige voorzieningenprocedure is een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders bepaald waarbij de vrouw de kinderen de ene week van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 19.00 uur en de andere week van donderdagmiddag uit school tot zaterdagmiddag 17.00 uur bij zich heeft.

2.6.

Bij arrest van 28 januari 2014 van dit hof zijn, voor zover in hoger beroep van belang, de vonnissen van 8 juli 2013 en 24 juli 2013, waartegen de vrouw hoger beroep had ingesteld, bekrachtigd. Dit hof heeft onder meer overwogen dat het er vooralsnog van uit gaat dat de door de Vice-Consul te Toronto, Canada, als notaris opgemaakte akte van erkenning rechtsgeldig is.

2.7.

De Raad heeft in zijn rapport van 30 augustus 2013 verzocht de kinderen onder toezicht te stellen van BJAA voor de periode van een jaar.

Bij beschikking van 12 september 2013 zijn de kinderen onder toezicht gesteld. Blijkens een brief van de Raad aan BJAA van 28 mei 2014 zal de ondertoezichtstelling op 11 september 2014 aflopen.

2.8.

De vrouw heeft op 1 mei 2014 een procedure aanhangig gemaakt tegen de man bij het Superior Court of Justice Family Branch, in Oshawa (Canada), waarin zij het eenhoofdig gezag over de kinderen heeft verzocht. Op 25 augustus 2014 om 10.30 uur zal de eerste zitting plaatsvinden.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover in hoger beroep van belang, de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw vastgesteld, de vrouw toestemming verleend om met de kinderen naar Canada te verhuizen, en in het kader van een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld dat de man de kinderen elk jaar vier weken in de zomervakantie bij zich zal hebben waarbij de tickets het ene jaar door de vrouw en het andere jaar door de man zullen worden betaald, en voorts dat de kinderen om het jaar gedurende tien dagen in de kerstvakantie bij de man zullen zijn waarbij hij de kosten van de tickets van de kinderen zal betalen.

Deze beschikking is gegeven op (zelfstandig) verzoek van de vrouw.

De verzoeken van de man, te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem zal zijn, een onderzoek door de Raad te gelasten alvorens een beslissing wordt genomen over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling van de kinderen, en om een uitreisverbod voor de vrouw en de kinderen zolang nog geen onherroepelijke beslissing in de bodemprocedure is genomen over de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de zorgregeling, zijn afgewezen.

3.2.

De man verzoekt, naar het hof begrijpt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man te bepalen, te bepalen dat de kinderen onmiddellijk worden teruggeleid naar de man, de Raad opdracht te geven tot onderzoek naar de belangen van de kinderen in het kader van verdeling van opvoeding- en verzorgingstaken en vaststelling hoofdverblijfplaats van de kinderen, en het eenhoofdig gezag over de kinderen aan hem toe te wijzen.

3.3.

De vrouw verzoekt, naar het hof begrijpt, de man niet-ontvankelijk te verklaren althans zijn grieven af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

Rechtsmacht en ontvankelijkheid

4.1.

De vrouw heeft betoogd dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft omdat de kinderen thans in Canada wonen. Het hof overweegt dat Verordening (EG) Nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 (hierna: Brussel IIbis) van toepassing is, nu de kinderen ten tijde van de aanvang van de onderhavige procedure (in juli 2013) hun gewone verblijfplaats in een lidstaat (Nederland) hadden. Volgens artikel 8 Brussel IIbis is de Nederlandse rechter in dat geval bevoegd. Dat de vrouw met de kinderen eind februari 2014, kort nadat de bestreden beschikking is uitgesproken en derhalve gedurende de onderhavige procedure, naar Canada is gegaan, heeft geen invloed op de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Het hof is dus bevoegd van de zaak kennis te nemen.

4.2.

De man heeft in hoger beroep onder meer verzocht het eenhoofdig gezag over de kinderen aan hem toe te wijzen. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd en primair betoogd dat zij reeds een procedure over het gezag in Canada aanhangig heeft gemaakt, zodat de Nederlandse rechter onbevoegd is. Zij heeft stukken overgelegd van de door haar op 1 mei 2014 in Canada aanhangig gemaakte procedure. Het hof overweegt dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 12 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering de behandeling van de zaak in dit geval kan aanhouden tot de Canadese rechter heeft beslist, nu de procedure in Canada op 1 mei 2014 aanhangig is gemaakt en het verzoek om eenhoofdig gezag in Nederland eerst op 19 mei 2014 is gedaan. Het hof heeft op laatstgenoemde datum immers het hoger beroepschrift van de man ontvangen, waarin voor het eerst een verzoek met betrekking tot het gezag is opgenomen. Ter voorkoming van mogelijk tegenstrijdige uitspraken, zal het hof dan ook de behandeling van het verzoek van de man ten aanzien van het gezag over de kinderen aanhouden tot de Canadese rechter daarover zal hebben beslist.

4.3.

Voor zover de vrouw heeft betoogd dat geen sprake is van gezamenlijk gezag, nu de erkenning door de man niet rechtsgeldig is, verwijst het hof, bij gebrek aan enige door de vrouw gegeven onderbouwing waarom het oordeel van de rechtbank in deze onjuist zou zijn, naar hetgeen de rechtbank daarover in rechtsoverweging 6.5.1.1 tot en met 6.6.1 heeft overwogen en maakt deze overwegingen tot de zijne. Het hof overweegt bovendien dat de door de vrouw in Canada aanhangig gemaakte procedure om eenhoofdig gezag over de kinderen te verkrijgen, naar het oordeel van het hof een impliciete erkenning inhoudt van het thans tussen partijen bestaande gezamenlijke gezag. De man is dan ook ontvankelijk in zijn verzoeken ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de kinderen, hun verhuizing en het gezag.

Standpunten van partijen

4.4.

De man stelt dat de rechtbank, door de vrouw toestemming te verlenen om met de kinderen naar Canada te verhuizen, een verrassingsbeschikking heeft genomen en buiten de grenzen van het geschil is getreden, nu de vrouw niet specifiek verzocht heeft met de kinderen naar Canada te mogen vertrekken. De vrouw heeft dit verzoek bovendien verder niet onderbouwd. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw bepaald en de vrouw ten onrechte toestemming verleend om met de kinderen naar Canada te gaan. Er is slechts een summiere omgangsregeling vastgesteld waardoor geen sprake is van gelijkwaardig ouderschap, en de vrouw heeft geen argumenten aangevoerd waarom het in het belang van de kinderen is om direct naar Canada te vertrekken. De man heeft op dit moment slechts sporadisch telefonisch contact met de kinderen en er is geen zicht op hun huidige situatie. De rechtbank had alle omstandigheden van het geval in acht moeten nemen en alle belangen tegen elkaar dienen af te wegen, zoals de noodzaak om te verhuizen, de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid, de verdeling van de zorgtaken en de frequentie van het contact tussen de kinderen en de andere ouder na de verhuizing. De vrouw zou aanspraak kunnen maken op een verblijfstitel in Nederland op basis van artikel 8 EVRM, en daarna op een bijstandsuitkering en hulp bij het vinden van huisvesting. De gezondheid van de vrouw levert evenmin een noodzaak op om te verhuizen, nu gebleken is dat haar leukemie in (langdurige) remissie is en zij niet meer behandeld wordt, alleen nog gecontroleerd. De kinderen zijn bovendien geworteld in Nederland, zij gingen hier naar school, spreken Nederlands en hadden contact met de familie van de man. De rechtbank heeft ten onrechte het advies van de Raad ter zitting in eerste aanleg, om nader onderzoek te doen, niet gevolgd, en is volledig afgegaan op het standpunt van BJAA, aldus de man.

4.5.

De vrouw voert aan dat zij slechts met de kinderen naar Nederland was gekomen om de kinderen wat langer achtereen contact met de man te laten hebben, voordat zij in Canada naar school zouden moeten gaan. Het was nooit haar bedoeling om permanent in Nederland te blijven. De kinderen zijn in Canada geboren en hebben het grootste deel van hun leven daar gewoond. De man kwam regelmatig bij hen op bezoek voordat zij naar Nederland kwamen. Zij heeft in Canada een koopwoning en staat daar onder medisch toezicht in verband de gevolgen van de leukemie waaraan zij heeft geleden. Er is geen sprake van een verrassingsbeschikking van de rechtbank, nu zij in eerste aanleg heeft verzocht dat de kinderen haar woonplaats zouden volgen, ook als dat Canada zou zijn. In Nederland waren de kinderen onder toezicht gesteld, zij hadden last van de strijd tussen de ouders en dienden daar zo snel mogelijk uit gehaald te worden. De Raad had daarom geen tijd om nader onderzoek te doen, maar het onderzoek van BJAA volstaat. Het gaat thans goed met de kinderen, ze gaan naar school, waar zij goed presteren, en doen aan sport. Een nader onderzoek is derhalve niet nodig en levert alleen maar onrust op voor de kinderen. De rechtbank heeft bovendien een ruime zorgregeling vastgelegd, aldus de vrouw.

4.6.

De Raad heeft ter zitting aangeboden nader onderzoek te doen naar de vraag welke hoofdverblijfplaats het meest in het belang van de kinderen is. Thans heeft de Raad geen zicht op de situatie van de kinderen. De Raad maakt zich zorgen over het abrupte vertrek van de kinderen uit Nederland en het beperkte contact dat zij hebben met de man. Als de Raad opdracht zou krijgen om een onderzoek te doen, moet dit worden uitbesteed aan de betreffende instantie in Canada: de International Social Service (hierna: ISS). De ISS kan alleen onderzoek doen als de vrouw meewerkt. De Raad realiseert zich dat een dergelijk onderzoek veel onrust voor de kinderen met zich mee zou brengen, maar het is van belang dat zorgvuldig naar de belangen van de kinderen wordt gekeken, aldus de Raad.

Overwegingen van het hof

4.7.

In zijn verzoekschrift in eerste aanleg heeft de man onder randnummer 9. gesteld dat partijen niet in staat zijn gebleken om een ouderschapsplan op te stellen in verband met de wens van de vrouw om samen met de kinderen terug te keren naar Canada. De vrouw heeft in eerste aanleg verzocht te bepalen dat de kinderen hun vaste verblijfplaats zullen hebben bij haar en haar woonplaats zullen volgen, ook wanneer deze in Canada is gelegen. Naar het oordeel van het hof volgt hieruit dat vanaf het begin van de procedure het verlenen van toestemming aan de vrouw om met de kinderen naar Canada te mogen verhuizen onderwerp van geschil tussen partijen is geweest. De rechtbank is dan ook niet buiten de grenzen van het geschil getreden door aan de vrouw, met toepassing van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW), toestemming te verlenen om met de kinderen naar Canada te verhuizen. Dat de vrouw na het uitspreken van de bestreden beschikking hieraan - blijkbaar tot verrassing van de man - onmiddellijk uitvoering heeft gegeven maakt de beschikking als zodanig nog niet tot een ontoelaatbare verrassingsbeschikking. De eerste grief van de man slaagt derhalve niet.

4.8.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:253a BW dient de rechter in geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

4.9.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de relatie van partijen in 2005 in [plaatsnaam] is begonnen. Bij de vrouw is kort daarna acute leukemie vastgesteld en zij is in verband daarmee naar Canada teruggekeerd. De vrouw is van deze ziekte genezen, maar ondervindt nog wel gevolgen daarvan. Zo heeft zij als gevolg van de behandelingen een hartkwaal ontwikkeld waarvoor zij onder controle dient te blijven. De relatie tussen partijen is tijdens de ziekte in stand gebleven en toen de ziekte in remissie raakte, is de vrouw zwanger geraakt. De man woonde toen nog in [plaatsnaam]. Na de geboorte van de kinderen is de man een periode bij hen en de vrouw in Canada gebleven. Begin 2009 is hij teruggekeerd naar Nederland in verband met zijn werk. De man is druk doende geweest, en is dat naar hij ter zitting in hoger beroep heeft aangegeven nog altijd, om als fotograaf opdrachten via zijn Nederlandse netwerk te bemachtigen. De man verwacht zijn opdrachtgevers kwijt te raken indien hij naar Canada zou verhuizen. De man heeft ter zitting in hoger beroep verder verklaard dat hij de vrouw en de kinderen na zijn vertrek in 2009 en totdat de vrouw met de kinderen naar Nederland is gekomen regelmatig in Canada heeft bezocht en dan één, twee of drie weken bij hen verbleef. Partijen twisten over de vraag of zij voornemens waren zich samen blijvend in Nederland te vestigen en ook over de vraag of de vrouw al in de loop van 2011, zoals de man stelt, of eerst in de loop van 2012, zoals de vrouw stelt, naar Nederland is gekomen. Wat hier verder ook van zij, gedurende in ieder geval de eerste drie jaar van hun leven moet de vrouw, op grond van de hiervoor geschetste feiten, als hoofdverzorger van de kinderen worden beschouwd. Nadat de vrouw met de kinderen naar Nederland is gekomen hebben partijen tot in ieder geval medio 2013 een gezamenlijke huishouding gevoerd. Aangezien de man, zoals hij heeft gesteld, in Nederland slaagde in het verder uitbouwen van zijn carrière als fotograaf en de vrouw slechts marginale eigen werkzaamheden in Nederland wist op te starten, mag worden aangenomen dat de vrouw ook in Nederland de hoofdverzorger van de kinderen is gebleven tot medio 2013. De vrouw is op 12 juni 2013 met de kinderen naar Canada vertrokken. Naar zij stelt was dat met toestemming van de man. De man heeft echter een melding van kinderontvoering gedaan en de vrouw is toen met de kinderen op vliegveld Zaventem door de Belgische autoriteiten tegengehouden. De voorzieningenrechter heeft vervolgens bij beschikking van 3 juli 2013 de kinderen aan de man toevertrouwd en hem tevens het gebruik van de echtelijke woning toegekend. De vrouw had toen geen inkomen, geen vervangende woonruimte en nog geen verblijfstitel in Nederland en is in de daklozenopvang terecht gekomen. Sindsdien is er sprake van verdergaande escalatie én patstelling tussen partijen alsmede een groot wantrouwen jegens elkaar waarbij de vrouw de man er onder meer van beschuldigt de kinderen van haar te willen afpakken alsmede van huiselijk geweld en waarbij de man de vrouw als moeder diskwalificeert en haar beschrijft als psychiatrisch patiënt. Partijen zijn er niet in geslaagd om deze situatie te keren en BJAA geeft in het overgelegde plan van aanpak van 21 november 2013 aan zorgen te hebben over de voortdurende strijd tussen de ouders en de gedragsproblemen die met name [kind a] vertoont. Ter zitting in eerste aanleg, op 27 januari 2014, heeft BJAA daarom aan de rechtbank geadviseerd om de kinderen uit de strijd te halen.

4.10.

Aan het hof ligt ter beoordeling allereerst voor de vraag of de rechtbank de hoofdverblijfplaats van de kinderen terecht bij de vrouw heeft vastgesteld. Gelet op de hiervoor onder 4.9. geschetste feiten en omstandigheden komt het hof tot de conclusie dat, alhoewel ook de man een grote rol in het leven van de kinderen speelt, de kinderen het grootste deel van hun leven door de vrouw zijn verzorgd en opgevoed en dat zij beschouwd kan worden als primaire hechtingsfiguur. Daarbij heeft de man ter zitting in hoger beroep aangegeven dat hij niet betwist dat de vrouw goed voor de kinderen kan zorgen maar dat hij zich zorgen maakt over de door hem veronderstelde psychische problemen van de vrouw waar zij de kinderen naar zijn zeggen mee belast. Het hof overweegt dat niet is gebleken dat de vrouw niet in staat zou zijn om de kinderen adequaat te verzorgen en op te voeden. Van enige psychische problemen van de vrouw is evenmin gebleken, en de Canadese jeugdbescherming maakt zich, zoals hierna onder 4.12. wordt overwogen, naar aanleiding van door hen verricht onderzoek, geen zorgen. Alhoewel ook de man in staat moet worden geacht goed voor de kinderen te kunnen zorgen, is het hof van oordeel dat de rechtbank, gelet op de relatief grotere rol die de vrouw in het leven van de kinderen heeft gespeeld alsmede gelet op de uitzichtloze strijd waarin partijen terecht waren gekomen, terecht de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw heeft vastgesteld. Het hof zal de beschikking ten aanzien van de hoofdverblijfplaats daarom bekrachtigen.

4.11.

Vervolgens ziet het hof zich voor de vraag gesteld of de rechtbank de vrouw terecht vervangende toestemming om met de kinderen naar Canada te verhuizen heeft verleend. Het hof dient bij deze beoordeling de belangen van alle betrokkenen in aanmerking te nemen en tegen elkaar af te wegen. Het belang van de kinderen staat daarbij voorop en dient een overweging van de eerste orde te zijn. Dat neemt niet weg dat, afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Het gaat dan enerzijds om het belang van de vrouw om met de kinderen naar Canada te verhuizen en aldaar hun eerdere bestaan weer op te pakken, en anderzijds het belang van de man om betrokken te zijn bij de verzorging en opvoeding van de kinderen, regelmatig contact te hebben met de kinderen en de kinderen in zijn directe omgeving te zien opgroeien.

Vast staat dat de kinderen met beide ouders een goede band hebben en het in hun belang is dat deze band met beide ouders blijft gehandhaafd. Voorts is komen vast te staan dat de vrouw afkomstig is uit Canada, zij de Canadese nationaliteit heeft en dat haar familie en vrienden daar wonen en haar ondersteunen. Zij heeft een koophuis in Canada en zij is daar onder medische controle in verband met de gevolgen die zij ondervindt van de leukemie waaraan zij heeft geleden. In Nederland had en heeft de vrouw geen eigen woning, geen netwerk en zij beschikte en beschikt hier niet over eigen inkomsten. De stelling van de man, dat de vrouw aanspraak zou kunnen maken op een verblijfstitel in Nederland en daarna op een bijstandsuitkering en hulp bij het vinden van huisvesting, doet niet af aan het gegeven dat deze randvoorwaarden voor een stabiel leven voor de vrouw en een veilige opvoedomgeving voor de kinderen ten tijde van de bestreden beschikking niet waren gerealiseerd.

Het is het hof niet gebleken dat het belang van de kinderen zich ten tijde van de bestreden beschikking tegen een verhuizing naar Canada verzette. De kinderen zijn in Canada geboren en hebben de eerste jaren van hun leven in Canada gewoond. Voorts spreken zij de taal, hebben zij (mede) de Canadese nationaliteit en is de woning van de vrouw gelegen in een omgeving waar ook (een deel van) het netwerk van de vrouw woont. In de loop van de procedure in hoger beroep is gebleken is dat de kinderen inmiddels weer geruime tijd in Canada naar school gaan, daar nu ook naar zwemles gaan en dat [kind a] op voetbaltraining zit. Uit overgelegde rapporten komt naar voren dat de kinderen goed presteren op school. De gezinsvoogd heeft desgevraagd ter zitting in hoger beroep meegedeeld dat zij contact heeft gehad met de jeugdbescherming in Canada, die een onderzoek heeft gedaan naar de vrouw, de kinderen en hun netwerk. De Canadese jeugdbescherming maakt zich gezien de uitkomst van dat onderzoek geen zorgen over de kinderen. Hiermee is voldoende aannemelijk geworden dat de vrouw hun verblijf in Canada goed op orde heeft en dat de kinderen inmiddels (opnieuw) in Canada zijn geworteld. Tegenover de hiervoor geschetste concrete belangen van de vrouw en de kinderen staat het belang van de man om betrokken te zijn bij de verzorging en opvoeding, regelmatig omgang te hebben en de kinderen in zijn omgeving te zien opgroeien.

Het hof is van oordeel dat een zorgregeling, zoals deze in de bestreden beschikking is vastgesteld en die tussen partijen in hoger beroep niet in geschil is, een goede basis vormt om de band tussen de kinderen en hun vader te bestendigen. Bovendien kunnen de moderne communicatiemiddelen ingezet worden om ook tussentijds contacten tussen de man en de kinderen te realiseren, zodat hij ook langs die weg betrokken blijft bij hun opvoeding en hen ziet opgroeien. Voorts heeft het hof in zijn overwegingen betrokken dat uit de stukken in het dossier blijkt dat het voor de man in het verleden niet ongebruikelijk was om (ver) te reizen om de vrouw en (later) de kinderen te zien, ook in periodes dat de relatie tussen de man en de vrouw minder stabiel was. Naar het oordeel van het hof heeft de man onvoldoende onderbouwd waarom het thans niet meer mogelijk zou zijn om de kinderen in Canada op te zoeken. Gelet op het voorgaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat de belangen van de vrouw en de kinderen bij een (voortduring van hun) verblijf in Canada zwaarder wegen dan het belang van de man bij handhaving/herstel van het verblijf van de kinderen in Nederland. Het hof zal daarom de bestreden beschikking eveneens bekrachtigen ten aanzien van de verleende toestemming tot verhuizing.

4.12.

Gebleken is dat de man, nadat de kinderen en de vrouw in februari 2014 naar Canada zijn teruggekeerd, nauwelijks contact met hen heeft gehad. Aan de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling is geen uitvoering gegeven. Dit is in strijd met het belang van de kinderen om een goede band met hun vader te kunnen onderhouden, zoals dat ook hiervoor onder 4.12. is aangegeven. Naar het oordeel van het hof dient dit echter niet te leiden tot een door de rechter gedwongen teruggeleiding van de kinderen naar Nederland. De kinderen zijn in Nederland betrokken geweest bij een heftige strijd tussen de ouders; zo zijn zij in 2013 door de autoriteiten teruggevoerd van het vliegveld toen zij al op weg waren naar Canada, zijn vervolgens door de rechter aan hun vader toevertrouwd en zijn nu alweer ruim een half jaar geworteld in Canada in vervolg op opnieuw een rechterlijke beslissing. Een teruggeleiding naar Nederland zou onder deze omstandigheden van de kinderen in toenemende mate een speelbal maken in de tot op heden onoplosbaar gebleken conflicten tussen hun ouders, hetgeen niet in hun belang is.

Uitgangspunt blijft wel dat de kinderen recht hebben op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders. De verhuizing naar Canada mag er dan ook niet toe leiden dat de inhoud en de frequentie van het contact tussen de man en de kinderen niet in stand wordt gehouden. Het hof overweegt dan ook dat zowel de man als de vrouw gehouden zijn om zich in te spannen de vastgestelde zorgregeling na te komen en dat zij hulp en begeleiding inschakelen indien hun verstoorde onderlinge verhouding hen hierin belet.

4.13.

Het hof acht zich op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende voorgelicht om een beslissing te nemen en acht het met het oog op de beoordeling van de belangen van de kinderen niet noodzakelijk om de Raad opdracht te geven nader onderzoek te doen naar de vraag bij wie en in welk land (Canada of Nederland) de kinderen hun hoofdverblijf zouden moeten hebben. Het hof neemt hierbij de verkregen informatie van de gezinsvoogd, zoals hiervoor weergeven onder 4.11., in aanmerking en daarnaast overweegt het hof dat een onderzoek door de Raad vanuit Nederland naar deze vraag opnieuw onrust en onduidelijkheid voor de kinderen met zich mee zal brengen, terwijl zij al eerder in de zomer en het najaar van 2013 in grote onzekerheid hebben verkeerd of zij nu verder zullen opgroeien in Canada of Nederland. Nieuwe onzekerheid over deze vraag acht het hof niet in het belang van de kinderen. Ten slotte neemt het hof hierbij in aanmerking dat een onderzoek door de Raad slechts door tussenkomst van de ISS kan worden uitgevoerd en beperkingen kent wat betreft de uitvoering, onder meer vanwege de vereiste toestemming van de vrouw hiervoor. Het verzoek van de man om de Raad onderzoek te laten doen naar de belangen van de kinderen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken wijst het hof af. Voor zover de man heeft bedoeld om een onderzoek naar een vast te stellen zorgregeling te verzoeken voor het geval de kinderen alsnog hoofdverblijf bij hem zouden hebben, bestaat bij de beoordeling daarvan gelet op de door het hof over het hoofdverblijf genomen beslissing geen belang. Voor zover de man heeft beoogd om een onderzoek naar een vanuit Canada vorm te geven zorgregeling te laten verrichten stelt het hof vast dat de man geen grieven heeft gericht tegen de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling noch heeft aangegeven welke (andere) zorgregeling zou dienen te gelden of waar het onderzoek zich op zou moeten richten, zodat het hof niet toekomt aan een beoordeling van (de invulling van) een zorgregeling en daarover derhalve niet door de Raad behoeft te worden geadviseerd.

4.14.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

houdt de behandeling van het verzoek omtrent het eenhoofdig gezag pro forma aan tot de rechter in Canada daarover een beslissing zal hebben gegeven, in eerste instantie tot 22 februari 2015;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.G. Kemmers, mr. M.F.G.H. Beckers en mr. J.W. van Zaane in tegenwoordigheid van mr. D.M. Jansen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2014.