Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:5125

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-12-2014
Datum publicatie
29-04-2015
Zaaknummer
200.148.577-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vertrekkende advocaat komt met advocatenkantoor waar hij 50% aandeelhouder van was, overeen dat een aantal cliënten en de vorderingen op hen die nog openstaan, meegaan. Later ontstaat nog een vordering op één van die cliënten, doordat een aanvankelijk verleende toevoeging wordt ingetrokken. Hof oordeelt dat op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid aan elk van beide partijen, gelet op de onderling gelijke aandeelverhouding de helft van de later ontstane vordering toekomt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/752
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.148.577/01

zaaknummer rechtbank : 2.267.649/ CV EXPL 13- 2397

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 december 2014

inzake

LISSAN BEHEER B.V.

gevestigd te Hoorn,

appellante,

advocaat: mr. P.F.M. Deijkers te Hoorn,

tegen:

MARAP BV,

gevestigd te Hoogwoud,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.P.J. Appelman te Purmerend.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Lissan en Marap genoemd.

Lissan is bij dagvaarding van 2 mei 2014 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland, afdeling privaatrecht, sector kanton, locatie Hoorn (hierna: de kantonrechter) van 7 april 2014 gewezen tussen Marap als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en Lissan als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie. De appeldagvaarding bevat de grieven.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, overeenkomstig de appeldagvaarding;

- memorie van antwoord, met producties;

Partijen hebben de zaak ter zitting van 21 oktober 2014 doen bepleiten door hun advocaten. Mr Deijkers voerde het woord aan de hand van overgelegd pleitnotities. Bij die gelegenheid is aan Lissan akte verleend van het in het geding brengen van nadere producties.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Lissan heeft geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis in reconventie vernietigt voor zover daarbij haar (in eerste aanleg: reconventionele) vordering tot betaling van € 3.911,88 met rente en kosten werd afgewezen en alsnog Marap zal veroordelen tot betaling van dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 22 februari 2013, met veroordeling van Marap in de kosten van beide instanties.

Marap heeft geconcludeerd, primair tot niet-ontvankelijkheid van Lissan in haar appel, subsidiair tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, in beide gevallen met veroordeling van Marap in de kosten van (het hof leest:) het hoger beroep.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder rechtsoverweging 6 tot en met 8 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof tot uitgangspunt. Samengevat komen die feiten, voor zover in hoger beroep nog van belang, erop neer dat Marap, de beheervennootschap van [X], en Lissan, de beheervennootschap van [Y] ieder voor 50% eigenaar en bestuurder waren van Appelman & Mes Advocaten Enkhuizen B.V. (hierna: Appelman & Mes Advocaten) en dat Lissan zich bij een ten overstaan van de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Haarlem gesloten en in een onderhandse akte neergelegde, door partijen ondertekende, overeenkomst van 21 augustus 2012 (later nog op hier niet van belang zijnde onderdelen gewijzigd op 26 november 2012) heeft verbonden om al haar aandelen in die vennootschap over te dragen aan Marap. Daarbij is tevens overeengekomen dat Lissan 14 cliënten, genoemd op een handgeschreven lijst, meeneemt, alsmede hun openstaande nota’s. Op deze lijst komt ook de naam van mevrouw [Z] voor, met daarbij de aantekening: “geen deb.”

3 Beoordeling

3.1

Lissan heeft aan haar (reconventionele) vordering ten grondslag gelegd dat in de overeenkomst van 21 augustus 2012 ligt besloten dat Marap/Appelman & Mes Advocaten in de dossiers van de cliënten die door Lissan zijn meegenomen geen declaraties meer naar deze cliënten zou sturen en incasseren. Lissan stelt dat Marap/Appelman & Mes Advocaten in weerwil daarvan toch aan mevrouw [Z] een declaratie van € 3.911,88 heeft gezonden, welke declaratie is voldaan. Lissan maakt aanspraak op dit bedrag. De kantonrechter heeft de vordering bij gebreke van een voldoende feitelijke en juridische grondslag afgewezen. Tegen deze afwijzing heeft Lissan zich in hoger beroep voorzien onder aanvoering van een grief. In dit hoger beroep ligt alleen deze vordering van Lissan ter beoordeling door het hof voor.

3.2

In de toelichting op haar grief voert Lissan aan dat de vordering strekt tot vervangende schadevergoeding wegens een tekortkoming in de nakoming van de op Marap/Appelman & Mes Advocaten rustende verplichting om niet te declareren in de door Lissan meegenomen zaken, welke schade gelijk moet worden gesteld aan de hoogte van de geïnde declaratie nu daaruit de onmogelijkheid voor Lissan is ontstaan om een nieuwe declaratie te zenden. Subsidiair beroept zij zich op ongerechtvaardigde verrijking aan de kant van Marap.

Marap van haar kant voert een ontvankelijkheidsverweer, stellende dat - voor zover Lissan al een vordering heeft vanwege de declaratie aan mevrouw [Z] - dit hoogstens een vordering kan zijn op Appelman & Mes Advocaten die de declaratie heeft verzonden en de daarmee gemoeide gelden heeft ontvangen. Materieel stelt Marap zich op het standpunt dat de vordering op de cliënt niet meegegaan is met Lissan. Dit een en ander zou haars inziens duidelijk volgen uit de gemaakte afspraak.

3.3

Het hof verwerpt het niet-ontvankelijkheidsverweer. Lissan stelt dat – ondanks dat de declaratie aan mevrouw [Z] is verzonden door Appelman & Mes Advocaten – er gronden zijn om Marap te veroordelen tot betaling van het met de declaratie gemoeide bedrag aan Lissan. Lissan is derhalve ontvankelijk in haar vordering.

3.4

Naar bleek uit de mondelinge toelichting ter gelegenheid van de pleidooien zijn bij de totstandkoming van de meergenoemde overeenkomst van 21 augustus 2012 alle betrokkenen ervan uitgegaan dat op de handgeschreven lijst van cliënten (dossiers) die bij [Y] zouden blijven het bedrag van de openstaande vorderingen was vermeld, terwijl bij de namen van degenen voor wie op toevoeging was geprocedeerd de aanduiding “geen deb.” was toegevoegd, nu er geen vordering op deze cliënten bestond.

3.5

Partijen zijn het erover eens, dat de onderhandse akte de overeenkomst tussen partijen behelst, terwijl over die overeenkomst op zichzelf geen meningsverschil bestaat. Ook bestaat er geen meningsverschil over de naamsvermeldingen op de lijst en ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst gingen alle betrokkenen van de juistheid van de vermelde bedragen uit. Bij geen van de betrokkenen is destijds de gedachte opgekomen dat de op 21 augustus 2012 vermelde bedragen nog wijziging zouden kunnen ondergaan en dat derhalve achteraf blijkt dat een of meer andere bedragen in de verdeling hadden moeten zijn betrokken.

3.6

Toch heeft zich dat geval voorgedaan. In de zaak van mevrouw [Z] is de aanvankelijk verleende toevoeging naderhand ingetrokken, waardoor zij tot betalende cliënt werd en een vordering op haar ontstond. Met deze mogelijkheid had, naar partijen ter gelegenheid van de pleidooien meedeelden, niemand rekening gehouden (waarop ook de in de overeenkomst opgenomen finale kwijting duidt). In zoverre vertoont de bereikte wilsovereenstemming tussen partijen een leemte. Aangezien over de wezenlijke onderdelen van de gehele overeenkomst voldoende overeenstemming was bereikt, en partijen aan die overeenkomst voor het overige reeds uitvoering hebben gegeven, blijft de overeenkomst in stand, maar dient zij op grond van het bepaalde in art. 6:248 lid 1 BW te worden aangevuld met de rechtsgevolgen die, gezien de aard van de overeenkomst uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien.

3.7

Weliswaar betoogt Marap dat voor dit geval er een hoofdregel van gewoonterecht bestaat (namelijk dat een zaak behoort tot het kantoor waarvoor een advocaat werkzaam is) die voor de nodige aanvulling in de leemte kan zorgen en die ertoe strekt dat Appelman & Mes Advocaten recht heeft op het gefactureerde bedrag, doch het bestaan van deze hoofdregel wordt door Lissan bestreden. Wat hier van zij, in een geval als het onderhavige, waarin is overeengekomen dat een cliënt mee gaat met een vertrekkende advocaat maar de mogelijkheid dat nog een vordering op die cliënt zou ontstaan over het hoofd is gezien, is de door Marap gestelde regel hoe dan ook niet zonder meer toepasbaar. Derhalve dienen de redelijkheid en billijkheid als aanvullende bron van rechtsgevolgen in de zin van art. 6: 248 BW in deze zaak te worden gehanteerd.

3.8

Bij de bepaling van wat de redelijkheid en billijkheid in deze zaak vorderen, zoekt het hof aansluiting bij de uitgangspunten van partijen voorafgaand aan de overeenkomst tot aandelenoverdracht. Aangezien beide partijen voor 50% aandeelhouder van Appelman & Mes Advocaten waren, zal het hof bepalen dat ook de nagekomen bate van de declaratie van mevrouw [Z] ter zake van werkzaamheden die voor de overeenkomst tot aandelenoverdracht door [Y] voor Appelman & Mes Advocaten zijn verricht bij helfte over beide partijen dient te worden verdeeld en dient Marap het meerdere van het door haar geïncasseerde bedrag af te dragen. Weliswaar is het bedrag van € 3.911,88 door mevrouw [Z] overgemaakt aan Appelman & Mes Advocaten (en niet aan Marap), maar gezien het gegeven dat Marap alle aandelen in Appelman & Mes Advocaten houdt, heeft Marap haar verweer dat de tegoeden van Appelman & Mes Advocaten (uiteindelijk) niet toekomen aan Marap onvoldoende gemotiveerd. De vordering van Lissan zal derhalve tot een bedrag van € 1.955,94 (de helft van € 3.911,88) worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente hierover (van een handelsovereenkomst is geen sprake zodat de handelsrente niet toewijsbaar is) vanaf de dag waarop de vordering in reconventie is ingesteld, 23 september 2013. In zoverre slaagt de grief van Lissan.

4 Slotsom

In hoger beroep was slechts aan de orde de afwijzing in reconventie van de vordering van Lissan tot veroordeling van Marap tot betaling van het meergenoemde bedrag van € 3.911,88. De daartegen gerichte grief slaagt, zodat het hof het vonnis, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, zal vernietigen, terwijl het vonnis voor het overige in stand blijft. De vordering van Lissan wordt toegewezen tot een bedrag van € 1.955,94. Waar partijen over en weer in het ongelijk gesteld zijn, acht het hof compensatie van proceskosten aangewezen. De in eerste aanleg in reconventie uitgesproken kostencompensatie kan in stand blijven. In hoger beroep zal het hof de kosten compenseren, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis in reconventie, doch uitsluitend voor wat betreft de afwijzing van hetgeen door Lissan meer of anders is gevorderd dan is toegewezen, en

in zoverre opnieuw rechtdoende,

veroordeelt Marap tot betaling tot betaling aan Lissan van een bedrag van € 1.955,94, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 september 2013 tot de dag der algehele voldoening;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het anders of meer gevorderde;

compenseert de kosten in hoger beroep op dit geding gevallen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.M.M. Tillema, L.R. Van Harinxma thoe Slooten en E.J.H. Schrage en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 december 2014.