Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:5122

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-12-2014
Datum publicatie
27-10-2017
Zaaknummer
200.143.484-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team 1

zaaknummer : 200.143.484/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/515222 / HA ZA 12-469

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 december 2014

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. W. van Dijk te Ede,

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

COMPAGNIE FRANÇAISE DE NAVIGATION RHÉNANE S.A.,

gevestigd te Straatsburg, Frankrijk,

geïntimeerde,

advocaat: mr. A.J. Dolk te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en CFNR genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 7 maart 2014 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 december 2013 onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen CFNR als eiseres en [appellant] en F&S Luxembourg S.A. (hierna: F&S Luxembourg) als gedaagden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met een productie.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 7 oktober 2014 door de voornoemde advocaten doen bepleiten, ieder aan de hand van aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog CFNR niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering, althans haar vordering af zal wijzen, met veroordeling van CFNR tot terugbetaling van hetgeen door [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis is voldaan en met beslissing over de proceskosten.

CFNR heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met beslissing - uitvoerbaar bij voorraad – over de proceskosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.18 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1

Samengevat en aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

3.1.1

Op 27 november 2007 is een voorlopige koopovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de aankoop van een motorvrachtschip “ [naam] ” (hierna: het vrachtschip), waarbij als koper is vermeld “ [X] Holding B.V. e/o nader te noemen meester”. De koopsom bedroeg € 3.275.000,00.

3.1.2

[appellant] is bestuurder van [X] Holding B.V. Voorts is [appellant] bestuurder van de in Luxemburg gevestigde vennootschap Zermatt International S.à.R.L. (hierna: Zermatt), die het vrachtschip in 2008 in eigendom heeft gekregen en is gaan exploiteren. Zermatt handelt ook onder de naam JFF Shipping 1.

3.1.3

In 2007 zijn CFNR en haar groepsvennootschap Somef SA (hierna: Somef) betrokken geraakt bij de plannen om het vrachtschip aan te (doen) kopen. Somef zou, na de aankoop, betrokken zijn bij de bevrachting van het vrachtschip. CFNR was, evenals [appellant] , bereid een bedrag van € 327.500,00 te verstrekken ter financiering van het vrachtschip. Het resterende aankoopbedrag van zou worden gefinancierd middels een door Amstel Lease Maatschappij N.V. (hierna: Amstel Lease) te verstrekken lening van € 2.620.000,00.

3.1.4

In verband met de door CFNR te verstrekken financiering heeft [A] (hierna: [A] ), werkzaam bij CFNR, op 28 december 2007 een concept-overeenkomst van geldlening gezonden aan [B] (hierna: [B] ), adviseur bij (het aan [appellant] verbonden) [X] Consultancy. De aanhef van deze conceptovereenkomst luidt:

“De ondergetekenden:

1 [X] Holding B.V.

(…), rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar directeur de heer [appellant] ,

2 JFF Shipping Holding S.A.,

(…), rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar directeur [X] Holding B.V., vertegenwoordigd door de heer [appellant] ,

3 JFF Shipping 1 S.A.,

(...), rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar directeur [X] Holding B.V., vertegenwoordigd door de heer [appellant] ,

hierna zowel gezamenlijk als afzonderlijk te noemen: “debiteur”;

en

4 Compagnie Française de Navigation Rhénane S.A.,

(…), rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer [C] , Président Directeur Général,

hierna te noemen: “crediteur”;”

3.1.5 In het concept van 28 december 2007 heeft [B] in de rode kleur een aantal wijzigingen aangebracht. Het gewijzigde concept houdt, voor zover van belang, het volgende in (de roodgekleurde wijzigingen zijn vetgedrukt vermeld):

“De ondergetekenden:

1 F.H. [appellant] ,

wonende (…) te (…) [plaats] (…),

2. F & S LUXEMBOURG S.A. ten deze handelend onder de naam JFF Shipping Holding S.A. (…), rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar directeur de heer [D] ,

3. ZERMATT INTERNATIONAL S.à.R.L. ten deze handelend onder de naam JFF Shipping 1 S.à.R.L.(…), en in Nederland als zodanig rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar directeur de heer [appellant] ,

hierna zowel gezamenlijk als afzonderlijk te noemen: “debiteur”;

en

4. Compagnie Française de Navigation Rhénane LA., (…) rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer [C] , Président Directeur Général,

hierna te noemen: “crediteur”;

in aanmerking nemende en op voorwaarde dat:

a) JFF Shipping 1 S.à.R.L -middels JFF Shipping Holding S.A. een 100% deelneming van de heer [appellant] in privé - het binnenvaartschip “ [naam] ” (…) wenst te kopen en hiervoor externe financiering wenst te verkrijgen;

b) JFF Shipping 1 S.à.R.L. en SOMEF/CFNR inzake de exploitatie van het schip een exclusieve raamovereenkomst bevrachting hebben afgesloten voor de duur van de onderhavige lening;

c) [appellant] en [X] Holding B.V. middels JFF Shipping Holding SA. vooraf een lang vermogen ten bedrage van € 2.947.500,-- zal verstrekken aan JFF Shipping 1 S.à.R.L. voor de aanschaf van het motorschip en wel door middel van een bij de onderhavige geldlening achtergestelde:

- in zes jaar lineair af te lossen lening van € 327.500,-- met een looptijd van zeven jaar en;

- in tien jaar lineair af te lossen lening ter hoogte van € 2.620.000,-- (…);

d) De bank Amstel Lease Maatschappij N.V. te Utrecht (hierna: “de bank”) aan [appellant] e/o [X] Holding B.V. kredietfaciliteiten ten bedrage van € 2.620.000,-- zal verstrekken dan wel heeft verstrekt ten behoeve van de aanschaf van het motorschip casu quo de financiering van de onder c) genoemde hypothecaire lening, één en ander onder voorwaarde van achterstelling van de vorderingen van crediteur.

(…)

Zijn overeengekomen als volgt :

1. Bestedingsdoel

De debiteur zal de geldlening uitsluitend mogen aanwenden voor de financiering van de aankoop van het motorschip “ [naam] ”(…).

2. Hoofdsom

Het bedrag van de geldlening is in hoofdsom groot € 327.500,-- (…).

De hoofdsom van de geldlening zal door de crediteur aan [X] Holding B.V. worden verstrekt door storting op de derdengeld rekening van de notaris per de datum van de notariële levering van het motorschip.

(…)

8. Achterstelling

8.1

Het bedrag van de geldlening zal bij de vordering van de bank worden achtergesteld. Rente en aflossing zullen slechts worden betaald als op enig moment is voldaan aan de verplichting ten opzichte van de bank.

(…)

14. Overige bepalingen

(…)

14.2

De schuld van de hoofdsom en rente zal ten aanzien van de debiteur een ondeelbare zijn, zodat ieder van de -onder 1., 2. en 3.- onderscheiden schuldenaren voor het gehele verschuldigde, en voor rente nog verschuldigd wordende, bedrag aansprakelijk zal zijn en zal kunnen worden uitgewonnen.

(…)

Aldus overeengekomen en ondertekend in tweevoud (…)

(1.2.3. Debiteur)

…………………………

Dhr. [appellant] e/o [X] Holding B.V.

(4. Crediteur)

Compagnie Française de Navigation Rhénane S.A.

…………………………

Dhr. [C] , Président Directeur Général”

3.1.6

Op 2 januari 2008 heeft [B] dit gewijzigde concept aan [A] (CFNR) gemaild, met de toevoeging:

“(…) indien een en ander eveneens jullie instemming kan verkrijgen, dan rest ons mijns inziens niets anders meer dan tot ondertekening over te gaan”.

3.1.7

Amstel Lease, CFNR en Zermatt hebben overeenstemming bereikt over een akte van achterstelling van vorderingen, die Amstel Lease op 16 januari 2008 ter ondertekening aan CFNR heeft gezonden. In deze akte is, voor zover van belang, bepaald:

“Achterstelling van vorderingen

De ondergetekenden:

(A) Zermatt International S.à.R.L., h/o JFF Shipping 1 (…) (hierna te noemen “Debiteur”)

(B) Compagnie Française De Navigation Rhénane S.A. (…) (hierna te noemen “Crediteur”)

(C) Amstel Lease Maatschappij N.V. (…) (hierna te noemen “Leasemaatschappij”)

verklaren te zijn overeengekomen :

1. De Crediteur stelt bij deze zijn vorderingen op de Debiteur uit hoofde van de door de Crediteur aan de Debiteur bij overeenkomst van geldlening gedateerd 10/01/2008 verstrekte geldlening (…) met de daarover verschuldigde rente achter bij de vorderingen, die de Leasemaatschappij op de Debiteur heeft en/of zal verkrijgen uit hoofde van verstrekte en/of te verstrekken geldleningen (…).

3.1.8

Bij e-mail van 27 januari 2008 heeft [B] aan [E] van CFNR/Somef (hierna: [E] ) de bankgegevens van de derdengeldenrekening van de bij het transport van het vrachtschip betrokken notaris (hierna: de notaris) verstrekt.

3.1.9

Een dag later heeft [B] er per mail bij [E] op aangedrongen om toe te zien “dat wij de ondertekende bescheiden zijdens CFNR/Somef per koerier (DHL) en uiterlijk op woensdagmorgen 30 januari a.s. in ons bezit hebben ter verwerking door de notaris alsmede de respectievelijke bank(en).”

3.1.10

Op 30 januari 2008 heeft [E] aan [B] per e-mail bericht dat de

overeenkomsten de daaropvolgende dag door de raad van bestuur van CFNR zullen worden ondertekend en dat de verschuldigde geldsom direct na ondertekening op de

derdengeldenrekening van de notaris zal worden gestort.

3.1.11

Per e-mail van 31 januari 2008 (te 14:59 uur) heeft [E] , met het oog op de geplande ondertekening van de stukken, aan [A] verzocht te bevestigen dat de bij die e-mail gevoegde versie van de overeenkomst van geldlening de juiste betreft. Over die versie schrijft hij: “c’est la dernière version que [B] nous a renvoyée le 02/01/2008 avec ses dernières modifications”. [A] heeft per e-mail van 15:07 uur aan [E] bevestigd dat dit de juiste versie betreft.

3.1.12

Op 31 januari 2008 zijn in Straatsburg, Frankrijk, namens CFNR en Somef door [C] (hierna: [C] ), Président Directeur Général CFNR, de raamovereenkomst van bevrachting, de akte van achterstelling van vorderingen en een overeenkomst van geldlening getekend. De raamovereenkomst van bevrachting is aangegaan tussen enerzijds CFNR en Somef en anderzijds Zermatt als exploitant.

3.1.13

Nadat de door [C] getekende stukken blijkens een (interne) e-mail van diezelfde datum (te 15:27) aan [E] waren gezonden, heeft [E] per e-mail (te 16:00 uur) aan [B] bericht:

“Gelieve in bijlage ondertekende kopiën te vinden van:

raamovereenkomst van bevrachting

overeenkomst van geldlening

achterstelling van vorderingen

Originelen krijg ik normaal morgen per DHL.

Ik verwacht nog bericht van het storten van de 327.500 € bij de notaris. (…)“

3.1.14

De hiervoor bedoelde e-mails gericht aan of afkomstig van [B] van 2 januari, 27 januari, 30 januari 2008 en 31 januari 2008 zijn alle – kopie conform – gezonden aan [appellant] ( [eamiladres] ).

3.1.15

Op 1 februari 2008 heeft CFNR haar bank schriftelijk opdracht gegeven een bedrag van € 327.500,- te storten op de derdengeldenrekening van de notaris. Een kopie van de betalingsopdracht is aan [B] gestuurd. [B] heeft de betalingsopdracht aan de notaris doorgestuurd, vergezeld van de tekst:

“(…) Voor wat betreft de ons ontbrekende maar gisteren wél definitief door CFNR ondertekende contracten, kunnen wij u mededelen dat deze contracten ons maandag a.s. per DHL worden bezorgd zodat wij u alsdan tevens kunnen voorzien van afschriften ter zake. (…)”

3.1.16

Nadat [E] bij e-mail van 5 februari 2008 aan [B] en [appellant] had laten weten dat de originele ondertekende contracten op zijn schrijftafel lagen, heeft [appellant] bij e-mail van diezelfde datum verzocht de contracten aangetekend of per koerier naar [X] Holding B.V. te [plaats] te sturen.

3.1.17

Op 18 februari 2008 is ten overstaan van de notaris de transportakte gepasseerd uit hoofde waarvan het vrachtschip is overgedragen aan Zermatt. Voorts is bij akte van 18 februari 2008 door Zermatt aan CFNR een recht van (tweede) hypotheek op het vrachtschip verleend tot een bedrag van € 327.500,00.

3.1.18

Bij brief van 11 april 2014 heeft [F] , de voormalige echtgenote van [appellant] (hierna: [F] ), aan de gemachtigde van CFNR laten weten de overeenkomst van geldlening te vernietigen, aangezien zij geen toestemming heeft verleend voor het aangaan daarvan.

3.2

CFNR heeft in eerste aanleg gevorderd - kort gezegd - [appellant] en F&S Luxembourg hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 359.312,40, vermeerderd met rente en kosten.

3.3

Aan deze vordering heeft CFNR ten grondslag gelegd dat - voor zover het [appellant] betreft - zij in januari 2008 mede met [appellant] een overeenkomst van geldlening is aangegaan, de hoofdsom en de daarover verschuldigde rente inmiddels opeisbaar zijn en [appellant] gehouden is de desbetreffende bedragen aan CFNR te voldoen.

3.4

[appellant] heeft verweer gevoerd. [appellant] heeft niet bestreden dat de overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen. Hij heeft echter betwist dat hij partij is bij deze overeenkomst. Volgens [appellant] is de overeenkomst van geldlening uitsluitend aangegaan met Zermatt. Voor het geval geoordeeld zou worden dat toch een overeenkomst van geldlening met [appellant] tot stand is gekomen, heeft [appellant] een beroep gedaan op de achterstellingsbepaling opgenomen in artikel 8.1 van de overeenkomst van geldlening.

3.5

De rechtbank heeft de vordering van CFNR toegewezen. Volgens de rechtbank is [appellant] gehouden tot voldoening van de verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomst van geldlening. De rechtbank heeft geoordeeld dat bij CFNR het gerechtvaardigde vertrouwen is ontstaan dat [appellant] de wil had de overeenkomst van geldlening aan te gaan conform de versie die [B] op 2 januari 2008 aan CFNR heeft gezonden, is de overeenkomst in die vorm tot stand gekomen en geldt [appellant] als debiteur onder die overeenkomst. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het beroep op de achterstellingsbepaling faalt.

3.6

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met drie grieven op.

3.7

De eerste grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] kan worden aangesproken tot voldoening van de verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomst van geldlening.

3.8

[appellant] heeft aangevoerd dat in de precontractuele fase wel de mogelijkheid is overwogen dat hij contractspartij zou zijn, maar dat het zover nooit is gekomen. [appellant] heeft benadrukt, dat hij absoluut niet in privé aansprakelijk wilde zijn voor de lening van CFNR, omdat hij zelf in privé reeds eenzelfde bedrag financierde als CFRN (te weten € 327.500,00) en vond dat dat het maximum was waartoe hij kon gaan.

3.9

Terecht heeft de rechtbank in het bestreden vonnis (r.o. 5.5) overwogen, dat in deze niet alleen relevant is wat de bedoeling van [appellant] was. Voor de beantwoording van de vraag, of CFNR er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [appellant] de wil had zich in privé als hoofdelijk debiteur uit de geldleningsovereenkomst te verbinden, komt het immers mede aan op wat [appellant] jegens CFNR heeft verklaard en op de zin die CFNR in de gegeven omstandigheden daaraan redelijkerwijs mocht toekennen (artikel 3:33 en 3:35 BW).

3.10

In dit verband stelt het hof vast dat [B] op 2 januari 2008 een gewijzigde versie van de overeenkomst van geldlening aan CFNR heeft gezonden, waarin naast Zermatt ook [appellant] in privé als ondergetekende is genoemd (zie hiervoor, onder 3.1.5). Voorts staat vast, dat [B] in de begeleidende e-mail aan CFNR heeft laten weten dat, indien CFNR met een en ander zou instemmen, niets anders restte “dan tot ondertekening over te gaan”. Tijdens de zitting van 7 oktober 2014 heeft [appellant] desgevraagd uitdrukkelijk bevestigd, dat [B] hierbij bevoegd was namens hem te handelen.

3.11

CFNR heeft zich op het standpunt gesteld dat zij op grond van de e-mail van [B] van 2 januari 2008 en het daarbij gevoegde gewijzigde concept erop mocht vertrouwen dat [appellant] de overeenkomst van geldlening als debiteur wenste aan te gaan en dat de overeenkomst van geldlening ook in deze vorm is gesloten, doordat CFNR deze versie van de overeenkomst op 31 januari 2008 voor akkoord heeft ondertekend en retour heeft gezonden en zij de geldlening op die basis heeft verstrekt.

3.12

[appellant] heeft de juistheid van dit standpunt gemotiveerd bestreden. [appellant] heeft hiertoe in de eerste plaats aangevoerd, dat de omstandigheid dat hij in de op 2 januari 2008 aan CFNR gezonden versie van de overeenkomst als ‘ondergetekende’ wordt genoemd, nog niet meebrengt dat hij in dit concept ook als debiteur is aangemerkt. Volgens [appellant] wordt met de term “debiteur” in het concept uitsluitend gedoeld op de partij die de geldlening ontvangt.

3.13

Het hof volgt [appellant] niet in dit betoog. Anders dan in de versie zoals CFNR deze had opgesteld, is [appellant] in de aanhef van het gewijzigde concept van 2 januari 2008 uitdrukkelijk ook in privé als ‘debiteur’ aangemerkt, zowel afzonderlijk als gezamenlijk met de overige twee ondergetekenden. De omstandigheid dat dat in artikel 9 van het contract is bepaald dat de geldlening op naam van [X] Holding B.V. diende te worden geadministreerd, doet hier niet, althans onvoldoende, aan af. Naar het oordeel van het hof heeft CFNR aan de wijziging van de tenaamstelling van het concept in redelijkheid de door haar gestelde betekenis mogen toekennen, dat [appellant] ook in privé als debiteur bij de overeenkomst van geldlening zou optreden. Steun voor dit oordeel vindt het hof in artikel 14.2 van de overeenkomst van geldlening, nu daarin is vermeld dat de schuld (hoofdsom en rente) ten aanzien van “de debiteur” een ondeelbare zal zijn, “zodat ieder van de -onder 1., 2. en 3.- onderscheiden schuldenaren voor het gehele verschuldigde (…) bedrag aansprakelijk zal zijn (…)”. Met deze bepaling strookt niet, dat enkel de partij die de geldlening ontvangt als debiteur zou moeten worden beschouwd.

3.14

[appellant] heeft verder aangevoerd dat er na 2 januari 2008 - kort gezegd - wezenlijke zaken zijn veranderd en dat de overeenkomst niet op basis van het concept van 2 januari 2008 tot stand is gekomen. Dienaangaande overweegt het hof het volgende.

3.15

Tussen partijen staat als gesteld en niet weersproken vast dat [C] namens CFNR op 31 januari 2008 een overeenkomst van geldlening heeft getekend en dat CFNR daags daarna ter uitvoering van de overeenkomst van geldlening een bedrag van € 327.500,00 op de derdengelden rekening van de notaris heeft gestort.

3.16

CFNR heeft daarbij ter onderbouwing van haar standpunt, dat de overeenkomst van geldlening wel op basis van het concept van 2 januari 2008 tot stand is gekomen, kopieën overgelegd van de hiervoor onder 3.1.10 tot en met 3.1.14 genoemde (interne) correspondentie. Uit deze stukken blijkt – zoals de rechtbank onder 5.8 van het bestreden vonnis meer gedetailleerd heeft vastgesteld – dat [C] kort voor de ondertekening van de overeenkomst van geldlening intern heeft laten verifiëren of de versie die [B] op 2 januari 2008 aan CFNR heeft gezonden de juiste versie was, dat dit hem vervolgens per interne e-mail is bevestigd, dat [C] vervolgens tot ondertekening van de overeenkomst is overgegaan en dat hij deze terstond daarna aan [E] heeft gezonden, die deze op zijn beurt kort daarna per e-mail aan [B] heeft doorgeleid.

3.17

Gelet op de inhoud van deze (interne) correspondentie, acht het hof voorshands bewezen dat bij CFNR het gerechtvaardigde vertrouwen is ontstaan dat [appellant] de overeenkomst van geldlening op basis van het concept van 2 januari 2008 wenste aan te gaan en dat de overeenkomst ook in die vorm tot stand is gekomen. Voor [appellant] staat de mogelijkheid open om hiertegen tegenbewijs te leveren.

3.18

Het hof merkt op dat de door [appellant] in dit kader aangevoerde omstandigheden, dat op 9 januari 2008 bekend is geworden dat Zermatt als enige kopende partij zou optreden en dat de andere in het kader van de financiering en exploitatie van het vrachtschip gesloten overeenkomsten enkel met Zermatt zijn aangegaan, op zichzelf nog niet voldoende zijn om [appellant] reeds in dit tegenbewijs geslaagd te achten. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de in het concept van 2 januari 2008 als partij vermelde vennootschap F&S Luxembourg uiteindelijk niet door [appellant] is verworven. [appellant] zal daarom tot het leveren van (nader) tegenbewijs worden toegelaten.

3.19

Iedere verdere beslissing zal worden aanhouden.

3.20

Het hof overweegt tenslotte nog het volgende. De raadsman van [appellant] heeft bij gelegenheid van het pleidooi verzocht met spoedig arrest te wijzen, in verband met de omstandigheid dat CFNR reeds een aanvang heeft gemaakt met de executie van het vonnis in eerste aanleg. Gelet hierop zal, voor het geval [appellant] getuigen wil doen horen, dit getuigenverhoor op korte termijn worden bepaald. Het hof gaat ervan uit dat executie gelet op deze korte termijn vooralsnog zal uitblijven.

4 Beslissing

Het hof:

laat [appellant] toe tot tegenbewijs tegen hetgeen hiervoor onder 3.17 als voorshands bewezen is aangemerkt.

bepaalt dat, indien [appellant] getuigen wil doen horen, een getuigenverhoor zal plaatshebben voor mr. G.J. Visser, daartoe tot raadsheer‑commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam op 8 januari 2015 te 9.30 uur ;

bepaalt dat de advocaat van [appellant] dient na te (laten) gaan of partijen, hun advocaten en de door [appellant] voor te brengen getuigen op de hierboven bepaalde dag en tijd kunnen verschijnen en dat hij - zo dat niet het geval mocht zijn - uiterlijk op 15 december 2014 schriftelijk en onder opgave van de verhinderdata van alle voornoemde betrokkenen in de periode van januari en februari 2015 aan het (enquêtebureau van het) hof dient te verzoeken een nieuwe datum te bepalen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röel, G.J. Visser en E.J.H. Schrage en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 december 2014.