Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:5168

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-12-2014
Datum publicatie
15-01-2015
Zaaknummer
200.142.168-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Boedelbeschrijving. Wettelijke informatieplicht executeur. Rekening en verantwoording executeur.

Uitleg testament. Berekening legitimaire massa. Relevante kosten bij berekening van de legitimaire massa.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0017
RN 2015/24

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team III

zaaknummer : 200.142.168/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 1347634/HA EXPL 12-164

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 december 2014

inzake

[appellant sub 1] , wonende in [buitenland],

[appellant sub 2] , wonende te [woonplaats],

[appellant sub 3] , wonende te [woonplaats],
appellanten,

advocaat: mr. D.W.J. Leijs, te Hilversum,

tegen

[geïntimeerde] ,
in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van mevrouw
[X],

wonend [woonplaats], gemeente [gemeente],

geïntimeerde,

advocaat: mr. C.S.B.E. Reinders te Maastricht.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellanten] en [geïntimeerde] genoemd. [appellanten] worden ieder afzonderlijk met hun voornamen aangeduid.

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 19 november 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 21 augustus 2013, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellanten] als eisers en [geïntimeerde] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 16 oktober 2014 doen bepleiten, elk door hun advocaat, telkens aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Partijen hebben bij die gelegenheid nog inlichtingen verschaft.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellanten] hebben hun eis gewijzigd en geconcludeerd, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad – [geïntimeerde] alsnog zal veroordelen, kort samengevat, tot het afleggen van rekening en verantwoording als executeur in de nalatenschap van mevrouw [X] (verder ook moeder [geïntimeerde] te noemen) onder overlegging van stukken en wel binnen één maand na het te wijzen arrest, op straffe van verbeurte van een dwangsom. [appellanten] hebben bovendien een reeks vorderingen ingesteld die, naar het hof begrijpt, moeten leiden tot een andere berekening van hetgeen aan hen uit de nalatenschap van hun moeder toekomt. Ook hebben [appellanten] aan het hof verzocht een deskundige te benoemen, alles met beslissing over de proceskosten.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met
- uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten met inbegrip van nakosten en te vermeerderen met rente.

[geïntimeerde] heeft in hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1 (1.1 tot en met 1.6) de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1

Het gaat in dit geding in het kort om de volgende kwestie.

3.1.1

[appellanten] en [geïntimeerde] zijn de nog in leven zijnde kinderen van [X] en [geïntimeerde] (verder ook vader [geïntimeerde] te noemen).
Moeder en vader [geïntimeerde] zijn van echt gescheiden op 25 mei 1981.
Vader [geïntimeerde] is overleden op 25 november 1981.
Moeder [geïntimeerde] is overleden op 1 mei 2008.
Een zusje van [appellanten] en [geïntimeerde], [Y], is overleden in 1999. Zij was geestelijk gehandicapt en heeft tot haar dood bij haar moeder gewoond.

3.1.2

De huwelijksgoederengemeenschap die tussen vader en moeder [geïntimeerde] heeft bestaan, en de nalatenschap van vader [geïntimeerde] zijn verdeeld. De verdeling is neergelegd in een notariële akte die is verleden op 12 oktober 1984.
Over het beheer dat [geïntimeerde] als curator heeft gevoerd over het vermogen van [Y] en de afwikkeling van haar nalatenschap is geschil ontstaan tussen [appellanten] en [geïntimeerde]. Van [geïntimeerde] is verlangd rekening te doen van het door hem gevoerde beheer over de periode van 16 maart 1982 tot en met 27 december 1999. Daarover is bij vonnis van 3 december 2003 door de rechtbank Maastricht beslist.

3.1.3

Moeder [geïntimeerde] heeft voor het laatst over haar nalatenschap beschikt bij testament van 3 december 2001. Zij heeft daarbij bepaald dat [appellanten] ieder niet meer uit haar nalatenschap zouden ontvangen dan hun legitieme portie te berekenen ten tijde van haar overlijden. [geïntimeerde] heeft zij voor het overige tot haar enig erfgenaam benoemd. Bovendien heeft zij hem tot executeur-testamentair benoemd en hem het beheer over en de vereffening van haar nalatenschap toevertrouwd.

3.1.4

Goederen van moeder [geïntimeerde] zijn in het jaar 2004 of daaromtrent onder bewind gesteld. Tot bewindvoerder is benoemd de Stichting CAV.

3.1.5

[geïntimeerde] heeft zijn benoeming tot executeur-testamentair op 8 april 2009 aanvaard. Tussen [appellanten] en [geïntimeerde] is geschil ontstaan over de afwikkeling van de nalatenschap van hun moeder.
Op de voet van het bepaalde in artikel 672 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) heeft de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, locatie Hilversum, bij beschikking van 27 september 2011 op verzoek van [appellanten] een boedelbeschrijving bevolen door notaris [notaris] te [woonplaats].
Notaris [notaris] heeft een akte boedelbeschrijving en rekening en verantwoording opgemaakt. Op 12 december 2011 is de desbetreffende akte verleden. De legitimaire massa van de nalatenschap is door notaris [notaris] begroot op € 200.897,52. Het daarvan aan [appellanten] elk toekomende gedeelte heeft de notaris omschreven als “erfdeel 1/8ste c.q. legitieme portie” en vastgesteld op een bedrag groot € 25.112,19. [appellanten] kregen voordien de gelegenheid om te reageren op de conceptakte. De reacties van [appellanten] bij brieven van hun advocaat van 24 november 2011 en 9 december 2011 gaven de notaris geen aanleiding om wijziging te brengen in het concept.

3.1.6

[appellanten] hebben [geïntimeerde] vervolgens in rechte betrokken in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van hun moeder.
Hun vorderingen strekten ertoe dat [geïntimeerde] aan hen rekening en verantwoording zou afleggen als bedoeld in artikel 4:151 jo 161 Burgerlijk Wetboek (BW) alsmede dat [geïntimeerde] zou worden veroordeeld tot betaling aan hen van kostenvergoeding ten bedrage van € 14.288,37. Bij conclusie van repliek hebben [appellanten] uitgewerkt welke kwesties volgens hen onvoldoende opgehelderd zijn en hun vordering met het oog daarop uitgebreid.

3.1.7

De kantonrechter heeft de vorderingen in zijn vonnis waarvan beroep afgewezen.
De kantonrechter heeft in zijn vonnis tot uitgangspunt gekozen dat [appellanten] dienen te worden aangemerkt als erfgenamen alsmede dat op [geïntimeerde] jegens hen een inlichtingenplicht rustte gedurende de periode dat hij het beheer over de nalatenschap had.
Voor zover [appellanten] kanttekeningen bij de boedelbeschrijving hebben geplaatst, is de kantonrechter daaraan voorbijgegaan, nu zij aan die kanttekeningen geen conclusies hebben verbonden en evenmin op dit punt een vordering hebben geformuleerd.
De door [geïntimeerde] gedane rekening en verantwoording heeft de kantonrechter aanvaard. Hij heeft in dit verband overwogen dat de verplichting van [geïntimeerde] om rekening en verantwoording af te leggen niet onbegrensd is. Deze is, aldus de kantonrechter, onlosmakelijk verbonden met zijn hoedanigheid van executeur, zodat zij zich niet uitstrekt tot de door [geïntimeerde] in privé verrichte rechtshandelingen in een tijdvak waarin hij (nog) niet de hoedanigheid van executeur had, noch tot door (hem namens) erflaatster gedurende haar leven verrichte rechtshandelingen. Dat heeft de kantonrechter ertoe gebracht de klachten van [appellanten] die betrekking hebben op de financiële handel en wandel van [geïntimeerde] voorafgaand aan de periode dat hij als executeur heeft gefungeerd, voor de rekening en verantwoording irrelevant te achten. De declaratie van de notariskosten achtte de kantonrechter met kopieën van de facturen toereikend verantwoord.
Vervolgens heeft de kantonrechter geoordeeld dat het testament aldus moet worden uitgelegd dat op de door moeder [geïntimeerde] bedoelde berekening van de legitieme portie nieuw erfrecht dient te worden toegepast en dat deze aldus 2/16 deel bedraagt.
Tot slot heeft de kantonrechter het standpunt van [appellanten] verworpen dat inhoudt dat de kosten van de boedelnotaris, die van het opmaken van de verklaring van erfrecht en een belastingschuld bij de berekening van de legitimaire massa buiten beschouwing dienen te blijven.

3.2

[appellanten] zijn tegen deze beslissing en daaraan ten grondslag liggende oordelen met zeven grieven opgekomen. De grieven lenen zich gedeeltelijk voor gezamenlijke behandeling. Het hof zal de grieven bespreken in de volgorde die het geraden voorkomt. Er is, anders dan [geïntimeerde] heeft aangevoerd, onvoldoende grond om de grieven onbesproken te laten, omdat onvoldoende duidelijk zou zijn wat zij aan de orde willen stellen. Voor zover [appellanten] na de memorie van grieven nieuwe grieven aan de orde hebben gesteld, zal het hof deze buiten beschouwing laten.
Anders dan [geïntimeerde] leest het hof in de memorie van grieven niet dat [appellanten] de grondslag van hun eis in die zin hebben gewijzigd dat zij [geïntimeerde] niet meer alleen aanspreken in zijn hoedanigheid van executeur. Een dergelijke uitleg van de memorie van grieven ligt ook geenszins in de rede, omdat [appellanten] [geïntimeerde] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep hebben gedagvaard in zijn hoedanigheid van executeur. Voor het overige bevat de memorie van antwoord geen toereikende grond voor een geslaagd verzet tegen de wijzigingen die [appellanten] in hun eis hebben aangebracht.

3.3

De eerste grief stelt, naar het hof begrijpt uit de daarop gegeven toelichting, onder meer de vraag aan de orde of [appellanten] als erfgenamen dienen te worden beschouwd.
Mét de kantonrechter is het hof van oordeel dat het testament van moeder [geïntimeerde] blijkens zijn bewoordingen niet anders kan worden uitgelegd dan dat haar voor ogen stond dat [appellanten] erfgenaam zouden zijn, alsmede dat het gedeelte van haar nalatenschap dat aan elk van hen zou toevallen zou overeenkomen met de legitieme portie, welke legitieme portie diende te worden berekend met toepassing van het op de dag van haar overlijden geldende erfrecht.
Met juistheid heeft de kantonrechter dan ook geoordeeld dat bij de berekening van de omvang van de legitieme portie het naar nieuw erfrecht geldende breukdeel groot 2/16 heeft te gelden.
Een en ander betekent verder dat [appellanten] in hun hoedanigheid van erfgenamen [geïntimeerde] in zijn hoedanigheid van executeur mochten houden aan zijn wettelijke informatieplicht, zoals voorzien in artikel 4:148 BW alsmede rekening en verantwoording van hem mochten verlangen, toen zijn bevoegdheid tot beheer van de nalatenschap was geëindigd zoals voorzien in artikel 4:151 jo 4:161 BW.
Deze uitleg brengt bovendien mee dat het hof bij de berekening van de legitimaire massa aansluiting heeft te zoeken bij het bepaalde in de artikelen 4:65 en verder BW.

3.4

De kern van het betoog van [appellanten] wordt gevormd door hun standpunt dat binnen het bestek van de op [geïntimeerde] rustende informatieplicht en verplichting tot rekening en verantwoording plaats is voor onderzoek naar zijn financiële handel en wandel gedurende de periode die al (lang) voorbij was toen [geïntimeerde] de hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van moeder [geïntimeerde] verkreeg. Die vraag stellen de tweede en derde grief aan de orde.
Dit betoog van [appellanten] gaat gelet op de door [geïntimeerde] te vervullen wettelijke en testamentaire taak in zijn algemeenheid niet op.
Voor onderzoek van de door hen aangesneden kwesties is binnen genoemd bestek slechts plaats, als redelijkerwijs voor de hand ligt te veronderstellen dat het oordeel daarover invloed heeft op de boedelbeschrijving en dus op de berekening van de legitieme. Dat geldt in het bijzonder als op de voet van het bepaalde in de artikelen 4:65 en verder BW redelijkerwijze ermee rekening dient te worden gehouden dat [geïntimeerde] bij de berekening van de legitimaire massa ten onrechte goederen van de nalatenschap heeft overgeslagen, giften niet in aanmerking heeft genomen dan wel schulden in mindering gebracht.
Het ligt op de weg van [appellanten] toe te lichten waarom de door hen opgesomde kwesties relevant zijn voor de boedelbeschrijving en de berekening van de legitieme alsmede om die invloed te concretiseren. In dit opzicht zijn hun stellingen bepaald lacuneus. Terecht heeft de kantonrechter daarop gewezen in rechtsoverweging 3.1 van het vonnis waarvan beroep.

3.5

[appellanten] hebben negen thema’s genoemd die nader onderzoek zouden verdienen, omdat zij naar hun zeggen sterke aanwijzingen opleveren dat [geïntimeerde] een groot deel van het vermogen van moeder [geïntimeerde] heeft verduisterd dan wel naar zich toe getrokken, als volgt:

- ( a en c) Op 3 december 2001 is tussen moeder [geïntimeerde] en [geïntimeerde] een overeenkomst van geldlening aangegaan, waarbij [geïntimeerde] een bedrag groot € 200.000,- van zijn moeder heeft geleend. Moeder [geïntimeerde] ontving pas op 14 december 2001 een bedrag in euro’s groot € 238.908,50, de opbrengst van de verkoop van haar woning aan de [adres] in [woonplaats]. Dit zou betekenen dat moeder [geïntimeerde] op of omstreeks 3 december 2001 uit andere middelen aan [geïntimeerde] € 200.000,- heeft geleend.

- ( b) De rekening en verantwoording vermeldt een schenkingsbedrag groot € 133.866,-hetgeen bevreemding wekt, omdat de overgelegde “aangifte van het recht van schenking” lijkt uit te gaan van een schenkingsbedrag groot € 135.230,- .

- ( d) In 1987 heeft moeder [geïntimeerde] een aan haar toebehorende woning in [woonplaats] verkocht en geleverd aan [geïntimeerde]. De koopprijs bedroeg NLG 40.000,-. Dat bedrag heeft [geïntimeerde] vervolgens van zijn moeder geleend. Dat [geïntimeerde] die gelden ten behoeve van zijn moeder heeft aangewend en dat zij in 2000 heeft verklaard dat de schuld is afgelost, is ongeloofwaardig.

- ( e) In november 1983 is een schip met de naam [O] verkocht. Onduidelijk is wat er met de opbrengst van dat schip is gebeurd.

- ( f) In 1984 is een woonark die in eigendom toebehoorde aan vader [geïntimeerde] verkocht. Onduidelijk is wat met de opbrengst van de woonark is gebeurd.

- ( g) In augustus 1986 is een kavel grond in [woonplaats] dat in eigendom toebehoorde aan moeder [geïntimeerde], verkocht en geleverd. Onduidelijk is wat met de opbrengst van dat kavel is gebeurd.

- ( h) [geïntimeerde] was gehouden om ter zake van de nalatenschap van [Y] € 2.454,69 aan zijn moeder te betalen. Betalingsbewijs ontbreekt.

- ( i) Moeder [geïntimeerde] zou in 1984/1985 negen aandelen in [bedrijf] aan [geïntimeerde] hebben verkocht. De toedracht van deze transactie is onduidelijk. Onduidelijk is in het bijzonder of [geïntimeerde] eigenaar van de aandelen is geworden.

- ( j) Moeder [geïntimeerde] heeft tot medio juni 1982 gewoond in een groot vrijstaand huis aan [adres] in [woonplaats]. Een groot aantal in dat huis aanwezige goederen is verdwenen.

3.6

Ten aanzien van de opgesomde kwesties heeft het volgende te gelden.

- De kwestie onder (a en c) stelt, zo begrijpt het hof, aan de orde dat de opbrengst van de verkoop van de woning aan de [adres] in [woonplaats] in december 2001 op enigerlei wijze nog relevant is voor de vaststelling van de omvang van de legitimaire massa. Hetgeen [appellanten] aan dit standpunt ten grondslag hebben gelegd, is echter ontoereikend om de gevolgtrekking die zij bepleiten, te dragen. Het enkele feit dat [geïntimeerde] al op 3 december 2001 een overeenkomst van geldlening met moeder [geïntimeerde] heeft gesloten, rechtvaardigt niet de veronderstelling dat deze overeenkomst geen verband hield met de opbrengst van de woning. Contractuele verplichtingen kunnen immers worden aangegaan, alvorens deze kunnen worden uitgevoerd. Bovendien waren de verkoop en levering van de woning aanstaande, zodat het uit te lenen geldbedrag kort na de totstandkoming van de geldleningsovereenkomst zou vrij vallen. Dat de overeenkomst van geldlening is gesloten met het oog op de vrijval van de verkoopopbrengst van de woning, ligt zozeer voor de hand dat de stellingen van [appellanten] ontoereikend zijn om daarover anders te denken. Het hof gaat aan die stellingen voorbij. Ten overvloede is in dit verband vermeldenswaard dat het hier aan de orde zijnde bedrag groot € 200.000,- is betrokken bij de vaststelling van de legitimaire massa, gedeeltelijk als gift en gedeeltelijk als vordering uit geldlening van moeder [geïntimeerde] op [geïntimeerde].

- Kwestie (b), het verschil tussen het in de rekening en verantwoording vermelde schenkingsbedrag groot € 133.866,- en het in de “aangifte van het recht van schenking” genoemde schenkingsbedrag groot € 135.230,- is door [geïntimeerde] toegelicht. Hij heeft erop gewezen dat de fiscus de renteloosheid van de lening heeft gezien als bevoordeling en dus een fictieve rente erbij heeft opgeteld, waardoor verschil is ontstaan. In de stellingen van [appellanten] heeft het hof geen toereikende betwisting van deze toelichting aangetroffen. Het hof gaat daarom mét de kantonrechter aan dit betoog van [appellanten] voorbij.

- Kwestie (d), de verkoop in 1987 van de woning in [woonplaats] door moeder [geïntimeerde] aan [geïntimeerde] voor een bedrag van NLG 40.000,- en het uitlenen door moeder [geïntimeerde] aan [geïntimeerde] van de verkoopopbrengst van NLG 40.000,- op 8 februari 1987, zou, zo begrijpt het hof de stellingen van [appellanten], in twee opzichten relevant zijn voor de berekening van de legitimaire massa. [appellanten] zien daarin een bevoordeling van [geïntimeerde] die invloed dient te hebben op de berekening van de legitimaire massa, en zij betogen dat de geldlening nimmer is afgelost, zodat het vorderingsrecht van moeder [geïntimeerde] in de nalatenschap is gevallen.
De stellingen van [appellanten] zijn tegenover de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] ontoereikend om aan te nemen dat in deze transactie een voor de berekening van de legitimaire massa relevante gift schuil gaat. Aangaande de toenmalige waarde van het huis in verhuurde toestand bestaat te weinig houvast. Zonder toelichting, die ontbreekt, kan de hoedanigheid van gift in elk geval niet worden afgeleid uit de wens van moeder [geïntimeerde] om het huis terug te kopen.
De stelling dat de geldlening door [geïntimeerde] nog niet zou zijn afgelost, stuit af op de omstandigheid dat moeder [geïntimeerde] schriftelijke stukken heeft ondertekend waarin staat dat de aflossing in september 2000 heeft plaatsgehad. [appellanten] hebben aangevoerd dat aan deze stukken geen geloof moet worden gehecht maar zij hebben niet bestreden dat de handtekening van hun moeder daaronder telkens echt is. Dat betekent dat [geïntimeerde] aan deze stukken op grond van artikel 157 Rv dwingend bewijs voor de door hem gestelde aflossing kan ontlenen. Nu een relevant tegenbewijsaanbod ontbreekt, heeft het hof tot uitgangspunt te kiezen dat [geïntimeerde] de geldschuld aan zijn moeder groot NLG 40.000,- in september 2000 heeft afgelost.
De kwestie onder d heeft dus geen gevolgen voor de vaststelling van de legitimaire massa.

- In kwestie (e) betogen [appellanten] dat zij grond hebben voor de veronderstelling dat de opbrengst die in november 1983 zou zijn verkregen met de verkoop van een schip met de naam [O], aan [geïntimeerde] is toegevallen.
Als juist zou zijn dat de [O] indertijd in eigendom toebehoorde aan [bedrijf], dan is de opbrengst van het schip in elk geval zonder betekenis voor de berekening van de legitimaire massa. Voor het geval het schip in eigendom zou hebben toebehoord aan vader [geïntimeerde] heeft het volgende te gelden.
Partijen zijn het eens dat de [O] in 1983 is verkocht. Aan de enkele omstandigheid dat de [O] niet voorkomt in de verdelingsakte van 12 oktober 1984 kan dan ook niet worden ontleend dat [geïntimeerde] zich de opbrengst van het schip heeft toegeëigend. Wel is het zo dat mag worden aangenomen dat ten tijde van de verdeling van de nalatenschap van vader [geïntimeerde] en de huwelijksboedel van vader en moeder [geïntimeerde] de gang van zaken rond de verkoop van de [O], die toen nog maar kort geleden was, aandacht heeft gehad. Het ligt aldus geenszins voor de hand te veronderstellen dat de verkoopopbrengst van de [O] toentertijd buiten de verdeling zou zijn gebleven. Al hetgeen [appellanten] naar voren hebben gebracht over de [O], houdt onvoldoende in om daarover anders te denken. Dat [geïntimeerde] de verkoop tot stand heeft gebracht, betekent in het bijzonder niet zonder meer dat hem de opbrengst van het schip is toegevallen. Die stellingen zijn dan ook ontoereikend om verder onderzoek in rechte te verdienen.

- In kwestie (f) verlangen [appellanten] onderzoek naar de verkoopopbrengst van een woonark. Deze zou in eigendom hebben toebehoord aan vader [geïntimeerde] en in 1984 zijn verkocht. Onduidelijk is wat met de opbrengst van de woonark is gebeurd.
In deze kwestie zijn de stellingen te weinig concreet om aan te nemen dat deze relevantie hebben voor de omvang van de legitimaire massa. Het hof gaat daaraan voorbij.

- Kwestie (g) betreft de verkoopopbrengst van een kavel grond in [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats] sectie L nr. 286. Deze grond is op 12 oktober 1984 toegedeeld aan moeder [geïntimeerde] en op 4 augustus 1986 door deze verkocht en geleverd.
Voor de opbrengst van het perceel hebben [appellanten] verwezen naar een notariële verdelingsakte van 13 november 1989 waarin deze transactie als titel van aankomst is vermeld. [geïntimeerde] heeft daartegenover gesteld dat de opbrengst door de notaris is gestort op de rekening van moeder [geïntimeerde].
Het betoog van [appellanten] biedt tegenover de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] geen althans onvoldoende houvast voor de veronderstelling dat de door hen omschreven transactie betekenis heeft voor de berekening van de legitimaire massa. Daarbij tekent het hof nog aan dat de notariële akte waaraan [appellanten] steun willen ontlenen, geen inzicht geeft in de opbrengst van het omstreden perceel. Het hof gaat aan het betoog voorbij.

- In kwestie (h) gaat het over het ontbreken van bewijs van betaling door [geïntimeerde] aan moeder [geïntimeerde] van € 2.454,69. Moeder [geïntimeerde] had naar zeggen van [appellanten] jegens [geïntimeerde] aanspraak op dit bedrag ingevolge de beslissing van de rechtbank Maastricht van 3 december 2003 aangaande de nalatenschap van haar dochter [Y].
[geïntimeerde] heeft betwist dat betaling van het verschuldigde bedrag achterwege is gebleven en heeft zich erop beroepen dat de betaling contant is gebeurd alsmede dat zijn moeder dikwijls de voorkeur gaf aan contante betaling. Hij heeft erop gewezen dat zijn moeder zich nimmer erop heeft beroepen dat dit bedrag niet is betaald.
Dit verweer van [geïntimeerde] is door [appellanten] onvoldoende bestreden gelaten. Dat betekent dat het hof het ervoor moet houden dat [geïntimeerde] deze schuld aan zijn moeder heeft betaald en er geen vordering meer openstaat.
De kwestie beinvloedt de legitimaire massa dus niet.

- Kwestie (i) betreft de verkoop door moeder [geïntimeerde] in 1984/1985 van negen aandelen in [bedrijf] aan [geïntimeerde]. De toedracht van deze transactie is volgens [appellanten] onduidelijk.
Nu [appellanten] op pagina 19 van hun memorie van grieven tot uitgangspunt kiezen dat [geïntimeerde] eigenaar is geworden van de aandelen, heeft het hof zich in elk geval daardoor te laten leiden.
Onduidelijk is volgens [appellanten] wat de aandelen ten tijde van de verkoop waard waren, onder meer in verband met compensabele verliezen die waarde vertegenwoordigden. [geïntimeerde] heeft daartegenover aangevoerd dat hij aan zijn moeder een reële vergoeding voor de aandelen heeft betaald, te weten NLG 4.500,-. De koopprijs is kenbaar uit een door de betrokken partijen op 2 november 1984 ondertekend schriftelijk stuk waarin de overeenkomst is neergelegd.
Het stuk waarop [geïntimeerde] zich beroept, is duidelijk. In zoverre gaan de stellingen van [appellanten] niet op.
Het betoog dat in de verkoop van de aandelen aan [geïntimeerde] een bevoordeling schuil ging, moet falen. Hetgeen aan het hof bekend is gemaakt over [bedrijf] en de onderneming die werd gedreven door [bedrijf], geeft geen aanleiding te veronderstellen dat met een dergelijke bevoordeling rekening dient te worden gehouden. Het hof tekent hierbij nog aan dat [appellanten] zich niet uitgelaten hebben over de vraag hoe de gift die hun voor ogen staat, zou moeten worden gewaardeerd.

- Kwestie (j) gaat over een reeks roerende zaken die ten onrechte niet zouden zijn betrokken bij de vaststelling van de legitimaire massa. Over de waarde van deze zaken hebben [appellanten] zich beperkt uitgelaten.
Uitgangspunt hier is dat moeder [geïntimeerde] een aantal keren is verhuisd, telkens naar een kleinere woning. Half juni 1982 is zij verhuisd van de villa aan [adres] 227 in [woonplaats] naar de [adres] in [woonplaats]. In het voorjaar van 1983 is zij verhuisd naar de [adres] in [woonplaats]. In het najaar van 2001 heeft zij dat huis ontruimd en is zij gaan wonen in [woonplaats] om vervolgens in maart 2005 te worden opgenomen in de Stichtse Hof.
De stellingen van [appellanten] zijn ontoereikend om te aanvaarden dat moeder [geïntimeerde] gedurende de eerste helft van de jaren tachtig niet zelf over haar inboedelgoederen heeft beslist, al dan niet bij gelegenheid van verhuizingen. Als die beslissingen zouden hebben ingehouden dat roerende zaken aan anderen dan [geïntimeerde] zijn gegeven, dan is dat te lang geleden om nog relevant te zijn voor de vaststelling van de legitimaire massa. Nu onbetwist is gebleven dat twee derden van de inboedel van de woning aan de Drift in [woonplaats] is opgeslagen bij [bedrijf], is de stelling dat al die goederen bij [geïntimeerde] zijn beland, zonder toelichting, die ontbreekt, te speculatief. Het hof heeft daarbij betrokken dat de advocaat van [appellanten] zich bij brief van 13 januari 2000 heeft gewend tot [geïntimeerde] om het beheer van het vermogen van moeder [geïntimeerde] aan de orde te stellen en dat hij in dit verband de vermissing van inboedelgoederen niet aan de orde heeft gesteld, hetgeen bepaald voor de hand had gelegen.
Wat betreft de verhuizing in 2001 hebben [appellanten] zich beroepen op een briefje van [geïntimeerde] gedateerd 28 augustus 2001, waarin hij aan hen laat weten dat hun moeder binnen niet al te lange tijd naar [woonplaats] verhuist en aankondigt aan hen te zullen berichten vanaf wanneer zij spullen die zij willen hebben uit haar huis kunnen komen halen. Aan de inhoud van dit briefje kan bezwaarlijk worden ontleend dat hij zich ten onrechte roerende zaken van moeder [geïntimeerde] heeft toegeëigend.
Bij de verhuizing in 2005 was de bewindvoerder betrokken. Deze heeft zorggedragen voor schriftelijke verslaglegging van wat met roerende zaken is gebeurd. Deze verslaglegging geeft geen grond voor de veronderstelling dat [geïntimeerde] zich goederen heeft toegeëigend.
Al dit materiaal biedt naar het oordeel van het hof dan ook een ontoereikend aanknopingspunt om te veronderstellen dat bij de vaststelling van de legitimaire massa rekening dient te worden gehouden met roerende zaken dan wel met relevante giften. Het hof gaat dan ook aan de desbetreffende stellingen van [appellanten] voorbij.

Bovenstaande overwegingen brengen mee dat de stellingen van [appellanten] eveneens onvoldoende houvast bieden om van [geïntimeerde] aanvullende rekening en verantwoording te verlangen.

3.7

Slotsom van deze overwegingen is dat de grieven I, II en III falen.
Grief IV stelt geen afzonderlijk te bespreken vragen aan de orde en faalt ook.
In bovenstaande overwegingen ligt bovendien besloten dat grief V mislukt.

3.8

Grief VI stelt de berekening van de legitimaire massa opnieuw aan de orde.
Bij de berekening zouden ten onrechte de kosten van de boedelnotaris, een bedrag van € 7.030,74 in mindering zijn gebracht en dus ten laste van [appellanten], omdat deze kosten niet vallen onder artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f en dus op de voet van het bepaalde in artikel 4:65 BW de waarde van de nalatenschap daarmee niet mag worden verminderd.
Volgens [appellanten] behoeven zij niet bij te dragen aan de afwikkelingskosten die de executeur maakt noch aan de kosten van een door de executeur benoemde boedelnotaris.
De toelichting op deze grief ziet er ten onrechte aan voorbij dat [geïntimeerde] niet alleen heeft gefungeerd als executeur maar ook als vereffenaar. Het ligt dus voor de hand te veronderstellen dat de werkzaamheden die de notaris op zijn verzoek heeft verricht niet alleen van doen hadden met de executele (artikel 4:7 lid aanhef en onder d BW) maar ook met de vereffening (artikel 4:7 lid 1 aanhef en onder c BW). De omschrijving van de werkzaamheden op de facturen van [D] van 2 november 2009 en 21 november 2011 geeft geen aanleiding te veronderstellen dat de notariële werkzaamheden noodzakelijkerwijs moeten worden toegerekend aan de executele. Daarvoor bestaat te minder aanleiding, nu notaris [notaris] bij beschikking van de kantonrechter van 27 september 2011 is aangewezen teneinde een boedelbeschrijving tot stand te brengen. Dat een gedeelte van de werkzaamheden dat is gefactureerd, betrekking heeft op de informele fase die is voorafgegaan aan de werkzaamheden van de boedelnotaris, maakt verder geen verschil. Er bestaat toereikende grond om aan te nemen dat deze werkzaamheden ten goede zijn gekomen aan de boedelbeschrijving en de rekening en verantwoording. De inhoud van de beschikking van de kantonrechter van 27 september 2011 wijst daarop eveneens. Er bestaat al evenmin toereikende grond om de werkzaamheden aan de executele toe te rekenen waarvan [geïntimeerde] in zijn hoedanigheid van executeur wellicht voordeel heeft genoten, nog daargelaten dat de stellingen van [appellanten] voor een dergelijk onderscheid onvoldoende aanknopingspunt bevatten.

3.9

Bovenstaande overwegingen brengen mee dat ook grief VII moet falen.

3.10

Nu alle grieven falen, zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen en hetgeen voor het eerst in hoger beroep is gevorderd afwijzen. Bij gebreke van ter zake dienende bewijsaanbiedingen kan bewijslevering achterwege blijven. Aan benoeming van een deskundige heeft het hof geen behoefte.
[appellanten] zijn in hoger beroep de in het ongelijk gestelde partij. Zij hebben daarom de proceskosten van het hoger beroep te dragen. De wettelijke rente over de proceskosten zal het hof, anders dan gevorderd, pas toewijzen vanaf veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 308,- aan verschotten en € 2.682,- voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. Kleene-Eijk, G.B.C.M. van der Reep en
G.J. Driessen-Poortvliet door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op
2 december 2014.