Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:5162

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
16-12-2014
Zaaknummer
200.152.144-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

benoeming bewindvoerder en mentor, uitdrukkelijke voorkeur, gegronde redenen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 9 december 2014

Zaaknummer: 200.152.144/01

Zaaknummer eerste aanleg: 3022271 BM VERZ 14-642 tp/jb

in de zaak in hoger beroep van:

1 [appellante sub 1],

2. [appellant sub 2],

beiden wonende te [woonplaats 1], [land],

appellanten,

advocaat: mr. M.C. Kelderman te [woonplaats 3].

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellanten sub 1 en 2 worden hierna afzonderlijk respectievelijk [appellante sub 1] en [appellant sub 2], en gezamenlijk appellanten genoemd.

1.2.

Appellanten zijn op 10 juli 2014 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 10 juni 2014 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (hierna: de kantonrechter), met kenmerk 3022271 BM VERZ 14-642 tp/jb.

1.3.

Mr. M.J.F.A. Mutsaers, advocaat te [woonplaats 3], heeft namens de heer [A], h.o.d.n. [X] (hierna ook: de bewindvoerder) en mevrouw [B], h.o.d.n. [X], (hierna ook: de mentor) op 28 augustus 2014 een verweerschrift ingediend en heeft voorts op 23 september 2014 een nader stuk ingediend.

1.4.

De zaak is op 5 november 2014 ter terechtzitting behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- appellanten, bijgestaan door hun advocaat;

- de bewindvoerder en de mentor, bijgestaan door mr. Mutsaers, voornoemd;

- mevrouw [C] (hierna: betrokkene);

- mevrouw [D] (hierna: van [D]);

- de heer [E] (hierna: [E]).

1.6.

De heer [F] en mevrouw [G] zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2 De feiten

Betrokkene is geboren op [geboortedatum] en verblijft in verpleeghuis [Y] in [woonplaats 3]. Betrokkene heeft twee zusters, [appellante sub 1] en van [D]. [appellante sub 1] is gehuwd met [appellant sub 2]. [E] is een broer van de overleden echtgenoot van betrokkene.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking zijn de goederen die (zullen) toebehoren aan betrokkene onder bewind gesteld en is de heer [A], h.o.d.n. [X], benoemd tot bewindvoerder. Voorts is ten behoeve van betrokkene een mentorschap ingesteld en is mevrouw [B], h.o.d.n. [X], tot mentor benoemd.

3.2.

Appellanten verzoeken – naar het hof begrijpt – de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij de heer [A] is benoemd tot bewindvoerder en mevrouw [B] is benoemd tot mentor, en appellanten te benoemen tot bewindvoerders en mentoren.

3.3.

De bewindvoerder en de mentor verzoeken de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Ter beoordeling ligt aan het hof de vraag voor wie als bewindvoerder over de goederen van betrokkene respectievelijk mentor van haar moet worden benoemd.

4.2.

Ingevolge het bepaalde in de artikelen 1:435 lid 3 en 1:452 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek volgt de rechter bij de benoeming van respectievelijk de bewindvoerder en de mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende/betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.

4.3.

Appellanten zijn van mening dat de kantonrechter ten onrechte een niet tot de familiekring van betrokkene behorende bewindvoerder en mentor heeft benoemd en ten onrechte heeft overwogen dat dit in het belang is van betrokkene. Zij betwisten dat de familieleden van betrokkene diepgaand verdeeld zijn over de vraag wie als bewindvoerder en mentor moeten worden benoemd en stellen dat alleen de broer van betrokkene, [F], aan de rechtbank heeft laten weten dat hij geen vertrouwen heeft in appellanten omdat zij in [land] wonen. Appellanten stellen dat zij weliswaar tot voor kort in [land] woonden maar dat zij regelmatig contact hebben gehad met betrokkene, zoals een bijna dagelijks telefonisch contact, haar goed kennen en dat zij de laatste jaren steeds naar Nederland zijn gekomen om betrokkene te verzorgen. Betrokkene kwijnt volgens appellanten weg in het verzorgingstehuis, krijgt daar onvoldoende aandacht en heeft zelf aangegeven graag door appellanten in haar eigen huis verzorgd te worden. Appellanten stellen dat financiële belangen bij hen geen rol spelen, zij hebben de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, kunnen uitstekend in hun eigen levensonderhoud voorzien en zij hebben geen kinderen.

4.4.

De bewindvoerder en de mentor vinden dat de kantonrechter een juiste inschatting heeft gemaakt van de verhouding tussen de familieleden van betrokkene en dat door neutrale derden te benoemen wordt voorkomen dat eigen belangen prevaleren, dan wel onbewust een rol gaan spelen. Volgens de bewindvoerder en de mentor is op 6 januari 2014 een besluit genomen door het CIZ op de aanvraag voor zorg op grond van de AWBZ. Het indicatiebesluit omvat zorg gedurende zeven dagen per week dag en nacht. De psychische toestand van betrokkene vormt de belangrijkste reden dat zij psychogeriatrische zorg nodig heeft met een zodanige intensiteit dat die niet meer kan worden geboden in het eigen huis van betrokkene. Appellanten onderschatten de zorg die betrokkene nodig heeft, zodat het niet verantwoord is appellanten te benoemen tot bewindvoerders/mentoren, aldus de bewindvoerder en mentor.

4.5.

[E] heeft ter zitting verklaard dat hij, totdat betrokkene werd opgenomen, de mantelzorg op zich genomen heeft, dat hij de boekhouding en de administratie voor betrokkene regelde en dat hij van mening is dat betrokkene professionele hulp nodig heeft die appellanten betrokkene niet kunnen bieden.

[D] heeft verklaard dat zij appellanten in staat acht om de hulp te bieden die betrokkene nodig heeft. Ter zitting in hoger beroep heeft betrokkene onder meer verklaard dat zij graag naar huis wil en wil dat appellanten haar thuis kunnen verzorgen.

4.6.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene altijd zelfstandig heeft gewoond in haar woning in [woonplaats 2], dat zij na een val ter revalidatie is opgenomen in een verpleeghuis in [plaats], dat tijdens deze opname bij betrokkene dementie is geconstateerd en dat zij als gevolg daarvan vervolgens is opgenomen in [Y].

Appellanten verblijven sinds enige maanden in de woning van betrokkene in [woonplaats 2] maar zijn, volgens hun verklaring ter zitting, niet in staat om de kosten van de woning te voldoen of huur te betalen zolang hun woning in [land] niet is verkocht. De bewindvoerder heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat de financiële situatie van betrokkene gezond is maar dat de woning van betrokkene op den duur zal moeten worden verkocht om de hoge AWBZ-bijdrage te kunnen blijven betalen. De mentor heeft onder meer verklaard dat het beter gaat met betrokkene sinds zij in [Y] verblijft, dat zij voldoende structuur aangeboden krijgt en veel bewegingsvrijheid heeft. Zij bezoekt betrokkene regelmatig.

Ten aanzien van de onderbewindstelling overweegt het hof dat voldoende is komen vast te staan dat sprake is van verdeeldheid binnen de directe familiekring van betrokkene over onder meer de vraag waar en door wie betrokkene verzorgd moet worden. Hierbij is verder van belang dat op enig moment een beslissing moet worden genomen over de verkoop van het huis van betrokkene. Gelet op de tegenstellingen tussen de familieleden acht het hof gegronde redenen aanwezig niet appellanten, maar een onafhankelijke derde, als bewindvoerder te benoemen.

Voor wat betreft het mentorschap overweegt het hof dat het CIZ een indicatiebesluit voor zorg vanuit de AWBZ heeft genomen, waarbij betrokkene in aanmerking komt voor zorg gedurende zeven dagen per week, dag en nacht. Verder is voldoende komen vast te staan dat betrokkene op grond van haar psychische toestand intensieve psychogeriatrische zorg nodig heeft en dat de noodzakelijke hulp niet in haar eigen huis kan worden geboden. In het licht hiervan is het hof van oordeel dat appellanten geen blijk hebben gegeven van voldoende inzicht in de ernst van de situatie van betrokkene. Aannemelijk is dat zij de zorg voor betrokkene ernstig onderschatten. Hierbij is mede van belang dat appellanten geen enkele ervaring hebben met het bieden van dit soort zorg. Onder voormelde omstandigheden is het hof van oordeel dat, hoewel het hof niet twijfelt aan de goede bedoelingen van appellanten, gegronde redenen zich verzetten tegen benoeming van appellanten tot mentoren. Ook het mentorschap dient door een onafhankelijke en professionele derde te wordt uitgevoerd.

Het hiervoor overwogene levert gegronde redenen op om voorbij te gaan aan de ter zitting uitgesproken voorkeur van betrokkene appellanten te benoemen tot mentor en bewindvoerder.

De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

4.7.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.V.T. de Bie, R.G. Kemmers en J.C.E. Ackermans-Wijn in tegenwoordigheid van mr. S.E. Harenberg als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2014.