Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:5165

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
24-02-2015
Zaaknummer
200.158.078-01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging afwijzing toelating schuldsaneringsregeling. Schulden te goeder trouw. De enkele omstandigheid dat appellanten in gemeenschap van goederen zijn getrouwd brengt niet zonder meer mee dat afwijzing van het verzoek tot schuldsanering van de ene echtgenoot tevens dient te leiden tot afwijzing van het verzoek van de andere.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.158.078/01

insolventienummers rechtbank : C/13/571566/FTRK 14/1935 + 1936

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 december 2014

in de zaak van

1 [appellant sub 1],

2. [appellante sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. J.C.R. de Lyon te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Appellanten worden hierna gezamenlijk [appellanten]en ieder afzonderlijk [appellant sub 1] en [appellante sub 2]genoemd.

[appellanten]zijn bij op 21 oktober 2014 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 oktober 2014, waarbij het verzoek van [appellanten]tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.

Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 2 december 2014. Bij die behandeling zijn [appellanten]verschenen, bijgestaan door mr. J.C.R. de Lyon voornoemd, die het beroepschrift heeft toegelicht aan de hand van een pleitnotitie die aan het hof is overgelegd.

Het hof heeft kennis genomen van het beroepschrift, het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg en de namens [appellanten]bij brief van 26 november 2014 overgelegde productie. [appellanten]hebben verklaard eveneens kennis te hebben genomen van de genoemde stukken.

2 Beoordeling

2.1

[appellanten]hebben in het beroepschrift verzocht om alsnog tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. Daartoe hebben [appellanten]– samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – het volgende aangevoerd.

De problemen zijn ontstaan toen[appellant sub 1] in juni 2010 zijn fulltime baan bij de ING is kwijtgeraakt en tot februari 2013 alleen nog op parttime basis werkzaam was. Het gezinsinkomen kwam hierdoor onder het bijstandsniveau, waardoor [appellanten]niet meer in staat waren de vaste lasten te betalen en in te lopen op hun schulden. In deze periode is ook de schuld aan het CJIB ontstaan. Het verlies van zijn baan, de (fulltime) verzorging van zijn zieke moeder en de schulden hebben op de psychische gemoedstoestand van[appellant sub 1] en zijn gezin een grote weerslag gehad. [appellanten]zijn van mening dat zij de omstandigheden die destijds hebben geleid tot het ontstaan en onbetaald laten van de schulden thans onder controle hebben. Zij hebben ondersteuning en begeleiding gezocht voor hun financiële en psychische problemen. Zij staan sinds oktober 2013 onder inkomensbeheer van Plangroep, maken geen nieuwe schulden en hebben op hun schulden afgelost. De CJIB-schuld van

€ 2.003,-- is inmiddels volledig voldaan. [appellanten]hebben de auto van de hand gedaan. Verder is [appellant sub 1] onder behandeling van een psycholoog voor zijn depressie en krijgt hij ondersteuning van ROADS bij zijn reïntegratie op de arbeidsmarkt. [appellante sub 2] voert aan dat zij tot aan haar huwelijk altijd fulltime heeft gewerkt. Na de geboorte van haar twee kinderen is [appellante sub 2] met een opleiding gestart om haar kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Die opleiding heeft zij moeten staken omdat zij deze niet meer kon bekostigen. [appellanten]verzoeken het hof om hen alsnog tot de schuldsaneringsregeling toe te laten.

2.2

Uit artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, Faillissementswet (Fw) vloeit voort dat een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling alleen wordt toegewezen als de schuldenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt, dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Het hof is van oordeel dat [appellanten]daarin zijn geslaagd.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is komen vast te staan dat de schuld aan het CJIB van € 2.003,= die voor de rechtbank nog aanleiding was het verzoek om toelating tot de schuldsanering af te wijzen, volledig is betaald en dat bij het CJIB thans geen vorderingen meer openstaan. Met betrekking tot het verzoek tot toelating van [appellante sub 2] merkt het hof op dat dit ten onrechte is afgewezen nu de rechtbank heeft nagelaten de verzoeken van [appellanten]individueel te beoordelen. De enkele omstandigheid dat [appellanten]in gemeenschap van goederen zijn getrouwd brengt niet zonder meer mee dat afwijzing van het verzoek tot schuldsanering van de ene echtgenoot tevens dient te leiden tot afwijzing van het verzoek van de andere (HR 4 juni 2004, nr. R04/024HR, NJ 2004). Gebleken is dat de CJIB-schuld bestond uit overtredingen begaan met een auto, waarvan het kenteken op naam van[appellant sub 1] was gesteld, en niet is gebleken dat [appellante sub 2] enige betrokkenheid heeft gehad bij het ontstaan van de CJIB-schuld.

2.3

Gelet op het bovenstaande zullen [appellanten]worden toegelaten tot de schuldsanering. Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd.

3 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

- verklaart alsnog op [appellanten]de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing;

- verwijst de zaak naar de rechtbank Amsterdam om te worden voortgezet met inachtneming van hetgeen in dit arrest is beslist.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, G.C. Makkink en E.J. Rotshuizen en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.