Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:5074

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-11-2014
Datum publicatie
09-12-2014
Zaaknummer
12/00818 t/m 12/00821
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2012:3118, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:183, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft door middel van listige kunstgrepen het vermogen voor de inspecteur verborgen gehouden; desondanks boete door Hof verminderd tot op 50%. Bezwaarfase van meer dan 6 maanden geen reden voor matiging boete.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16, geldigheid: 1998-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2917
FutD 2014-2918
V-N Vandaag 2014/2540
Mr. L.E.C. Neve annotatie in NTFR 2015/392

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerken 12/00818 tot en met 12/00821

27 november 2014

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op de hoger beroepen van

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende

tegen de uitspraak in de zaken met kenmerken AWB 11/6548 tot en met 11/6550 en 11/6624 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank)

en de incidenteel hoger beroepen van

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur

tegen de uitspraak in de zaken met kenmerken AWB 11/6549 en 11/6550 van de rechtbank

in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 15 december 2010 aan belanghebbende voor het jaar 1998 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van f 6.500.717. Tegelijk met het vaststellen van deze aanslag is bij beschikking een vergrijpboete van f 3.649.383 opgelegd.

1.1.2.

Na tegen de hiervoor onder 1.1.1 gemelde aanslag en vergrijpboete gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 31 oktober 2011, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f 429.371 en de vergrijpboete verminderd tot f 6.575.

1.2.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 15 december 2010 aan belanghebbende voor het jaar 1999 een navorderingsaanslag vermogensbelasting (hierna: VB) opgelegd, berekend naar een vastgesteld vermogen van f 107.517.990. Tegelijk met het vaststellen van deze aanslag is bij beschikking een vergrijpboete van f 709.350 opgelegd.

1.2.2.

Na tegen de hiervoor onder 1.2.1 gemelde aanslag en vergrijpboete gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 31 oktober 2011, de aanslag verminderd tot een berekend naar een vastgesteld vermogen van f 7.826.606 en de vergrijpboete verminderd tot f 11.753.

1.3.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 15 december 2010 aan belanghebbende voor het jaar 2005 een aanslag IB opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 146.494 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.062.632. Tegelijk met het vaststellen van deze aanslag zijn bij beschikkingen een verzuimboete van € 113 en een vergrijpboete van € 552.000 opgelegd.

1.3.2.

Na tegen de hiervoor onder 1.3.1 gemelde aanslag en boeten gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 31 oktober 2011, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 146.494, een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 220.347, de verzuimboete gehandhaafd en de vergrijpboete verminderd tot nihil.

1.4.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 15 december 2010 aan belanghebbende voor het jaar 2006 een aanslag IB opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 311.258, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 40.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.071.553. Tegelijk met het vaststellen van deze aanslag is bij beschikking een vergrijpboete van € 552.000 opgelegd.

1.4.2.

Na tegen de hiervoor onder 1.4.1 gemelde aanslag en vergrijpboete gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 31 oktober 2011, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 311.258, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 40.000, een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 234.568 en de vergrijpboete verminderd tot € 905.

1.5.

Bij uitspraak van 14 september 2012 heeft de rechtbank de door belanghebbende ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

1.6.1.

De tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroepen met betrekking tot de onder 1.1.1 en 1.2.1 gemelde aanslagen en boeten zijn bij het Hof ingekomen op 26 oktober 2012, aangevuld bij brieven van 29 oktober 2012. De inspecteur heeft verweerschriften ingediend en daarbij incidenteel hoger beroepen ingesteld. Belanghebbende heeft bij brieven van 5 maart 2013 op de incidenteel hoger beroepen gereageerd en daarbij zijn hoger beroepen aangevuld. Voorts heeft belanghebbende zijn hoger beroepen nog aangevuld bij brieven van 25 april 2013, 6 mei 2013 en 9 augustus 2013. De inspecteur heeft hierop gereageerd bij brieven van 16 augustus 2013.

1.6.2.

De tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroepen met betrekking tot de onder 1.3.1 en 1.4.1 gemelde aanslagen en de onder 1.4.1 gemelde boete zijn bij het Hof ingekomen op 26 oktober 2012, aangevuld bij brieven van 29 oktober 2012. De inspecteur heeft verweerschriften ingediend. Belanghebbende heeft zijn hoger beroepen voorts aangevuld bij brieven van 2 april 2013, 6 mei 2013 en 9 augustus 2013. De inspecteur heeft hierop gereageerd bij brieven van 16 augustus 2013.

1.7.

Op 28 juli 2014 en 8 augustus 2014 zijn nadere stukken ontvangen van belanghebbende. Op 29 juli 2014 zijn nadere stukken ontvangen van de inspecteur. Voornoemde stukken zijn over en weer in afschrift naar partijen gezonden.

1.8.

Bij e-mailbericht en (gelijkluidende) brief van de griffier van 7 augustus 2014 zijn partijen verzocht te reageren op een door het Hof opgestelde berekening, op welk verzoek de inspecteur heeft gereageerd bij e-mailbericht van 8 augustus 2014 en belanghebbende bij e-mailbericht van 11 augustus 2014. Voornoemde stukken zijn over en weer in afschrift naar partijen gezonden.

1.9.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2014. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

Het Hof vindt aanleiding de feiten zelfstandig vast te stellen.

2.1.

Belanghebbende is geboren op [geboortedatum].

2.2.

Op 14 december 1994 is naar Liechtensteins recht [naam 1] Stiftung (verder de Stichting) opgericht. De – in [plaats 1] (Liechtenstein) gevestigde - Stichting is op 9 juli 2009 ontbonden.

Feiten betreffende het vermogen van de Stichting

2.3.

In 1990, 1994 en 1998 zijn respectievelijk belanghebbendes vader, moeder en zuster overleden.

Belanghebbende is “de enige uiteindelijke gerechtigde” tot de Stichting (zie ook 2.24).

2.4.

Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof verklaard dat zijn ouders in de Tweede Wereldoorlog al hun bezittingen hadden verloren. Betreffende het vermogen van de Stichting heeft hij het Hof op 8 augustus 2014 onder meer geschreven (cursivering Hof):

“Zodra mijn ouders weer een beetje inkomsten genereerden zijn ze begonnen in het buitenland een spaarpotje (voor het geval vluchten nodig zou zijn vanwege een nieuwe jacht op joden) aan te leggen van hun netto inkomen. Mijn ouders en zuster zijn overleden in de jaren 90. Ik zat toen met de pot geld in mijn maag, niet wetend hoe daarmee om te gaan en met niemand daarover te durven spreken, heb ik daar niet meer aan willen denken. Tot ik in 2005 dringend geld nodig had in mijn poging [bedrijf 1] te redden. Ik droeg het geld over aan [naam 2] , als premie, onder de voorwaarden dat hij de bedrijven zou financieren [Hof: verder ook de ‘Overdracht’]. Toen was ik, naar ik dacht, gelukkig van mijn probleem af. Ik had mijn buitenlandse geld niet meer - ik had het namelijk afgedragen - en daardoor financiering aan m’n bedrijf gerealiseerd.”

2.5.

[naam 2] (verder [naam 2]) woont in [plaats 2], Georgië.

2.6.

Tot de gedingstukken behoort een handgeschreven notitie (verder ook de Notitie) met de volgende tekst (waarin [naam 2] staat voor [naam 2] en [naam 3] voor belanghebbende; cursivering Hof):

“[…] Datum: 10 juli 2005

Gesproken met:

Betreft: afspraak [naam 2] / [naam 3]
Voor als er een boom oversteekt.

We hebben afgesproken dat aan jou wordt overgedragen alle buitenlandse “familietegoeden” ter grote van ongeveer 1 miljoen Euro.

Jij zult, wanneer gewenst, de [bedrijf 1] financieren tot een maximum van 2 miljoen Euro.

De kosten van deze financiering zijn 15% IRR zoals in Georgië gebruikelijk is.

Deze afspraak geldt ook voor onze erfgenamen.

[naam 3] [naam 2] ”

De Notitie is ondertekend door [naam 2] en belanghebbende.

2.7.

Tijdens het in de bezwaarfase op 14 april 2011 gehouden hoorgesprek is door de gemachtigde opgemerkt:


“In 2005 verkeerde de ondernemingen van belanghebbende in “zwaar weer”. Hij zocht naar mogelijkheden om met het geld van de [Stichting] de problemen in de ondernemingen op te lossen zonder de Belastingdienst te hoeven informeren. Daartoe heeft hij, volgens zijn woorden, in 2005 afscheid genomen van het vermogen in de [Stichting]. Dit geld is overgedragen aan een goede vriend […] [naam 2].”

2.8.

In het onder 2.4 geciteerde schrijven van 8 augustus 2014 van belanghebbende staat tevens:

“In 1969 startte ik als student een hifi winkel onder de naam [bedrijf 1] hifi. In die tijd bestond er in Nederland nog geen hifi verkooppunt. De studie stopte en [bedrijf 1] groeide met ups en downs tot het in 2000/2001 met bijna 400 medewerkers op 10 locaties een omzet van bijna 100 miljoen Euro realiseerde. [bedrijf 1] was mijn leven en tot dan ook een succes.

Vanaf 2001/2002 begon een trend van dalende omzetten wat leidde tot een grote reorganisatie in 2003/2004 en ontslag - met sociaal plan - van 150 medewerkers. Dit kostte het bedrijf ongeveer 3 miljoen Euro en holde het bedrijfsvermogen uit. De omzet en marge bleven dalen.

De oorzaken waren grotendeels extern […].

In 2005 werd een “prepack” faillissement met doorstart uitgevoerd. [bedrijf 1] ging door met 150 medewerkers. De doorstart is mogelijk geworden door [bedrijf 1] te financieren met het liquide maken van de waardestijging van mijn privé onroerend goed (1,5 miljoen euro) alsmede door het aantrekken van bancaire en andere leningen. De doorstart was niet het succes waar ik op gehoopt had, maar als optimistische ondernemer hield ik vol. Door in 2007 nog meer privé hypotheek op te nemen (nog eens 1,5 miljoen euro), leningen van mijn vriendenkring en ondersteuning van de RABO bank, leek het tij nog te keren.”

2.9.

Het vermogen van de Stichting - dat bestond uit een bij de in [plaats 1] (Liechtenstein) gevestigde bank [naam 4]Treuhand AG aangehouden ‘bankrekening met effectendepot’ (verder de [naam 4]-rekening) - bedroeg:

TABEL 1

Vermogen

- 31 december 2004

€ 1.101.756

- 31 december 2005

€ 963.188

- 31 december 2006

€ 641.819

- 31 december 2007

€ 612.979

- 31 december 2008

€ 14.763


2.10. Aan de [naam 4]-rekening zijn de volgende bedragen onttrokken:

TABEL 2

2005

€ 248.492

2006

€ 354.115

2007

€ 48.527

2008

€ 540.912

Totaal

€ 1.192.046

2.11.

Van de in 2.10 vermelde onttrekkingen is € 1.062.850 (via tussenboekingen) conform de onderstaande tabel aan [naam 2] (zie 2.4 - 2.8) overgemaakt:

Tabel 3

Valuta

(afgerond op € 25)

Op basis van
historische koers

- op 22 december 2005

$ 249.975

€ 211.291

- op 12 april 2006

$ 424.975

€ 351.559

- op 29 april 2008

€ 500.000

€ 500.000

Totaal

€ 1.062.850

[naam 2] heeft deze bedragen ontvangen op een bij de in Georgië gevestigde [naam 5]-Bank aangehouden bankrekening.

2.12.

Volgens de gemachtigde is er ‘onder auspiciën’ van [naam 2] voor € 2.300.000 aan de bedrijven van belanghebbende geleend. Op 23 februari 2011 schrijft hij hierover aan de inspecteur (cursivering Hof):

“In 2005 ging er […] naar [[naam 2] …] € 1.050.000 […] Het bovenstaande zou dus betekenen dat er aan zekerheid € 1.050.000,- naar [[naam 2]] is gegaan.
Onder auspiciën van […] [naam 2] en onder dekking van deze gelden zijn aan […] bedrijven van [belanghebbende] in totaal voor € 2.300.000,- aan leningen verstrekt, te weten:

  1. een lening van € 1.200.000,- op 25 oktober 2007 aan [bedrijf 2] BV.
    Deze lening werd […] verstrekt door [bedrijf 3], een maatschappij van [[naam 2]], [bedrijf 4] BV […] en door [bedrijf 5] BV […] en wel ieder voor 1/3 deel oftewel ieder voor € 400.000,-. Voor de lening staat [belanghebbende ….] borg […]

  2. een lening van € 600.000,- op 25 oktober 2007 aan Elementry Consultancy Amsterdam BV. […]

  3. Een lening van […] [naam 2] privé van € 500.000,- in mei 2008 (dat bedrag komt overeen met de opname van de [Stichtings]rekening in dat jaar) aan [bedrijf 1].”

De vennootschappen die blijkens de akten geld geleend hebben, behoren tot de [bedrijf 1]-groep (zie 2.6).

Tot de bijlagen bij dit schrijven behoren onder andere twee akten, waarvan de ene betrekking heeft op de ‘leningen’ onder 1 en 2 en de ander op de ‘lening’ onder 3. In geen van de akten wordt gerefereerd aan de overeenkomst waarbij de ‘Overdracht(en)’ geregeld is/zijn (zie 2.4 e.v.). De onder 3 vermelde akte is gedagtekend op 7 mei 2008.

2.13.

Belanghebbende heeft als aanvulling op zijn hoger beroepschriften bij brief van 6 mei 2013 een met [naam 2] gesloten vaststellingsovereenkomst, gedagtekend 19 april 2013, ingebracht (verder de Vaststellingsovereenkomst). De Vaststellingsovereenkomst (waarin partij A staat voor belanghebbende en partij B voor [naam 2]) luidt - voor zover hier van belang - als volgt (cursivering Hof):

“Partijen verklaren dat de volgende feiten zich hebben voorgedaan en als zodanig tussen partijen gelden: […]

  • -

    Partij A heeft nimmer aanspraak willen maken op (een) uitkering(en) uit het vermogen van de [Stichting]. Derhalve heeft partij A besloten om afstand te doen van zijn aanspraak/gerechtigdheid tot het vermogen van de [Stichting]. Echter, gezien het feit dat de bedrijven (lees: “de [bedrijf 1] Groep”) van partij A mogelijkerwijs behoefte zouden hebben aan financiering in de toekomst, heeft partij A gezocht naar een mogelijkheid om afstand te doen van zijn aanspraak/gerechtigdheid tot het vermogen van de [Stichting], maar deze toch op enigerlei wijze aan te kunnen wenden voor de financiering van zijn bedrijven indien daar behoefte toe zou bestaan. Derhalve is bij partij A het voornemen ontstaan om afstand te doen van de voornoemde aanspraak ten behoeve van een derde, onder de voorwaarde dat deze derde de bedrijven van partij A zou gaan financieren indien hier behoefte toe zou bestaan. Het voorgaande betreft in feite een betaalde borgstellingsprovisie/vergoeding.

  • -

    Partijen zijn begin 2005 overeengekomen dat partij A alle tegoeden van de [Stichting] ter beschikking zal stellen aan partij B als borgstellingsprovisie/vergoeding voor het geval de bedrijven van partij A behoefte hebben aan financiering.

  • -

    Partijen zijn overeengekomen dat de bovenstaande afspraken tevens zullen gelden ten aanzien van hun erfgenamen.

  • -

    Partijen hebben de bovenstaande afspraken op 10 juli 2005 geformaliseerd in [de Notitie …]

  • -

    Per saldo is in de jaren 2005 tot en met 2008 ongeveer € 1.050.000 van het vermogen van de [Stichting] overgegaan naar partij B als zekerheid voor het geval de bedrijven van partij A behoefte zouden hebben aan financiering.

  • -

    Onder auspiciën van partij B en onder dekking van de voornoemde gelden zijn aan de bedrijven van partij A in totaal voor € 2.300.000 aan leningen verstrekt.”

Feiten betreffende de onderzoek- , aanslagregelende- en bezwaarfase

2.14.

Tot de gedingstukken behoort een proces-verbaal van [verbalisant], opsporingsambtenaar Belastingdienst/FIOD-ECD, tevens hulpofficier van justitie, opgemaakt op 24 november 2008. Daarin staat - voor zover hier van belang - het volgende:

Aanleiding onderzoek

Naar aanleiding van aandacht in de media inzake belastingplichtigen die gebruik c.q. misbruik zouden maken van Liechtensteinse stiftungen heeft de heer [naam 6], medewerker van team Internationaal van de FIOD-ECD te Amsterdam, contact opgenomen met de Duitse fiscale autoriteiten. Bij dit contact heeft de heer [naam 6] aangegeven dat de Nederlandse autoriteiten belangstelling zouden hebben voor gegevens betreffende nederlands ingezetenen, indien en voorzover de Duitse autoriteiten over dergelijke gegevens zouden beschikken. Naar aanleiding hiervan werd de heer van Baarle uitgenodigd om in Bonn de gegevens uit handen van de Duitse autoriteiten te ontvangen.”

2.15.

Op 26 mei 2008 heeft een medewerker van de Bundeszentralamt für Steuern te Bonn aan de Belastingdienst/FIOD-ECD een brief overhandigd met als bijlage een ordner met gegevens van Nederlandse belastingplichtigen. De brief, gedateerd 26 mei 2008, vermeldde in de kop:

“Auskunftsaustausch nach unserem Doppelbesteuerungsabkommen und der Richtlinie des Rates der Europäischen Gemeinschaften Nr. 77/799/ EWG (EG-Amtshilfe-Richtlinie) - div. Steuerpflichtige.”

2.16.

In de hiervoor bedoelde ordner bevonden zich verschillende stukken (verder de Renseignementen), waaronder een document, gedateerd 28 oktober 1994, waarin, voor zover hier van belang, het volgende staat:

“BANK [naam 4]Zürich […]

Vertragspartner [naam 1] Stiftung […] [plaats 1]

Feststellung des wirtschaftlich Berechtigten […]

[naam 3] [belanghebbende] […]

[adres].”

2.17.

Door de FIOD-ECD is op 2 december 2008 de uit Duitsland verkregen informatie verstrekt aan de Belastingdienst en vervolgens is binnen de Belastingdienst de projectgroep APV (Afgezonderde Particuliere Vermogens) van start gegaan. Op 8 juni 2009 is een startbijeenkomst gehouden, waarbij de ontvangen gegevens van de Nederlandse belastingplichtigen aan de competente belastingdienstkantoren zijn verstrekt.

2.18.

Belanghebbende is bij brief van 22 juni 2009 op de hoogte gesteld dat hij door de inspecteur als betrokkene is geïdentificeerd bij de Stichting.

2.19.

De inspecteur heeft de gemachtigde bij brief van 8 oktober 2010 op de hoogte gesteld van het voornemen om de in onder 1.1.1, 1.2.1, 1.3.1 en 1.4.1 genoemde (navorderings)aanslagen en boetebeschikkingen op te leggen. De brief vermeldt onder meer het volgende:

1. Feiten

Verloop informatievergaring

Op 22 juni 2009 heeft de inspecteur een brief aan belanghebbende gezonden. In deze brief geeft hij aan te beschikken over stukken waaruit blijkt dat de belanghebbende betrokken is (geweest) bij een in het buitenland gevestigd doelvermogen, een in Liechtenstein gevestigde Stiftung of Anstalt. De inspecteur verzoekt belanghebbende binnen zes weken te reageren op de in de brief gestelde vragen. Hij wijst op de informatieplicht.

Op 21 juli 2009 stuurt u een antwoord namens belanghebbende. U geeft aan dat belanghebbende niet betrokken is bij [de Stichting] en derhalve de vragen niet kan beantwoorden. Het enige dat belanghebbende volgens uw brief weet is dat een Stiftung hem heeft benaderd namens zijn in 1998 overleden zuster met de vraag wie er naast hem “gerechtigden” moesten worden. Uw cliënt heeft de naam van zijn ex en zijn zoon opgegeven. U geeft aan dat de belanghebbende gaarne nadere informatie omtrent de Stiftung ontvangen, zodat daar mee in contact kan worden getreden.

De inspecteur reageert schriftelijk op 10 september 2009. Hij geeft aan dat de belanghebbende blijkens de in de vorige alinea genoemde brief er weet van heeft dat er een Stiftung in Liechtenstein bestaat waarvan hij gerechtigde is. Voorts geeft de inspecteur aan dat het om de de [Stichting] gaat. Nogmaals wijst de inspecteur op de informatieplicht en verzoekt om voor 7 oktober 2009 te reageren.

U reageert met een brief gedateerd 15 september 2009 waarin u aangeeft aan de belanghebbende de brief van 10 september 2009 van de inspecteur te hebben doorgezonden. In de bijgevoegde brief aan belanghebbende geeft u aan dat het u verstandig lijkt op korte termijn de [Stichting] aan te schrijven dan wel te benaderen.

U stuurt een brief gedateerd 8 oktober 2009 met een kopie van een brief van 7 oktober 2009 van de belanghebbende aan de [Stichting] met vragen.

Het antwoord aan belanghebbende op de gestelde vragen komt van [naam 7] Treuhand AG, gedateerd 2 november 2009, gevestigd op het eerder genoemde postadres. Het antwoord luidt dat zij niet in een positie zijn om de belanghebbende van documenten dan wel informatie te voorzien. Dit omdat: “we do actually not provide any board member and/or representative functions to a foundation called [de Stichting]”.

Het antwoord stuurt u als bijlage bij uw brief van 24 november 2009. In deze brief verwijst u naar een eerder telefoongesprek met de inspecteur en u geeft aan dat u het eens bent dat de woorden “do not actually” voor tweeërlei uitleg vatbaar zijn, men heeft de genoemde functies nimmer verricht of wel in het verleden, maar nu niet meer.

Gedateerd 23 december 2009 ontvangt de inspecteur van u een brief met als bijlage een brief van de belanghebbende van 17 december 2009 waarin hij aan [naam 7] Treuhand AG vraagt of “actually” moet worden opgevat als “factually”.

De [naam 7] Treuhand AG stuurt met dagtekening van 7 januari 2010 aan belanghebbende een brief waarin de hierboven al aangehaalde tekst wordt herhaald met het woord “factually”. U stuurt dit mee als bijlage bij uw brief van 21 januari 2010 aan de inspecteur en u sluit af met de vraag: “Wat nu?”.

De inspecteur stuurt u op 28 januari 2010 een brief waarin hij aangeeft dat [naam 7] Treuhand AG of een van haar rechtsvoorgangers Treuhand geweest is van de [Stichting]. En dat zij in ieder geval zou moeten kunnen aangeven wanneer haar rol is beëindigd en wie haar opvolger is. Voorts geeft hij de adressen van [naam 4]Treuhand AG, een mogelijke Treuhand van de [Stichting] en VTC Corporate Services, één van de leden van de Stiftungsrät.

In uw brief van 1 februari 2010 geeft u aan dat het woord “factually” volgens u inhoudt dat [naam 7] Treuhand AG nimmer Treuhand is geweest en derhalve geen informatie kan verschaffen. De twee andere adressen heeft u door middel van een kopie van de brief van de inspecteur aan de belanghebbende doen toekomen met het verzoek informatie aldaar op te vragen.

Gedateerd 15 februari 2010 stuurt u de inspecteur een brief met daarachter kopieën van de brieven die belanghebbende aan de twee hierboven genoemde adressen heeft gezonden.

Op 9 maart 2010 stuurt de inspecteur u een brief met het verzoek te reageren omdat de aanslagtermijnen beginnen te dringen en u ruimschoots de gelegenheid heeft gekregen om de reeds per 22 juni 2009 gevraagde informatie aan te leveren. Hij stelt u nog éénmaal in de gelegenheid te reageren vóór 15 april 2010 omdat hij anders genoodzaakt is de aanslagen naar eigen inzicht en met een beroep op omkering van de bewijslast vast te stellen.

In uw reactie hierop van 31 maart 2010 geeft u aan dat u een reminder heeft gestuurd aan de belanghebbende. U geeft aan dat belanghebbende steeds heeft gedaan wat u vraagt maar ook geen ijzer met handen kan breken. U vindt omkering van de bewijslast niet de geëigende weg.

Omdat nog steeds geen informatie was verstrekt heeft de inspecteur u op 27 april 2010 telefonisch benaderd.

Hij heeft daarin gemeld dat hij verdere stappen in dit dossier wil gaan zetten. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij linksom of rechtsom de gevraagde informatie wil hebben. Hij heeft u daartoe ook gewezen op de optie van de mogelijkheid tot een kort geding. Alvorens tot het overgaan van formele stappen heeft hij zeer sterk aangedrongen op een bespreking waarbij ook belanghebbende aanwezig zou zijn om hem ervan te doordringen van de ernst van de situatie.

Deze bespreking was in eerste instantie gepland op 17 of 18 mei 2010. Uiteindelijk konden u en belanghebbende pas op 9 juni 2010.

Op 9 juni 2010 heeft deze bespreking plaatsgevonden. Aanwezig daarbij waren belanghebbende en uw persoon als zijn gemachtigde en van de kant van de Belastingdienst [inspecteur 1] en ondergetekenden.

Op 24 juni 2010 stuurt u de inspecteur een schrijven met als bijlage een kopie van een intern memo gericht aan de notaris van uw kantoor en een kopie van een mail van de belanghebbende aan u met als bijlage een brief van [naam 8], Rechtsanwalt te [plaats 3] (Liechtenstein). In de brief geeft [naam 8] aan dat hij de advocaat is van [naam 4]Treuhand en meldt verder dat de Foundation “has been legally wound up July 8, 2009, due to lack of assets”. Voorts geeft hij aan dat de belanghebbende als “beneficiairy of [de Stichting]” gerechtigd is tot deze informatie. De advocaat stelt dat de brief van belanghebbende van 7 oktober 2009 naar zijn mening volledig is beantwoord. In het intern memo vraagt u of de notaris de belanghebbende in deze casus nog van dienst kan zijn.

De inspecteur heeft u op 30 juni 2010 nogmaals schriftelijk verzocht informatie te verstrekken. Hij geeft in dit schrijven aan dat uw antwoord dat de [Stichting] per 8 juli 2009 is ontbonden onvoldoende informatie is om het dossier te sluiten. Daarnaast geeft hij uitgebreid aan welke informatie hij wil en de mogelijkheden die belanghebbende op grond van het Liechtensteinse recht heeft om deze informatie eventueel juridisch af te dwingen. Hij sluit af met het stellen van een termijn (vóór 1 augustus 2010) voor de beantwoording van de vragen en wijst (wederom) op de gevolgen van het niet of onvolledig verstrekken van informatie (omkering van de bewijslast). Ook wijst hij nogmaals op het mogelijk instellen van een kort geding als de gevraagde informatie niet wordt verstrekt.

Op 5 juli 2010 bedankt u de inspecteur in uw schrijven voor zijn brief van 30 juni 2010. U geeft aan de brief direct te hebben doorgezonden naar de belanghebbende. Tevens verzoekt u om kopieën van de artikelen van het Liechtensteinse recht waar de inspecteur naar verwijst.

Op 8 juli 2010 heeft de inspecteur u gebeld naar aanleiding van uw verzoek om kopieën van de artikelen van het Liechtensteinse recht. Hij heeft aangegeven dat de heer [inspecteur 2] op vakantie is en dat hij niet binnen een redelijk tijdsbestek toegang tot de genoemde artikelen kan krijgen. U dient ofwel zelf de artikelen op te zoeken of te vertrouwen op het feit dat de door de heer [inspecteur 2] aangehaalde artikelen en de daaruit voortvloeiende rechten op informatie kloppen. Hij heeft u aangegeven dat u naar zijn mening voldoende informatie heeft om verder te kunnen en dat de reactiedatum nog steeds 1 augustus 2010 is.

Op 9 juli 2010 stuurt u een brief waarin u reageert op het telefoongesprek uit de vorige alinea. U geeft aan dat u het jammer vind dat de inspecteur niet de door u gevraagde kopieën van het Liechtensteinse recht verschaft, waar de inspecteur naar verwezen heeft. De advocaat van [naam 4]Treuhand heeft tot op dat moment geweigerd meer informatie te verschaffen dan dat de Foundation “has been legally up July 8, 2009”. Dat zou de informatie zijn waartoe de belanghebbende als ‘beneficiairy” toe gerechtigd zou zijn en niet meer. De brief geeft volgens u aan dat dit alle informatie is waarop de belanghebbende recht heeft en niet meer dan dat. Enige Juridische onderbouwing van deze stelling wordt door de advocaat van [naam 4]Treuhand noch door u gegeven.

Op 19 juli 2010 zond u een schrijven waarin u opmerkt dat de pogingen die de belanghebbende zou ondernemen om mogelijke aanwijzingen met betrekking tot de [Stichting] uit andere hoofde te ontdekken tot niets hebben geleid. U stuurt een kopie van een e-mail van de belanghebbende aan u mee waarin wordt aangegeven dat navraag bij zijn fiscaliste leert dat zij geen bemoeienis heeft gehad met [naam 9] (de eind 1998 overleden zuster van belanghebbende) en dat aangifte gerelateerde gegevens 7 jaar na het definitief worden van de aangifte vernietigd worden, zodat er geen stukken meer zijn.

Belanghebbende heeft voorts bij zichzelf gekeken en ook niets meer aangetroffen. Uit een bijgevoegde kopie van een memo van uw notariaat blijkt dat zij geen archiefstukken bezitten met betrekking tot de nalatenschappen van de ouders van de belanghebbende. Er is wel een verklaring van erfrecht uit 1998 met betrekking tot het overlijden van de zuster van de belanghebbende. U geeft ook aan dat de belanghebbende zal afreizen naar Liechtenstein om daar informatie te vergaren.

Op 5 augustus 2010 heeft onze collega, [inspecteur 1], met u telefonisch contact gehad omdat de gevraagde informatie nog steeds niet is verstrekt. In dit telefoongesprek gaf u aan dat er een conceptbrief gereed lag van de belanghebbende aan de Treuhand om de benodigde gegevens op te vragen. De inspecteur heeft u verzocht een kopie van deze brief te zenden. U heeft dezelfde dag tevens een schrijven gestuurd met een kopie van een e-mail van de belanghebbende aan u met daarin een weergave van het bezoek van de belanghebbende aan Liechtenstein. In deze mail staat dat de belanghebbende in [plaats 1] heeft gesproken met de heer Muller. Deze gaf aan weinig meer te kunnen melden, maar dat de belanghebbende een schriftelijk verzoek om nadere informatie kon sturen.

Op 10 augustus 2010 stuurt u de inspecteur een afschrift van een brief met dagtekening 29 juli 2010 die de belanghebbende heeft verzonden aan de heer [naam 8] in [plaats 3], Liechtenstein. In deze brief geeft de belanghebbende aan welke gegevens hij nodig heeft.

Op 24 augustus 2010 stuurt u nogmaals een kopie van de brief van 29 juli 2010.

Op 22 september 2010 heeft u telefonisch overleg gehad met de inspecteur. In dat gesprek heeft hij u aangegeven dat op zijn eerste vragenbrief van 22 juni 2009 nog steeds geen adequate reactie is gekomen en dat hij nu voornemens is verdere stappen te gaan zetten. In dat telefoongesprek heeft hij aangegeven dat hij uiterlijk woensdag 30 september 2010 de gevraagde informatie volledig wil hebben.

Op 23 september 2010 heeft u de inspecteur een fax gestuurd waarin u aangeeft dat de belanghebbende aan u heeft toegezegd dat hij deze week de trustee nog zou gaan rappelleren waar het antwoord op zijn brief aan blijft.

Op 24 september 2010 heeft de inspecteur u een fax gezonden waarin hij uitdrukkelijk heeft aangegeven dat de reacties van de belanghebbende niet langer volstaan. Hij geeft aan dat gezien de inmiddels verstreken tijd, meer dan 15 maanden, waarin de belanghebbende de informatie had kunnen verkrijgen, het enkel rappelleren van de heer [naam 8] om een antwoord onvoldoende is. Hij geeft nogmaals aan dat uiterlijk 30 september 2010 de gevraagde informatie volledig verstrekt dient te zijn. De inspecteur geeft tevens aan dat het trage verloop van de informatieverstrekking geheel aan de belanghebbende is te wijten. Ook wijst hij nogmaals op de verplichting van artikel 47 Algemene wet rijksbelastingen (AWR) de gevraagde informatie te verstrekken en bij het niet nakomen van deze verplichting het gevolg van omkering en verzwaring van de bewijslast in de bezwaar- en beroepsfase.

Op 5 oktober 2010 stuurt u een brief waarin u aangeeft dat de belanghebbende op 4 oktober 2010 heeft gesproken met de advocaat van de bank. Hij heeft vorige week getracht vrijwel elke dag getracht te bellen. Hij heeft medegedeeld gekregen dat gisteren (4 oktober 2010) dan wel vandaag (5 oktober 2010) een antwoord op zijn brief wordt gestuurd. De belanghebbende weet niet wat er in staat, maar u doet ons de brief toekomen zodra deze is ontvangen.”

2.20.

Op 19 oktober 2010 stuurt belanghebbende een brief aan de inspecteur waarin hij onder meer vermeldt dat hij inmiddels een reactie uit Liechtenstein heeft ontvangen. De reactie betreft een brief van 4 oktober 2010 van [naam 8], advocaat in Liechtenstein. Deze geeft aan dat de Stichting opgericht werd door [naam 10] Treuhand AG en dat bij de oprichting CHF 100.000 is gestort. Hij vermeldt verder dat [naam 4]Treuhand AG de rekeningen van [naam 8] in verband met verzoeken van belanghebbende niet meer wil betalen.

2.21.

Naar aanleiding van deze brief heeft de inspecteur belanghebbende uitgenodigd voor een gesprek op 17 november 2010. De inspecteur heeft in dat gesprek aangegeven te overwegen een kort geding te zullen starten om onder last van een dwangsom de benodigde informatie af te dwingen. Op 23 november 2010 ontvangt de inspecteur een bericht per fax van de gemachtigde van belanghebbende. Daarin vermeldt de gemachtigde onder meer dat belanghebbende hem heeft medegedeeld dat hij van zijn ouders en zijn zuster geld heeft geërfd. Dit geld is op de rekening van de stichting terechtgekomen. Alleen in de jaren 2005 tot en met 2008 is door de belanghebbende beschikt over deze gelden door deze te gebruiken als dekking voor het verstrekken van leningen aan de in financiële problemen verkerende bedrijven van belanghebbende. De leningen zijn door een in het buitenland wonende vriend (en relaties daarvan) van belanghebbende verstrekt. De vriend is er de nodige tonnen bij ingeschoten. Het komt er op neer dat de gelden er niet meer zijn, tenzij de vriend uit coulance overwegingen nog wat vrij geeft.

2.22.

Bij brief van 2 december 2010 stuurt belanghebbende aan de inspecteur een groot aantal documenten betreffende de [naam 4]-rekening, alsmede berekeningen van het vermogen van, respectievelijk het dividend en de rente-inkomsten op die rekening.

Volgens deze gegevens bedroeg het - aan belanghebbende toerekenbare - inkomen van de Stichting over 1998 € 4.943 en het Stichtingsvermogen per 31 december 1999 € 1.055.523. Ook de vermogens zoals weergegeven in Tabel 1 (zie 2.9) zijn gebaseerd op deze gegevens.

2.23.

De inspecteur achtte aannemelijk dat de Stichting over meer vermogen beschikte dan volgde uit de onder 2.22 vermelde gegevens. Om die reden heeft hij ter behoud van rechten, met dagtekening 15 december 2010, de onder 1.1.1, 1.2.1, 1.3.1 en 1.4.1 genoemde (navorderings)aanslagen en beschikkingen opgelegd.

2.24.

Op 28 juni 2011 heeft belanghebbende een verklaring ondertekend welke luidt:

“De Belastingdienst en [belanghebbende] stellen gezamenlijk vast dat [belanghebbende] de enige uiteindelijk gerechtigde (‘wirtschaftlicht berechtigde Person’) is van de [Stichting]. […]

In geschil is wat tot het vermogen behoort van de [Stichting] en wat de hoogte van dit vermogen is over de jaren 1998 tot en met heden. Ter beëindiging van hetgeen de Belastingdienst en [belanghebbende] inzake de informatieverstrekking door [belanghebbende] verdeeld houdt verklaart [belanghebbende] door ondertekening van deze verklaring het volgende:

Hierbij verklaar ik dat

  • -

    ik alle gegevens waarover ik beschikte of waarover ik kon beschikken betrekking hebbend op de [Stichting] heb verstrekt aan de Belastingdienst;

  • -

    tot het vermogen van [de Stichting] alleen behoort de bankrekening met effectendepot op naam van de [Stichting] aangehouden bij de [naam 4]Bank te Zwitserland, zoals opgenomen in de stukken die ik heb verstrekt aan de Belastingdienst [Hof zie 2.21];

  • -

    de [Stichting] niet beschikt over andere vermogensbestanddelen dan vorenvermelde bankrekening;

  • -

    ik niet beschik over enig ander buitenlands vermogen in welke zin dan ook.dat ik geen beroep zal [doen] op het verstrijken van de navorderingstermijn van 12 jaar […] in het geval de inspecteur op enig moment de beschikking verkrijgt over gegevens en inlichtingen waaruit volgt dat hetgeen onder de vorige punten vermeld, onjuist is. Hiermee behoudt de inspecteur het recht navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en vermogensbelasting op te leggen vanaf het jaar 1998.”

2.25.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur - op basis van de onder 2.22 vermelde gegevens - het belastbaar inkomen over 1998 en het belastbaar vermogen per 1 januari 1999, alsmede de belastbare inkomens uit sparen en beleggen over 2005 en 2006 berekend.

3 De uitspraak van de rechtbank

De rechtbank heeft de beroepen van belanghebbende ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen:

“Vooraf

4.1.

Tussen partijen is niet langer in geschil dat het beroep van eiser in de zaak 11/6624 ontvankelijk is. De rechtbank acht dit standpunt juist.

Termijnen voor de aanslagen

4.2.1.

Eiser heeft in de zaken 11/6549 en 11/6550 gesteld dat de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, van de AWR in strijd is met het EG-verdrag. Naar aanleiding van prejudiciële vragen hierover van de Hoge Raad, heeft het Hof van Justitie van de EG op 11 juni 2009 arrest gewezen (Hof van Justitie van de EG, 11 juni 2009, C-155/08 en C 157-08, onder ander gepubliceerd in V-N 2009/29.6). In rechtsoverwegingen 69, 70 en 76 is het volgende overwogen:

(…) “69. Aangaande het argument dat de navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR willekeurig zou zijn vastgesteld op twaalf jaar, dient te worden vastgesteld dat, voor zover deze termijn wordt verlengd bij verzwijging van belastbare bestanddelen van de fiscus, de keuze van een lidstaat om deze termijn in de tijd te beperken en deze beperking te koppelen aan de termijn voor het instellen van een strafvervolging voor het misdrijf van belastingfraude niet onevenredig lijkt.

70. In deze omstandigheden reikt toepassing van een verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar op voor de fiscus verzwegen belastbare bestanddelen niet verder dan noodzakelijk is om de doeltreffendheid van fiscale controles te waarborgen en om belastingfraude te bestrijden. (…)

76. Uit het een en ander volgt dat de artikelen 49 EG en 56 EG aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet ertegen verzetten dat, wanneer voor de belastingautoriteiten van een lidstaat spaartegoeden en inkomsten uit deze tegoeden zijn verzwegen en deze autoriteiten geen aanwijzingen over het bestaan ervan hebben op basis waarvan zij een onderzoek kunnen instellen, deze lidstaat een langere navorderingstermijn toepast wanneer deze tegoeden in een andere lidstaat zijn aangehouden dan wanneer zij eerstgenoemde lidstaat zijn aangehouden. De omstandigheid dat deze andere lidstaat het bankgeheim kent, is in dit opzicht geen van belang.” (…)

4.2.2.

Naar aanleiding van voornoemd arrest van het Hof van Justitie van de EG, heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 26 februari 2010, nrs. 43050bis en 43670bis, onder andere gepubliceerd in V-N 2010/13.7 en 13.8, regels geformuleerd, die in verband met het door het Hof van Justitie van de EG genoemde evenredigheidsbeginsel in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met gebruikmaking van de termijn van artikel 16, lid 4, van de AWR, op een tijdstip waarop de ten aanzien van binnenlandse tegoeden geldende vijfjaarstermijn van artikel 16, lid 3, van de AWR is verstreken. Op grond van deze regels moet, na het verkrijgen van aanwijzingen van het bestaan van in het buitenland aangehouden spaartegoeden, het tijdsverloop worden aanvaard dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met (i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens (ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een aanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan. Dit heeft ook te gelden indien de bedoelde aanwijzingen zijn verkregen voor afloop van de termijn die geldt voor navordering met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in de eigen staat. Deze regels gelden eveneens indien het gaat om aanwijzingen van het bestaan van in een andere lidstaat opgekomen inkomsten die niet voortvloeien uit spaartegoeden.

4.2.3.

Verweerder stelt dat voornoemde jurisprudentie in de onderhavige zaak niet van toepassing is omdat het hier gaat om tegoeden van een Stiftung in Zwitserland. Dit betreft weliswaar een zogenaamd derde land en de vrijheid van kapitaalverkeer geldt op grond van artikel 56 EG (thans artikel 63 EU-verdrag) ook met betrekking tot derde landen, maar de standstill-bepaling van artikel 57 EG (thans artikel 64 EU-verdrag) vormt daarop een uitzondering voor op 31 december 1993 volgens het nationale recht bestaande wettelijke belemmeringen. Het vierde lid van artikel 16 van de AWR, waarin de verlengde navorderingstermijn is opgenomen, is ingevoerd bij de Wet van 22 mei 1991, Stb. 1991, 264. Hieruit volgt dat sprake is van een op 31 december 1993 bestaande belemmering. Artikel 56 EG staat daarom niet aan toepassing van de verlengde navorderingstermijn in de weg. Hetgeen voorts betekent dat het ‘voortvarendheidscriterium’ niet van toepassing is, zo vervolgt verweerder.

4.2.4.

De rechtbank verwerpt deze stelling van verweerder. Ter zake van het aanhouden van banktegoeden is (in ieder geval) artikel 56 EG toepasselijk, welke bepaling mede betrekking heeft op derde landen. Nu het aanhouden van een banktegoed naar het oordeel van de rechtbank voorts niet is aan te merken als kapitaalverkeer in verband met directe investeringen - met inbegrip van onroerende goederen -, vestiging, het verrichten van financiële diensten of toelating van waardepapieren tot de kapitaalmarkten (artikel 57, lid 1, EG), geldt dat eiser zich inderdaad kan beroepen op artikel 56 EG en derhalve op voormelde jurisprudentie.

4.2.5.

De rechtbank verwerpt de stelling van eiser dat verweerder onvoldoende voortvarend is geweest na het ontvangen van de gegevens van de Duitse autoriteiten bij brief 26 mei 2008. Eiser is bij brief van 22 juni 2009 op de hoogte gesteld dat hij door verweerder als betrokkene bij een in Liechtenstein gevestigde Stiftung is geïdentificeerd. Vast staat dat binnen de belastingdienst eerst een projectgroep APV is ingesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is voor het opstarten van een projectgroep, het opstellen van een plan van aanpak, het veredelen van de gegevens en het identificeren van de personen die op de documenten uit Duitsland waren vermeld, het voormelde tijdsverloop noodzakelijk en niet onredelijk. Ook het tijdsverloop tussen de eerste (vragen)brief aan eiser van 22 juni 2009 en 15 december 2010, de dagtekening van de aanslagen, acht de rechtbank niet onevenredig lang, mede gezien de veelvuldige contacten tussen verweerder en eiser in die periode ten behoeve van het verkrijgen door verweerder van de inlichtingen die nodig waren voor het bepalen van de verschuldigde belasting en gezien de houding van eiser die veelal geen informatie verstrekte, dan wel soms pas na vele aanmaningen van verweerder en dan ook vaak nog mondjesmaat. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat verweerder de navorderingsaanslagen met redelijke voortvarendheid heeft voorbereid en opgelegd.

Hoogte van de aanslagen

4.3.1.

Verweerder heeft eiser in de zaken 11/6548 en 11/6624 verzocht gegevens te verstrekken omtrent zijn betrokkenheid bij een in het buitenland gevestigd doelvermogen. Eiser heeft hierover geen informatie aan verweerder verstrekt of stukken overgelegd, terwijl hij die redelijkerwijze wel kon verkrijgen. Derhalve heeft eiser niet voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting ingevolge artikel 47 van de AWR.

4.3.2.

Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat eiser op de hoogte was van het in het buitenland gevestigd doelvermogen. Aangezien eiser geen dan wel zeer mondjesmaat informatie heeft verstrekt, heeft hij niet voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 47 van de AWR. Op grond van artikel 27e, onderdeel b, van de AWR verklaart de rechtbank de beroepen dan ongegrond, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Dit betekent dat sprake is van een verschuiving en verzwaring van de bewijslast naar eiser. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser, gezien de gemotiveerde betwisting door verweerder, met de ontkenning dat de op de dagafschriften vermelde bedragen van € 248.492 in het jaar 2005 en € 345.115 in het jaar 2006 tot zijn vermogen behoorden, niet aangetoond dat de aanslagen te hoog zijn vastgesteld. Dat eiser de voornoemde bedragen aan [naam 2] heeft geleend, zoals hij heeft gesteld, heeft hij namelijk niet bewezen. De daartoe overgelegde verklaring met dagtekening 10 juli 2005 van [naam 2] en een bankafschrift waaruit volgens eiser blijkt dat hij een bedrag van € 500.000 via een zekere Schaap aan [naam 2] heeft overgemaakt, kan geenszins worden opgemaakt dat het gaat om een lening van eiser aan [naam 2]. Daarbij overweegt dat rechtbank bovendien dat zo al sprake zou zijn van een lening aan de heer [naam 2], deze lening ook tot de grondslag van het vermogen van eiser behoort. Veel van de door verweerder aan eiser gevraagde informatie, zoals de wijze waarop [naam 2] over het vermogen van de Stiftung kon beschikken, heeft eiser nooit verstrekt. Nu tussen partijen de op de bankafschriften vermelde begin- en eindstanden van het vermogen van eiser niet in geschil zijn, en de aanslagen (direct) zijn gebaseerd op deze standen, heeft verweerder het belastbare inkomen uit sparen en beleggen op redelijke wijze vastgesteld.

Heffingsrentes

4.4.

Eiser heeft in alle zaken de beroepen tegen de heffingsrentes ingevolge artikel 30f van de AWR niet afzonderlijk onderbouwd. Omdat de beroepsgronden tegen de aanslagen geen doel treffen, zullen de beroepen tegen de heffingsrentes eveneens ongegrond worden verklaard.

Boetes

4.5.1.

Verweerder heeft in de zaken 11/6548 tot en met 11/6650 bij het opleggen van de aanslagen vergrijpboetes opgelegd van 100%, met toepassing van respectievelijk artikel 67d van de AWR en paragrafen 25 en 26 van het Besluit Bestuurlijke Boeten 1998 (BBBB 1998) en artikel 67e van de AWR en paragrafen 25 en 27 van het BBBB 1998. De rechtbank stelt voorop dat het willens en wetens ontduiken van belasting door een behoorlijk doelvermogen in het buitenland op een bankrekening of anderszins aan te houden en zowel dat vermogen als de inkomsten daarvan te verzwijgen, een dermate ernstige gedraging vormt dat een strafverzwaring van de vergrijpboete tot 100% van de ontdoken belastingen vanwege ernstige en omvangrijke fraude, zoals bedoeld in paragraaf 8 van het BBBB 1998 in beginsel gerechtvaardigd is.

4.5.2.

De rechtbank acht aannemelijk dat eiser willens en wetens en met het vooropgezette doel van belastingontduiking doelvermogen in het buitenland heeft aangehouden en dat vele jaren voor verweerder heeft verzwegen. Het is dan aan opzet van eiser te wijten dat de aanslagen tot te lage bedragen zijn vastgesteld of anderszins te weinig belastingen zijn geheven. In dit geval zijn naar het oordeel van de rechtbank vergrijpboetes tot 100% van de ontdoken belasting passend en geboden.

4.5.3.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 18 januari 2008, nr. 41832, onder andere gepubliceerd in BNB 2008/165, beslist dat bij de beoordeling of de boete passend en geboden is, rekening dient te worden gehouden met de omstandigheid dat de verschuldigde belasting is vastgesteld met omkering van de bewijslast. Hoewel de onderhavige aanslagen zijn vastgesteld met verschuiving en verzwaring van de bewijslast naar eiser, is naar het oordeel van de rechtbank hier geen aanleiding voor matiging van de vergrijpboetes, nu de facto het vermogen steeds is bepaald aan de hand van de begin- en eindstanden op de door eisers overgelegde bankafschriften. Met andere woorden, ook als geen sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast aan de orde zouden zijn geweest, zouden de bedragen van de verschuldigde belasting en daarmee de hoogte van de boetes, gelijk zijn geweest aan de thans vastgestelde bedragen.

4.5.4.

De strafvervolging is naar het oordeel van de rechtbank aangevangen met de ontvangst door eiser van de brief van 26 november 2010. Aan deze kennisgeving heeft eiser redelijkerwijs de verwachting kunnen ontlenen dat de aanslagen met vergrijpboetes zullen worden opgelegd. Het tijdstip van 26 november 2010 en het tijdstip waarop de rechtbank uitspraak doet is binnen een periode van ongeveer twee jaren, zodat volgens de Hoge Raad in zijn arrest van 22 april 2005, nr. 37984, onder andere gepubliceerd in V-N 2005/22.6, geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

4.6.

Gelet op al het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.”

4 Geschil in hoger beroep en incidenteel hoger beroep

4.1.

In de door belanghebbende ingestelde hoger beroepen is in geschil:

Betreffende alle (navorderings)aanslagen

  1. Dienen de litigieuze (navorderings)aanslagen te worden vernietigd of verminderd wegens onrechtmatige verkrijging van de Renseignementen, dan wel

  2. wegens onrechtmatig gebruik van die gegevens?

Betreffende de navorderingsaanslagen IB 98 en VB 99 (enkelvoudige belasting)

3. Zijn deze navorderingsaanslagen met voldoende voortvarendheid vastgesteld?

Indien het Hof tot het oordeel komt dat de navorderingsaanslagen IB 98 en VB 99 voortvarend zijn vastgesteld, is de hoogte van de nagevorderde inkomstenbelasting en vermogensbelasting niet in geschil.

Betreffende de boeten ter zake van de navorderingsaanslagen IB 98 en VB 99

4. Dienen de boetebeschikkingen te worden vernietigd of de boeten te worden verminderd wegens onrechtmatige verkrijging van de Renseignementen?

5. Zijn de opgelegde boeten terecht en voor de juiste bedragen opgelegd?

6. Dienen de boeten te worden verminderd in verband met overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase?

Betreffende de aanslagen IB 2005 en IB 2006 (enkelvoudige belasting)

7. Zijn de litigieuze aanslagen op de juiste bedragen vastgesteld ?

Tot slot is nog in geschil:

8. Heeft belanghebbende recht op een zogenaamde integrale proceskostenvergoeding?

9. Heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding ?

4.2.

In de door de inspecteur ingestelde incidenteel hoger beroepen betreffende de navorderingsaanslagen IB 98 en VB 99 is in geschil:

10. Heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (verder EG-verdrag) van toepassing is?

5 Beoordeling van het geschil in hoger beroep en incidenteel hoger beroep

5.1.

Eerste geschilpunt (de bewijsvergaring door de inspecteur)

5.1.1.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur de Renseignementen op onrechtmatige wijze heeft verkregen en dat de navorderingsaanslagen IB 98 en VB 99 respectievelijk de primitieve aanslagen IB 2005 en IB 2006 om die reden dienen te worden vernietigd, respectievelijk dienen te worden verminderd. Belanghebbende betoogt:

“[…] dat sprake is geweest van een ‘fishing expedition’ […] dat absoluut geen sprake is geweest van het spontaan verstrekken van informatie door de Duitse autoriteiten maar van het verstrekken van informatie naar aanleiding van een voorafgaand verzoek van de Nederlandse autoriteiten. Aangezien het verzoek een algemeen geformuleerd verzoek is geweest, dient te worden geconcludeerd dat het verzoek in strijd is met:

  1. Richtlijn 77/799;

  2. OESO-Modelverdrag;

  3. WABB-verdrag;

  4. Besluit van 6 april 2006, nr. CPP2006/546M

Derhalve dient op basis van de bovenstaande grond te worden geconcludeerd dat sprake is van op onrechtmatige wijze verkregen informatie.

Voorts dient te worden geconcludeerd dat sprake is van op onrechtmatige wijze verkregen informatie op grond van strijd met artikel 23, lid 2 [Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied van 1959; verder het Verdrag]. Het voornoemde artikellid verbiedt immers het ter kennis brengen van gegevens aan personen en autoriteiten die betrokken zijn bij de vervolging van belastingfraude. Vast staat dat de informatie is verstrekt aan de FIOD-ECD.

Daarnaast is de verkregen informatie onrechtmatig gebruikt door deze ter kennis te brengen van personen die belast zijn met rechterlijke beslissingen in beroepszaken (lees: als bijlagen bij het verweerschrift ter kennis brengen aan rechtbank Noord-Holland). Dit wordt tevens verboden door artikel 23, lid 2 van [het Verdrag].

Belanghebbende is op grond van het bovenstaande primair van oordeel dat de inspecteur in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, door ter vaststelling en ter ondersteuning van de onderhavige aanslag van de onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen gebruik te maken.

Subsidiair is belanghebbende van oordeel dat de inspecteur de onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen niet had mogen gebruiken voor de vaststelling en ondersteuning van de onderhavige aanslag op grond van het feit dat de informatie is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.”(cursivering Hof, zie rechtsoverweging 5.1.21)

5.1.2.

Het Hof begrijpt dat belanghebbende tevens van mening is dat de bewijsvergaring van de inspecteur in strijd is “met artikel 51, lid 1, Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (2010/C 83/02, verder het Handvest) en meer in het bijzonder met het daarin vervatte verdedigingsbeginsel”. Belanghebbende betoogt dat indien een lidstaat om informatie verzoekt op basis van de Bijstandsrichtlijn “het recht van de Unie ten uitvoer [wordt gebracht]”.

Tot slot stelt belanghebbende dat de bewijsvergaring in strijd is met artikel 6 EVRM, omdat sprake is van een ‘fishing expedition’.

5.1.3.

De inspecteur bestrijdt het betoog van belanghebbende en stelt dat sprake is van spontane gegevensuitwisseling als bedoeld in artikel 4 van de richtlijn van de Raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen, bepaalde accijnzen en heffingen op verzekeringspremies (77/799/CEE) (PB L 336 van 27.12.1977, blz. 15), tekst vanaf 2004, (hierna: de Bijstandsrichtlijn) en niet van een verzoek zoals belanghebbende betoogt. Een medewerker van de FIOD-ECD heeft enkel naar aanleiding van berichtgeving in de media aangegeven dat van de zijde van Nederland interesse bestaat voor informatie omtrent Nederlandse belastingplichtigen. Het tonen van interesse doet niet af aan het spontane karakter van de gegevensuitwisseling, aldus de inspecteur. Ook zonder enig initiatief van de FIOD-ECD had Duitsland de gegevens verstrekt. De inspecteur wijst in dit verband op een artikel van 26 februari 2008 in Der Spiegel, waarin is vermeld dat Duitsland gegevens omtrent Liechtensteinse Stiftungen zou gaan verstrekken en dat hierbij ook Nederlanders waren betrokken.

5.1.4.

De Bijstandsrichtlijn luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

“Artikel 1

Algemene bepalingen

1. De bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten verstrekken elkaar overeenkomstig deze richtlijn alle inlichtingen die hun van nut kunnen zijn voor een juiste vaststelling van de belastingschuld op het gebied van de belastingen naar het inkomen en het vermogen,

Artikel 2

Uitwisseling van inlichtingen op verzoek

1. De bevoegde autoriteit van een Lid-Staat kan de bevoegde autoriteit van een andere Lid-Staat om de verstrekking van de in artikel 1, lid 1, bedoelde inlichtingen verzoeken voor een bepaald geval. De bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat is niet gehouden aan dit verzoek gevolg te geven wanneer blijkt dat de bevoegde autoriteit van de verzoekende Staat niet eerst alle eigen gebruikelijke mogelijkheden voor het verkrijgen van de inlichtingen heeft benut, die zij in de gegeven situatie had kunnen benutten zonder het beoogde resultaat in gevaar te brengen.

2. De bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat laat zo nodig een onderzoek instellen om de in lid 1 bedoelde inlichtingen te kunnen verstrekken.

(…)

Artikel 4

Spontane uitwisseling van inlichtingen

1. De bevoegde autoriteit van elke Lid-Staat deelt, zonder voorafgaand verzoek, de in artikel 1, lid 1, bedoelde inlichtingen waarvan zij kennis draagt mede aan de bevoegde autoriteit van iedere andere belanghebbende Lid-Staat, in de navolgende situaties:

  1. de bevoegde autoriteit van een Lid-Staat heeft redenen om te vermoeden dat in een andere Lid-Staat een abnormale vrijstelling of vermindering van belasting bestaat;

  2. een belastingplichtige verkrijgt in een Lid-Staat een vrijstelling of vermindering van belasting die voor hem belastingheffing of verhoging van belasting in een andere Lid-Staat zou moeten meebrengen;

  3. transacties tussen een belastingplichtige van een Lid-Staat en een belastingplichtige van een andere Lid-Staat worden over één of meer andere landen geleid op zodanige wijze dat daardoor een belastingbesparing kan ontstaan in één van beide of in beide Lid- Staten;

  4. e bevoegde autoriteit van een Lid-Staat heeft redenen om te vermoeden dat belastingbesparing in een andere Lid-Staat ontstaat door een kunstmatige verschuiving van winsten binnen een groep van ondernemingen;

  5. in een Lid-Staat komen in verband met inlichtingen die door de bevoegde autoriteit van een andere Lid-Staat zijn verstrekt, gegevens naar voren, die voor de vaststelling van de belastingschuld in deze andere Lid-Staat van nut kunnen zijn.


De bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten kunnen in het kader van de overlegprocedure als bedoeld in artikel 9 de in lid 1 bedoelde uitwisseling van inlichtingen tot andere dan de daar omschreven situaties uitbreiden.


De bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten kunnen elkaar zonder voorafgaand verzoek in alle andere gevallen de in artikel 1, lid 1, bedoelde inlichtingen waarvan zij kennis dragen, verstrekken.”

5.1.5.

Artikel 23 van het Verdrag houdt in:

  1. De hoogste belastingautoriteiten van de Staten zullen elkaar de inlichtingen verstrekken, die nodig zijn om aan deze Overeenkomst uitvoering te geven, in het bijzonder om belastingontduiking te vermijden. De hoogste belastingautoriteiten kunnen weigeren inlichtingen te verstrekken, die niet op grond van de bij de belastingautoriteiten aanwezige gegevens kunnen worden verstrekt, maar uitgebreide onderzoekingen noodzakelijk zouden maken.

  2. De inhoud van de inlichtingen, waarvan de hoogste belastingautoriteiten op grond van dit artikel kennis hebben gekregen zal geheim worden gehouden, behoudens de bevoegdheid, deze ter kennis te brengen van personen, die ingevolge de wettelijke voorschriften bij de aanslagregeling of de inning van de belastingen, welke het onderwerp van deze Overeenkomst uitmaken, zijn betrokken. Deze personen hebben dezelfde verplichting als de hoogste belastingautoriteiten.

  3. In geen geval zal het eerste lid dusdanig worden uitgelegd, dat een van de Staten de verplichting wordt opgelegd:

a) administratieve maatregelen te nemen, welke in strijd zijn met de voorschriften of het gebruik van de beide Staten;

b) bijzonderheden te verschaffen welker verstrekking volgens de wettelijke voorschriften van de beide Staten niet kan worden gevorderd.

4. Inlichtingen, die een bedrijfs- of beroepsgeheim zouden onthullen, mogen niet worden gegeven.

5. Het verstrekken van inlichtingen kan om redenen van algemeen beleid worden geweigerd.”

5.1.6.

Artikel 4 en 5 van het "Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in fiscale aangelegenheden, met bijlagen" (Trb. 1991, 4; verder het WABB-verdrag) luiden als volgt:

“Article 4.

General provision

1. The Parties shall exchange any information, in particular as provided in this section, that is foreseeably relevant for the administration or enforcement of their domestic laws concerning the taxes covered by this Convention.

2. Deleted.

3. Any Party may, by a declaration addressed to one of the Depositaries, indicate that, according to its internal legislation, its authorities may inform its resident or national before transmitting information concerning him, in conformity with Articles 5 and 7.

Article 5.

Exchange of information on request

1. At the request of the applicant State, the requested State shall provide the applicant State with any information referred to in Article 4 which concerns particular persons or transactions.

2. If the information available in the tax files of the requested State is not sufficient to enable it to comply with the request for information, that State shall take all relevant measures to provide the applicant State with the information requested.”

5.1.7.

In onderdeel 4.1 van het Besluit van 6 april 2006, nr. CPP2006/546M schrijft de staatssecretaris:

“4.1. Eisen ten aanzien van een verzoek aan het buitenland

Een verzoek om inlichtingen kan betrekking hebben op lichamen en natuurlijke personen en wordt gedaan indien de inlichtingen van nut kunnen zijn voor een juiste vaststelling van de belastingschuld (artikel 1 van de Bijstandsrichtlijn) of indien de inlichtingen nodig zijn voor de uitvoering van de bepalingen van het desbetreffende bilaterale belastingverdrag en/of voor de toepassing van de Nederlandse fiscale wetgeving (zie de verschillende inlichtingenartikelen in de bilaterale belastingverdragen). Het verzoek moet individuele gevallen betreffen. Het mag geen ‘fishing expedition’ zijn.“

5.1.8.

In artikel 41, lid 1 en 2, respectievelijk 51, lid 1, van het Handvest staat:

Artikel 41

Recht op behoorlijk bestuur

1. Eenieder heeft er recht op dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen en organen van de Unie worden behandeld.

2. Dit recht behelst met name:

 het recht van eenieder te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen,

 het recht van eenieder om toegang te krijgen tot het dossier hem betreffende, met inachtneming van het gerechtvaardigde belang van de vertrouwelijkheid en het beroeps- en het zakengeheim,

 de plicht van de betrokken instanties om hun beslissingen met redenen te omkleden.

Artikel 51

Toepassingsgebied

1. De bepalingen van dit Handvest zijn gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. Derhalve eerbiedigen zij de rechten, leven zij de beginselen na en bevorderen zij de toepassing ervan overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden en met inachtneming van de grenzen van de bevoegdheden zoals deze in de Verdragen aan de Unie zijn toegedeeld.”

5.1.9.

Het Hof overweegt dienaangaande als volgt.

5.1.10.

Niet in geschil is dat ten tijde van de door de medewerker van de FIOD-ECD aan de Duitse belastingautoriteiten getoonde interesse (zie 2.14), bij de Nederlandse belastingautoriteiten niet bekend was dat belanghebbende betrokken was bij een Liechtensteinse Stiftung. Evenmin is in geschil dat op dat moment niet bekend was dat de informatie waarover de Duitse autoriteiten beschikten mede betrekking had op belanghebbende. Belanghebbende was zogezegd op dat moment nog niet in beeld. Blijkens het in onderdeel 2.14 van deze uitspraak weergegeven proces-verbaal heeft deze medewerker, naar aanleiding van aandacht in de media inzake belastingplichtigen die gebruik of misbruik zouden maken van Liechtensteinse Stiftungen, contact opgenomen met de Duitse fiscale autoriteiten. Daarbij heeft hij aangegeven dat de Nederlandse autoriteiten belangstelling zouden hebben voor gegevens betreffende Nederlandse ingezetenen, indien en voor zover de Duitse autoriteiten over dergelijke gegevens zouden beschikken.

5.1.11.

De aldus getoonde belangstelling kan naar het oordeel van het Hof niet worden aangemerkt als een verzoek als bedoeld in artikel 2 van de Bijstandsrichtlijn nu de autoriteiten hierbij niet een bepaald geval op het oog hebben gehad. Het Hof is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden sprake is van spontane uitwisseling van inlichtingen als bedoeld in artikel 4 van de Bijstandsrichtlijn. De omstandigheid dat de inspecteur blijkens het weergegeven proces-verbaal naar aanleiding van berichtgeving in de media het initiatief heeft genomen en contact heeft gezocht met de Duitse fiscale autoriteiten, brengt hierin geen verandering. Van een ‘fishing expedition’ van de inspecteur bij de Duitse autoriteiten is geen sprake geweest.

5.1.12.

De wijze waarop de informatie is verkregen is derhalve niet in strijd met de Bijstandsrichtlijn.

5.1.13.

Anders dan belanghebbende betoogt zijn de Renseignementen niet in strijd met (artikel 23 van) het Verdrag door de inspecteur verkregen. Genoemd artikel houdt - onder andere - in dat de hoogste belastingautoriteiten van Nederland bevoegd zijn om van de hoogste belastingautoriteiten van Duitsland inlichtingen te ontvangen die nodig zijn om aan het Verdrag uitvoering te geven. Naar het oordeel van het Hof - voor zover al in geschil - vallen zowel de ontvanger van de Renseignementen (de Belastingdienst/FIOD-ECD) als de verstrekker van de Renseignementen onder het begrip de ‘hoogste belastingautoriteiten’ als bedoeld in artikel 23 Verdrag en vormen de Renseignementen ‘inlichtingen die nodig zijn’ om aan dat verdrag uitvoering te geven.

Op basis van lid 2 van laatstgenoemd artikel was de Belastingdienst/FIOD-ECD bevoegd om de Renseignementen aan - uiteindelijk - de inspecteur, althans een medewerker die onder zijn verantwoordelijkheid werkte, over te dragen. Anders dan belanghebbende betoogt handelde de inspecteur niet in strijd met het Verdrag door de Renseignementen in de onderhavige procedure in te brengen. Een andere opvatting zou tot het ongerijmde gevolg leiden dat de inspecteur de Renseignementen wél voor de aanslagregeling zou mogen gebruiken, maar zich er in een gerechtelijke procedure niet op zou mogen beroepen.

5.1.14.

Belanghebbende heeft ook betoogd dat de Renseignementen in strijd met “het OESO-commentaar op artikel 26, OESO-Modelverdrag” zijn verkregen. Reeds omdat (het commentaar op) genoemd document geen rechtskracht heeft, verwerpt het Hof belanghebbendes betoog. Nu in genoemd artikel in grote lijnen hetzelfde staat als in artikel 23 Verdrag, geldt mutatis mutandis ook hier tevens hetgeen het Hof heeft overwogen onder 5.1.13.

5.1.15.

Belanghebbende heeft zich voorts beroepen op artikel 5, lid 1, WABB en onderdeel 4.1 van het Besluit van 6 april 2006. Nu het zowel in genoemd artikel als in genoemd onderdeel van het besluit om een inlichtingenverstrekking op basis van een verzoek gaat, verwerpt het Hof belanghebbendes beroep reeds omdat - zoals is overwogen onder 5.1.11 - in casu sprake is van een spontane uitwisseling van gegevens.

5.1.16.

Belanghebbende heeft zich, onder verwijzing naar artikel 51, lid 1, van het Handvest en, onder meer, het arrest van het Hof van Justitie Hof van de Europese Unie van 18 december 2008, C-349/07, DR 09/27 (verder het arrest-Sopropé), voorts op het standpunt gesteld dat de inspecteur in strijd heeft gehandeld met het zogenoemde verdedigingsbeginsel en stelt daartoe dat hij voorafgaande aan dat verzoek ten onrechte niet eerst in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord.

5.1.17.

Dit betoog kan het Hof niet volgen. Van schending van het verdedigingsbeginsel - zoals door het Hof van Justitie verwoord in het Sopropé-arrest - is geen sprake reeds omdat het in casu niet gaat om een besluit dat “binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht valt” (zie rechtsoverweging 38 van genoemd arrest). Anders dan belanghebbende betoogt, valt het toepassen van de Bijstandsrichtlijn daar niet onder.

Artikel 41 Handvest (waarin het horen van een belastingplichtige voorafgaande aan het nemen van een bezwarend besluit is geregeld) is niet van toepassing. Immers in zijn arrest van 19 september 2014, nr. 13/02558, ECLI:NL:HR:2014:2707 overwoog de Hoge Raad dat deze bepaling niet is gericht tot de lidstaten, maar uitsluitend tot instellingen, organen en instanties van de Unie.

Ook artikel 51 Handvest is niet van toepassing. Het op basis van de Bijstandsrichtlijn uitwisselen van inlichtingen is immers niet het “ten uitvoer brengen” van “het recht van de Unie”.

Tot slot vermag het Hof niet in te zien hoe de inspecteur voorafgaande aan de ontvangst van de Renseignementen met belanghebbende contact had kunnen opnemen om hem in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord, nu de inspecteur in die periode niet ermee bekend was dat belanghebbende betrokken was bij de Stichting en/of de Duitse autoriteiten over gegevens beschikten waaruit die betrokkenheid bleek.

5.1.18.

De slotzin van rechtsoverweging 5.1.11 houdt tevens in dat het standpunt van belanghebbende dat sprake is van een met artikel 6 EVRM strijdige ‘fishing expedition’ door het Hof wordt verworpen.

5.1.19.

Voor zover belanghebbende betoogt dat de wijze waarop de informatie is verkregen, in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, verwerpt het Hof dit standpunt. Belanghebbende heeft immers geen, althans onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die tot de conclusie nopen dat de inspecteur met betrekking tot bewijsvergaring enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden.

5.1.20.

Op basis van voorgaande rechtsoverwegingen concludeert het Hof dat de inspecteur de Renseignementen niet in strijd is met het recht, in ieder geval niet in strijd is met de genoemde regelgeving of met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, heeft verkregen.

5.1.21.

Het Hof begrijpt het onder 5.1.1 gecursiveerde standpunt van belanghebbende aldus dat, ook indien de inspecteur de Renseignementen rechtmatig zou hebben verkregen, het gebruik ervan - gelet op artikel 23 van het Verdrag en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur - desalniettemin onrechtmatig is.

5.1.22.

Naar ’s Hofs oordeel berust belanghebbende standpunt op een onjuiste rechtsopvatting. Zoals overwogen onder 5.1.13 is het niet in strijd met voornoemde verdragsbepaling indien de inspecteur de Renseignementen inbrengt in de onderhavige procedure en belanghebbende heeft voorts geen enkel, althans onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die tot de conclusie nopen dat de inspecteur met betrekking tot het gebruik van de Renseignementen enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden.

5.2.

Tweede geschilpunt (eis van voortvarend handelen)

5.2.1.

Het Hof neemt hetgeen de rechtbank heeft overwogen onder 4.2.1 en 4.2.2 over. De door de inspecteur in acht te nemen voorwaarde die de Hoge Raad in zijn arresten van 26 februari 2010, nrs. 43050bis en 43670bis, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092 en ECLI:NL:HR:2010:BJ9120, gesteld heeft, ingeval de inspecteur navordert met behulp van de op de voet van artikel 16, lid 4, van de AWR verlengde navorderingstermijn (zie rechtsoverweging 4.2.2 rechtbankuitspraak) wordt hierna kortweg aangeduid als de ‘eis van voortvarend handelen’.

5.2.2.

Belanghebbende heeft zich erop beroepen dat de inspecteur niet aan de eis van voortvarend handelen voldaan heeft. Hij is “van mening dat het tijdsverloop tussen het moment dat de Duitse autoriteiten inlichtingen hebben verstrekt aan de FIOD/ECD op 26 mei 2008 en het met moment waarop aan belanghebbende voor het eerst vragen zijn gesteld, namelijk op 22 juni 2009 (hierna ook de eerste fase; zie 2.19), op grond van de door de inspecteur aangegeven activiteiten die zijn verricht gedurende dit tijdsverloop langer is geweest dan noodzakelijk was voor het verkrijgen van inlichtingen die nodig waren voor het bepalen van de belasting”. Ook is het tijdsverloop na het versturen van evenvermelde vragenbrief en de dagtekening van de navorderingsaanslagen (hierna ook de tweede fase) zijns inziens ‘onredelijk lang’.

5.2.3.

De inspecteur betoogt daarentegen in zijn bij de rechtbank ingediende verweerschrift:

“4.3. […] De FIOD/ECD heeft op 26 mei 2008 van de Duitse Belastingdienst (Bundeszentralamt für Steuern te Bonn) informatie ontvangen over meerdere betrokkenen bij Liechtensteinse Stiftungen. Na veredeling van deze informatie (identificatie en achterhalen burgerservicenummer van de betrokkenen) en de beoordeling of en in welke casus strafrechtelijk onderzoek op zijn plaats zou zijn, zijn op 2 december 2008 alle signalen waarvan ingeschat werd dat die administratief rechtelijk afgedaan konden worden in één keer verstrekt aan de Belastingdienst.

4.4.

De Belastingdienst heeft vervolgens beoordeeld hoe en op welke wijze de signalen konden worden behandeld. Omdat het hier ging om bijzondere entiteiten, namelijk afgezonderde particuliere vermogens (APV), is er voor gekozen de projectgroep APV (Trusts ed, voorheen de Projectgroep Vermogen in de doode hand) van de coördinatiegroep constructiebestrijding de coördinatie uit te laten voeren. De projectgroep heeft op 8 juni 2009 een startbijeenkomst gehouden waarbij aan de inspecteurs de informatie van de onder hun competentie vallende entiteiten is verstrekt.

4.5.

Inzake het signaal over de belanghebbende is door de FIOD proces verbaal opgemaakt […]. Uit het proces verbaal blijkt slechts dat de belanghebbende als ‘wirtschaftlich begünstigte’ betrokken is bij de [Stichting]. Er was geen informatie over de omvang of samenstelling van het vermogen binnen de [Stichting].”

5.2.4.

In zijn verweerschrift in hoger beroep heeft de inspecteur daaraan toegevoegd:

“Ten eerste stelt de belanghebbende […] dat [de eerste fase] langer [is] geweest dan noodzakelijk.

De belanghebbende miskent naar mijn mening het feit dat het voor de FIOD/ECD een signaal betrof dat nader onderzoek vereiste. Het was een signaal dat betrekking had op een Liechtensteinse Stiftung, een entiteit waar de Belastingdienst en/of de FIOD/ECD nog niet veel ervaring mee had. Het signaal was bovendien uitermate summier. Er was geen informatie over de omvang van het vermogen van de Stiftung, noch over het aan de belanghebbende toe te rekenen belang. Daarom is er eerst voor een projectmatige aanpak gekozen.

Toen bleek dat de informatie toch bij de belanghebbende zou moeten worden opgevraagd is de inspecteur overgegaan tot het benaderen van de belanghebbende. Naar mijn mening is het tijdsverloop noodzakelijk en niet onredelijk geweest. Ten tweede stelt de belanghebbende dat de termijn tussen de eerste vragenbrief en de dagtekening van de navorderingsaanslag onredelijk lang is. Uit het feitenverloop uit de procedure voor de Rechtbank blijkt dat dit volledig te wijten is geweest aan de houding van de belanghebbende. Had de belanghebbende eerder volledige openheid van zaken gegeven dan was de aanslag ook eerder opgelegd.”

5.2.5.

Het Hof is van oordeel dat de Renseignementen ‘aanwijzingen’ vormen als bedoeld in rechtsoverweging 2.1.1 e.v. van de arresten van de Hoge Raad van 26 februari 2010 (nrs. 43050bis en 43670bis, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092 en ECLI:NL:HR:2010:BJ9120) en dat de FIOD-ECD in het onderhavige geval is aan te merken als Nederlandse belastingautoriteit in de zin van de rechtspraak van het Hof van Justitie (als weergegeven in het citaat in de rechtbankuitspraak onder r.o. 4.2.1). Dit betekent dat de Nederlandse belastingautoriteiten vanaf het moment van ontvangst van de renseignementen door de FIOD-ECD - te weten 26 mei 2008 - aan de hand daarvan een onderzoek konden instellen met het oog op de (eventuele) vaststelling van (navorderings)aanslagen (vgl. ook Hoge Raad 28 maart 2014, nr. 13/03554, ECLI:NL:HR:2014:689).

5.2.6.

Bij de beantwoording van de vraag of voldaan is aan de eis van voortvarend handelen, neemt het Hof - gelet op rechtsoverweging 3.4.2 van het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2014 (zie r.o. 5.2.5) - tot uitgangspunt dat in een geval als het onderhavige, waarin gegevens over in het buitenland aangehouden vermogen zijn verkregen die 21 in Nederland wonende personen betreffen, de Belastingdienst over voldoende tijd moet kunnen beschikken om met voldoende mate van zekerheid vast te stellen om welke individuele belastingplichtigen het gaat en vervolgens ten aanzien van de betrokken belastingplichtigen te beoordelen of, en zo ja, voor welk bedrag belasting van hen kan worden nagevorderd.

In gevallen als het onderhavige kan de Belastingdienst verder in redelijkheid tot het oordeel komen dat een landelijke coördinatie en een projectmatige aanpak geboden zijn. Indien daarvoor wordt gekozen moet tevens rekening worden gehouden met de tijd die met een zodanige aanpak en coördinatie gemoeid is, waaronder begrepen de tijd die benodigd is voor het ontwikkelen van beleid voor de behandeling van individuele gevallen, ook ten aanzien van het opleggen van boeten waartoe gelet op het bepaalde in (thans) Afdeling 5.4.1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook overleg met het openbaar ministerie geboden kan zijn. Met deze werkzaamheden, waarbij ook in het belang van de betrokken belastingplichtigen zorgvuldigheid moet worden betracht, kan geruime tijd gemoeid zijn.

De belastingautoriteiten hebben beoordelingsvrijheid bij de organisatie en inrichting van al deze werkzaamheden. Die vrijheid is echter niet onbegrensd. Gelet op de eisen die voortvloeien uit het recht van de Europese Unie mogen de werkzaamheden niet worden georganiseerd en ingericht op een zodanige wijze dat een voortvarende behandeling onvoldoende gewaarborgd is.

5.2.7.

Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat de inspecteur, zowel in de eerste als de tweede fase, heeft voldaan aan de eis van voortvarend handelen. Aan rechtsoverweging 4.2.5 uit de rechtbankuitspraak voegt het Hof voor wat betreft de eerste fase er nog het volgende aan toe. Aannemelijk is dat de Belastingdienst met entiteiten als de Stichting nog weinig ervaring had en vaststaat dat de Renseignementen slechts summiere gegevens bevatten (in ieder geval bevatte het niet het sofinummer van belanghebbende, noch informatie omtrent de omvang van het vermogen van de Stichting of van de mate van belanghebbendes gerechtigheid tot dat vermogen). Mede daardoor acht het Hof de eerste fase niet dusdanig lang dat geconcludeerd moet worden dat de inspecteur voor wat betreft die fase niet voortvarend gehandeld heeft.

5.2.8.

Dat, zoals belanghebbende stelt, de inspecteur het tijdsverloop van de eerste en/of tweede fase had kunnen verkorten door belanghebbende “direct volledig te informeren na het verzoek van 21 juli 2009” (zie 2.19) - wat er zij van de juistheid van belanghebbendes stelling - doet aan voornoemd in rechtsoverweging 5.2.7 gegeven oordeel niet af. Geen rechtsregel of algemeen beginsel van behoorlijk bestuur verplichtte de inspecteur immers om belanghebbende op dat moment volledige inzage te geven in alle gegevens die hem (inspecteur) ter beschikking stonden. Dit geldt zeker nu de inspecteur een adequate rechtvaardiging gegeven heeft - te weten ‘controle tactische redenen’ - voor het niet prijsgeven van alle informatie die hij op dat moment had.

5.3.

Derde geschilpunt (het bewijs ter onderbouwing van de boeten IB 98 en VB 99)

5.3.1.

Belanghebbende stelt dat de FIOD-ECD door middel van een fishing expedition de Renseignementen heeft verkregen en dat een dergelijk handelen in strijd is met de in artikel 6 EVRM neergelegde waarborgen en voor de beboeting niet mag worden gebruikt.

5.3.2.

Onder verwijzing naar rechtsoverweging 5.1.18 verwerpt het Hof dit standpunt van belanghebbende.

5.4.

Vierde geschilpunt (hoogte boeten IB 98 en VB 99)

5.4.1.

Het Hof stelt voorop dat voor het opleggen van boeten als de onderhavige vereist is dat de inspecteur bewijst dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat over belanghebbendes gerechtigdheid tot het vermogen van de Stichting - dat bestond uit de [naam 4]-rekening - en de inkomsten die daaruit zijn genoten, geen of te weinig vermogens-, respectievelijk inkomstenbelasting is geheven.

5.4.2.

Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2013 (nr. 11/04152, ECLI:NL:HR:2013:63ECLI:NL:HR:2013:63,) kan in een geval als het onderhavige, waarin een belastingplichtige gerechtigd is tot een aanzienlijk vermogen in een land met een bankgeheim en hij dat vermogen en de inkomsten daaruit ten onrechte niet in zijn aangifte heeft vermeld, reeds op grond daarvan worden aangenomen - bijzondere omstandigheden daargelaten - dat hij die aangifte opzettelijk onjuist heeft gedaan. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat het voor jaren als de onderhavige van algemene bekendheid was dat dergelijke tegoeden en rente-inkomsten daaruit die de vrijgestelde bedragen te boven gaan, waren onderworpen aan heffing van vermogensbelasting dan wel inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en daarom aangegeven moesten worden als vermogen respectievelijk inkomsten uit vermogen. Omdat niet gesteld of gebleken is dat zich te dezen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof opzet in vorenbedoelde zin aanwezig. In dit verband wijst het Hof nog op belanghebbendes schrijven van 8 augustus 2014 (“Ik zat toen met een pot geld in mijn maag.”; zie 2.4) en het verslag van het hoorgesprek van 14 april 2001 (“Hij zocht naar mogelijkheden om met het geld van de [stichting] de problemen in de ondernemingen op te lossen zonder de Belastingdienst te hoeven informeren”; zie 2.7).

5.4.3.

Vanwege belanghebbendes ‘meewerken’ bepleit hij - afgezien van vermindering van de boeten vanwege overschrijding van de redelijke termijn (zie 5.5) - in hoger beroep boeten van maximaal 50% welke op basis van “slechte financiële omstandigheden ten aanzien van de vennootschappen van belanghebbende” “ten tijde van de verweten gedraging” verder zou moeten worden verminderd tot - naar het Hof begrijpt - nihil.

5.4.4.

De inspecteur heeft gesteld dat sprake is van opzet en van strafverzwarende omstandigheden (ex § 8 van het BBBB), zoals het gebruik maken van een stichting die gevestigd is een land met een bankgeheim, die tot een 100% boete dienen te leiden.

5.4.5.

Naar het oordeel van het Hof zijn de door de inspecteur aangevoerde strafverzwarende omstandigheden niet dusdanig ernstig dat een verhoging/boete van 100% toegestaan is en tevens passend en geboden is. De inspecteur kan weliswaar worden toegegeven dat belanghebbende absoluut gezien tamelijk grote bedragen aan vermogen willens en wetens voor de inspecteur heeft verzwegen, doch dit is op zichzelf onvoldoende om een dergelijke verhoging/boete van 100% te rechtvaardigen. § 8 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (tekst 2010; verder het BBBB) bepaalt weliswaar dat de ernst van de te beboeten gedraging, waarvan in elk geval sprake is bij listigheid, valsheid of samenspanning, aanleiding kan geven een boete van 100% op te leggen, maar, omdat voor die verhoging (tot 100%) vereist is dat de strafverzwarende omstandigheid zich ten tijde van de te beboeten gedraging (het opzettelijk verzwijgen in de aangiften IB 1988 en VB 1999 van de gerechtigdheid tot het vermogen van de Stichting en de inkomsten die daaruit voortvloeiden) moet hebben voorgedaan is het voor de maximaal op te leggen boeten niet relevant hetgeen zich na dat moment heeft voorgedaan. In dit kader is het dus niet van belang dat belanghebbende met behulp van bepaalde ‘listige kunstgrepen’ (zie rechtsoverweging 5.6.17 onder 8) vanaf 2005 het vermogen van de Stichting voor de fiscus verborgen heeft willen houden.

5.4.6.

Gelet op de ernst van het feit en bij afwezigheid van strafverzwarende omstandigheden, staat het BBBB in casu een maximale boete van 50% toe. Naar het oordeel van het Hof kan van een dergelijke boete niet gezegd worden dat zij dusdanig hoog is dat zij niet meer passend en geboden is. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de door de inspecteur opgelegde boeten tot 50% moeten worden verminderd.

5.4.7.

Belanghebbende heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt op grond waarvan het Hof de boeten verder dient te verminderen dan tot 50% van de nagevorderde belasting (IB en VB).

5.4.8.

Tot slot overweegt het Hof dat de (hoogte van de) grondslag van de boeten (zie 2.25 en de slotzin van 4.1 sub 2) niet in geschil is.

5.5.

Vijfde geschilpunt (overschrijding redelijke termijn betreffende boete IB 98 en VB 99)

5.5.1.

Volgens belanghebbende is de redelijke termijn aangevangen op 8 oktober 2010, de datum van de brief waarin de inspecteur belanghebbende in kennis stelt van zijn voornemen de litigieuze navorderingsaanslagen en boeten op te leggen (zie 2.19). Omdat de bezwaarfase een jaar heeft geduurd (tot 31 oktober 2011), betoogt belanghebbende dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, lid 1, EVRM. Om die reden dienen zijns inziens de boeten te vervallen dan wel te worden verminderd.

5.5.2.

Voor de aanvang van de redelijke termijn dient beoordeeld te worden aan welke handeling van de inspecteur belanghebbende in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat aan hem boeten zouden worden opgelegd. De inspecteur heeft gesteld dat dit de handeling is waarbij aan belanghebbende de boete-oplegging bij brief van 26 november 2010 is aangekondigd.

5.5.3.

Naar het oordeel van het Hof stelt belanghebbende zich terecht op het standpunt dat de redelijke termijn op 8 oktober 2010 is aangevangen. Aan die brief kon hij immers in redelijkheid de verwachting ontlenen dat hij beboet zou worden.

5.5.4.

Uitgaande van de in rechtsoverweging 5.5.3 genoemde aanvangsdatum van de termijn (8 oktober 2010) moet worden vastgesteld dat sinds die datum tot aan de datum waarop de rechtbank uitspraak heeft gedaan (14 september 2012) minder dan twee jaren zijn verstreken. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37 984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, BNB 2005/337, betekent dit dat de redelijke termijn niet is overschreden. Het standpunt van belanghebbende dat de redelijke termijn is overschreden omdat de bezwaarfase langer dan zes maanden heeft geduurd, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.

5.5.5.

Het Hof overweegt ambtshalve dat de hoger beroepsfase weliswaar iets langer dan twee jaren heeft geduurd, doch gelet op de ingewikkeldheid van de zaak en de diverse aanvullingen die belanghebbende op zijn hoger beroepschrift heeft ingediend (zie 1.6.2) - die keer op keer aan de inspecteur voor commentaar zijn doorgestuurd - kan niet worden geoordeeld dat de redelijke termijn is overschreden.

5.6.

Zesde geschilpunt (hoogte aanslagen IB 2005 en IB 2006)

5.6.1.

De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende niet voldaan heeft aan de verplichtingen ingevolge artikel 47 AWR, zodat op grond van artikel 27e AWR de beroepen ongegrond zijn, tenzij belanghebbende overtuigend aantoont dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn (de zogenaamde omkering en verzwaring van de bewijslast).

5.6.2.

Vaststaat dat er voor de jaren 2005 en 2006 geen informatiebeschikking is genomen als bedoeld in artikel 52a AWR. Op deze grond is volgens belanghebbende de omkering en verzwaring van de bewijslast van (naar het Hof belanghebbende begrijpt) artikel 27e, lid 1, AWR niet van toepassing, omdat daaraan in die bepaling als voorwaarde is gesteld dat een informatiebeschikking onherroepelijk is geworden.

5.6.3.

De inspecteur heeft gesteld dat het ontbreken van een informatiebeschikking niet aan de omkering en verzwaring van de bewijslast in de weg staat, omdat op 1 juli 2011, het moment van de inwerkingtreding van artikel 52a AWR en van de in samenhang daarmee gewijzigde artikelen 25, lid 3, en 27e AWR (Wet van 27 mei 2011, Stb. 2011, 265 en Koninklijk Besluit van 14 juni 2011, Stb. 2011, 301), de aanslagen IB 2005 en 2006 reeds waren opgelegd.

5.6.4.

Naar het oordeel van het Hof moet ervan worden uitgegaan dat het bij de Wet van 27 mei 2011, Stb. 2011, 265 - waarin geen overgangsbepalingen zijn opgenomen - gewijzigde artikel 27e AWR van toepassing is in situaties waarin de inspecteur bij de inwerkingtreding van die bepaling bevoegd was jegens belanghebbende de informatiebevoegdheden van artikel 47 e.v. AWR uit te oefenen en een informatiebeschikking te nemen. Deze bevoegdheid wordt begrensd door het intreden van de beroepsfase, zoals volgt uit het arrest HR 10 februari 1988, nr. 23 925, BNB 1988/160.

5.6.5.

In het onderhavige geval was de inspecteur op 1 juli 2011 bevoegd om voor de jaren 2005 en 2006 een informatiebeschikking te nemen, omdat op dat tijdstip voor de desbetreffende aanslagen IB nog geen uitspraak op bezwaar was gedaan. Eerst op 31 oktober 2011 is voor de aanslagen IB 2005 en IB 2006 uitspraak op bezwaar gedaan.

5.6.6.

Hieruit volgt dat belanghebbende terecht heeft gesteld dat het ontbreken van een informatiebeschikking voor de jaren 2005 en 2006 ertoe leidt dat de wettelijk omkering en verzwaring van de bewijslast wegens het – in dit geval – niet voldoen aan de verplichtingen van artikel 47 AWR niet van toepassing is. Anders dan de inspecteur betoogt is niet relevant of belanghebbende bewust onjuiste informatie heeft verstrekt.

De rechtbank is er ten onrechte van uitgegaan dat in het onderhavige geval nog de vóór 1 juli 2011 geldende tekst van artikel 27e AWR van toepassing was en dat het nemen van een informatiebeschikking (nog) niet van belang was (vgl. Hof Amsterdam 20 maart 2014, nr.12/00814, 12/00815 en 12/00816, ECLI:NL:GHAMS:2014:1171)

5.6.7.

Ook ingeval belanghebbende de vereiste aangifte als bedoeld in artikel 27e AWR niet heeft gedaan, wordt de bewijslast omgekeerd en verzwaard. Echter gelet op rechtsoverweging 5.6.10 hierna - waarin geconstateerd wordt dat het na te vorderen inkomen uit sparen en beleggen, ook indien het Hof het standpunt van de inspecteur juist acht, lager is dan het aangegeven bedrag - kan niet geoordeeld worden dat de vereiste aangifte niet is gedaan.

5.6.8.

De inspecteur heeft gesteld dat indien het Hof van oordeel is dat de omkering en verzwaring van de bewijslast niet van toepassing is, dit geen wijziging brengt in zijn standpunt. Zijns inziens volgt uit de feiten en omstandigheden zoals deze zijn opgenomen in de gedingstukken dat hij aannemelijk gemaakt heeft dat belanghebbende het nagevorderde inkomen heeft genoten.

5.6.9.

De inspecteur heeft zich ter zitting van het Hof (uiteindelijk) op het standpunt gesteld dat bij de berekening van de rendementsgrondslag als bedoeld in artikel 5.2, lid 1 Wet IB 2001 het door belanghebbende aangegeven vermogen [na aftrek van een abusievelijk niet aangegeven privé schuld van € 1.227.083 (2005) respectievelijk € 1.202.084 (2006)] moet worden verhoogd met de bedragen die aan [naam 2] (indirect) zijn overgemaakt, dat wil (ook volgens de inspecteur) zeggen met de bedragen uit Tabel 3 als weergegeven onder punt 2.11 van de feiten (verder de Tabel-3-bedragen). Volgens de inspecteur hebben deze bedragen het vermogen van belanghebbende niet verlaten.

5.6.10.

Ter zitting van het Hof hebben partijen verklaard dat indien het onder 5.6.9 weergegeven standpunt van de inspecteur juist is,

(1) het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen voor wat betreft 2005 moet worden vastgesteld op € 219.574 [zijnde lager dan het nagevorderde box 3 inkomen van € 220.347 (na uitspraak op bezwaar) en ook lager dan het aangegeven box 3 inkomen van € 222.632];

(2) het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen voor wat betreft 2006 moet worden vastgesteld op € 231.553 [zijnde lager dan het nagevorderde box 3 inkomen van € 234.568 (na uitspraak op bezwaar) en conform het aangegeven box 3 inkomen].

5.6.11.

Met betrekking tot de vraag of de inspecteur zich terecht op het standpunt stelt dat de aan [naam 2] betaalde bedragen tot de rendementsgrondslag behoren, overweegt het Hof als volgt.

5.6.12.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het totaal van de Tabel-3-bedragen niet meer tot zijn rendementsgrondslag behoorden, omdat hij - zo begrijpt het Hof belanghebbende - primair stelt dat hij als gevolg van de overeenkomst waarbij de Overdracht is afgesproken (zie 2.4), afstand heeft gedaan van het Stichtingsvermogen, dan wel dat de Tabel-3-bedragen op basis van genoemde overeenkomst zijn vermogen op het moment van de overboeking hebben verlaten en zijn overgegaan naar dat van [naam 2].

5.6.13.

Het Hof stelt voorop dat - gelet op rechtsoverweging 5.6.6 - op de inspecteur de bewijslast rust aannemelijk te maken dat de Tabel-3-bedragen tot belanghebbendes vermogen zijn blijven behoren.

5.6.14.

Aan hetgeen de inspecteur - met onderbouwing van gedingstukken – gemotiveerd gesteld heeft, ontleent het Hof het vermoeden dat belanghebbende in de periode 2005 tot en met 2006 niet - geheel of gedeeltelijk – (daadwerkelijk) afstand heeft gedaan van het Stichtingsvermogen. Ten aanzien van dit vermoeden overweegt het Hof het volgende. Het Stichtingsvermogen was begin 2005 circa 1.1 miljoen groot (zie 2.9). Het komt het Hof uitermate onwaarschijnlijk voor dat belanghebbende onder de (door belanghebbende) geschetste feiten en omstandigheden afstand heeft gedaan van een dergelijk groot vermogen. Dit geldt zeker nu het een vermogen betreft dat de ouders van belanghebbende na de oorlog hebben gespaard (zie 2.4). Bovendien is het - zonder adequate verklaring, die ontbreekt - onbegrijpelijk dat belanghebbende juist op een moment dat zijn bedrijven dringend geld nodig hadden en moesten worden gered (zie 2.4), afstand doet van een dergelijk groot vermogen. Het had alsdan juist in de rede gelegen dat belanghebbende het vermogen van de Stichting rechtstreeks zelf had aangewend voor het ‘redden’ - in ieder geval financieren - van zijn bedrijven.

5.6.15.

Onder deze omstandigheden is het aan belanghebbende om het vermoeden te ontzenuwen dat hij in de periode 2005 tot en met 2006 niet - geheel of gedeeltelijk – daadwerkelijk afstand heeft gedaan van het Stichtingsvermogen.

5.6.16.

In dat kader heeft belanghebbende onder meer verklaard dat hij in 2005 (zie onder andere 2.7) afstand heeft gedaan van het vermogen van de Stichting ten behoeve van [naam 2] onder de voorwaarde dat [naam 2] de bedrijven van belanghebbende indien hier “mogelijkerwijs behoefte” toe zou bestaan, zou gaan financieren (zie 2.13). Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij onder meer (1) de Notitie, die volgens belanghebbende een vastlegging was van wat reeds eerder was afgesproken, en (2) de Vaststellingovereenkomst overgelegd. Volgens laatstgenoemde overeenkomst betrof het bedrag van € 1.050.000 in feite een vooruitbetaalde borgstellingsprovisie.

5.6.17.

Het Hof acht de verklaringen van belanghebbende dat hij in 2005 of 2006 geheel of gedeeltelijk afstand heeft gedaan van het vermogen van de Stichting (zijnde het spaargeld van zijn ouders) onder de voorwaarde dat [naam 2] belanghebbendes bedrijven tegen een borgstellingsprovisie ten bedrage van circa € 1.050.000 mogelijk circa 2 miljoen euro zou gaan lenen, ongeloofwaardig en wel om de volgende redenen:

1. Belanghebbendes ondernemingen hadden begin 2005 dringend behoefte aan geld, ze dienden te worden gered (aldus zijn eigen onder 2.4 opgenomen verklaring). Om in die acute financieringsbehoefte te voorzien draagt belanghebbende zijn vermogen over aan [naam 2]. Het is in dat licht onbegrijpelijk dat [naam 2] - volgens belanghebbendes verklaring (zie 2.12) - echter pas vanaf oktober 2007 (meer dan twee jaren later) de ondernemingen van belanghebbende financiert.

2. Belanghebbende heeft niet afdoende verklaard waarom hij in 2005 afstand doet van het Stichtingsvermogen, terwijl de feitelijke overdracht van dat vermogen in drie termijnen - over een periode van december 2005 tot en met april 2008 - heeft plaatsgevonden en waarom die termijnen € 250.000, € 425.000 respectievelijk 500.000 (zie 2.11) hebben bedragen (terwijl niet gesteld en uit de stukken ook niet gebleken is dat de samenstelling van het Stichtingsvermogen een betaling in één bedrag begin 2005 bezwaarlijk maakte).

3. Noch is begrijpelijk dat belanghebbende op 29 april 2008 € 500.000 overmaakt aan [naam 2] en [naam 2] terstond daarna - en wel op 7 mei 2008 - € 500.000 aan een onderneming van belanghebbende leent. Een rechtstreekse financiering door belanghebbende - in plaats van de omweg via [naam 2] - had in de rede gelegen.

4. De uitleg van belanghebbende dat hij het vermogen van de Stichting niet rechtstreeks in zijn ondernemingen heeft aangewend, maar de omweg via [naam 2] heeft gevolgd, omdat hij niet aansprakelijk gesteld wilde worden uit hoofde van een persoonlijke borgstelling tegenover de bank, acht het Hof niet geloofwaardig. Immers uit 2.12 blijkt dat belanghebbende borg stond voor de in oktober 2007 gesloten ‘leningen’ en wel voor een bedrag van € 1.800.000.

5. Ook het standpunt van belanghebbende dat de overdracht van het Stichtingsvermogen aan [naam 2] als een vooruitbetaalde ‘borgstellingsprovisie’ voor de financiering “wanneer gewenst” moet worden gezien (zie 2.13) acht het Hof ongeloofwaardig. Een bedrag van circa 1 miljoen euro is in verhouding tot een mogelijk in de toekomst te lenen bedrag van circa 2 miljoen zo absurd hoog dat het niet geloofwaardig is dat het een borgstellingsprovisie betreft.
Bovendien is het daarnaast uitermate vreemd dat de ‘borgstellingsprovisie’ in drie termijnen, volgens Tabel 3 (zie 2.11 onder Feiten) is betaald. Ook is opmerkelijk dat de Notitie niet over een borgstellingsprovisie spreekt en de gemachtigde in zijn schrijven van 23 februari 2011 het bedrag van € 1.050.000 niet als borgstellingsprovisie, maar als ‘zekerheid’ respectievelijk als ‘dekking’ voor de financiering door [naam 2] typeert (zie 2.12).

6. Het Hof acht het ook niet aannemelijk dat een afspraak, als door belanghebbende gesteld, aanvankelijk uitsluitend mondeling werd overeengekomen - de Notitie was immers (aldus belanghebbende) de schriftelijke vastlegging van wat reeds begin 2005 was afgesproken - en vervolgens schriftelijk werd vastgelegd in een handgeschreven, summiere notitie, die (vrijwel) niets bepaalt over de overdrachten van ‘alle buitenlandse tegoeden’ (wanneer, hoe en onder welke voorwaarden?), noch over de voorwaarden waaronder en wanneer [naam 2] geld zou gaan lenen. In de Notitie staat zelfs niet wie aan wie overdraagt, net zo min als wie de gelduitlener is.

7. Het is daarnaast curieus dat in de akten, volgens welke belanghebbende geld zou hebben geleend (zie 2.12), met geen woord gerept wordt over de overdracht van het Stichtingsvermogen die begin 2005 in het kader van de financiering zou hebben plaatsgevonden. Het had in de rede gelegen dat die geldleningsakten vermeld zouden hebben dat belanghebbende in het kader van de financiering een borgstellingsprovisie had betaald, dan wel zekerheden aan [naam 2] had overgedragen.

8. Gelet op bovenstaande zeven punten is het Hof van oordeel dat de werkelijke bedoeling die belanghebbende met de Overdracht had, was om het vermogen van de Stichting met behulp van listige kunstgrepen voor de fiscus verborgen te houden. Zulks vindt ook steun in hetgeen tijdens het hoorgesprek is opgemerkt door belanghebbende (zie 2.7), namelijk dat het vermogen van de Stichting is overgemaakt aan [naam 2] teneinde de problemen in de ondernemingen op de lossen zonder de Belastingdienst te hoeven informeren.

9. Het Hof merkt de Notitie (zie 2.6) en de achteraf opgestelde Vaststellingsovereenkomst (zie 2.13) dan ook aan als valselijk opgemaakte documenten.

5.6.18.

Op basis van voorgaande rechtsoverweging oordeelt het Hof dat belanghebbende het vermoeden dat hij in de periode 2005 tot en met 2006 niet - geheel of gedeeltelijk – daadwerkelijk afstand heeft gedaan van het Stichtingsvermogen, niet heeft ontzenuwd.

5.6.19.

Het Hof concludeert dat de inspecteur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de Tabel-3-bedragen tot belanghebbendes rendementsgrondslag per 31 december 2005 respectievelijk 31 december 2006 behoren. Dit betekent dat de belastbare inkomens uit sparen en beleggen € 219.574 (2005) en € 231.553 (2006) hebben bedragen (zie 5.6.10).

5.6.20.

Indien en voor zover belanghebbende stelt dat genoemde bedragen zijn geleend aan [naam 2], blijven deze behoren tot de rendementsgrondslag van Box III, omdat vorderingen tot de bezittingen behoren genoemd in artikel 5.3 van de Wet IB 2001.

5.6.21.

Het Hof zal de aanslagen IB 2005 en IB 2006 overeenkomstig rechtsoverweging 5.6.10 verminderen.

5.7.

Zevende geschilpunt (integrale proceskostenveroordeling)

5.7.1.

Belanghebbende verzoekt het Hof van de Bijlage bij het Besluit proceskosten (hierna het Besluit) af te wijken en een integrale kostenvergoeding toe te kennen omdat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur in deze procedure onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen gebruikt en/of zijn de bewijsmiddelen verkregen op een wijze die indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht.

5.7.2.

Reeds omdat uit rechtsoverweging 5.1, meer in het bijzonder uit de rechtsoverwegingen 5.1.20 en 5.1.22, volgt dat de bewijsmiddelen niet onrechtmatig zijn verkregen of onrechtmatig door de inspecteur zijn gebruikt, en het Hof ook overigens niet gebleken is van feiten of omstandigheden die tot het oordeel leiden dat het bepaalde in artikel 2, lid 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht van toepassing is, wijst het Hof belanghebbendes verzoek af.

5.8.

Achtste geschilpunt (immateriële schadevergoeding)

5.8.1.

Belanghebbende verzoekt om vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase.

5.8.2.

Uit de gedingstukken leidt het Hof af dat de bezwaarfase van 8 december 2010 (datum indienen bezwaarschrift) tot 31 oktober 2011 (datum uitspraak op bezwaar) heeft geduurd en dat de rechtbankprocedure op 14 september 2014 (derhalve circa 22 maanden na het indienen van het bezwaarschrift) eindigde.

5.8.3.

Omdat belanghebbende zich op het standpunt stelt dat de bezwaarfase en de fase voor de rechtbank afzonderlijk moeten worden beoordeeld en de bezwaarfase niet langer - aldus belanghebbende - dan 6 maanden mag duren, is in casu de redelijke termijn overschreden, aldus belanghebbende.

5.8.4.

Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet - aldus de Hoge Raad in zijn arrest van 10 juni 2011, zaaknr. 09/02639, LJN: BO5046, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BNB 2011/232 - aangesloten worden bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in zijn arrest van 22 april 2005, nr. 37984, LJN AO9006, BNB 2005/337. In rechtsoverweging 4.3 van laatstgenoemd arrest staat dat voor de berechting van de zaak in eerste aanleg als uitgangspunt heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet.

5.8.4.

Omdat uit rechtsoverweging 5.8.2 blijkt dat de rechtbank binnen twee jaren na het indienen van het bezwaarschrift uitspraak heeft gedaan, is van overschrijding van de redelijke termijn geen sprake.

5.9.4.

Belanghebbendes verzoek om ook in de hoger beroepsfase een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe te kennen (ingeval de uitspraak van het Hof niet binnen twee jaren na de rechtbankuitspraak wordt gedaan; hetgeen het geval is) wordt door het Hof op dezelfde gronden afgewezen als belanghebbendes verzoek om boetevermindering vanwege overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep (zie rechtsoverweging 5.5.5).

5.9.

Negende geschilpunt (incidenteel hoger beroep inspecteur)

5.9.1.

In zijn verweerschrift in hoger beroep schrijft de inspecteur:

“In de procedure voor de Rechtbank Haarlem heb ik mij […] op het standpunt gesteld dat de zogenoemde voortvarendheidsarresten van de Hoge Raad van 26 februari 2010 […] gewezen naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 11juni 2009 (Passenheim-van Schoot […] niet gelden voor door de [Stichting] aangehouden vermogensbestanddelen in Liechtenstein en Zwitserland. Die landen maken immers geen deel uit van de Europese Unie. Weliswaar geldt de vrijheid van kapitaalverkeer (artikel 56 van het EG Verdrag) ook met betrekking tot derde landen, maar de standstill-bepaling van artikel 57 van EG Verdrag verhindert toepassing van dit beginsel omdat artikel 16, lid 4 AWR al bestond op 31 december 1993. Deze bepaling is ingevoerd bij de Wet van 22 mei 1991, Stb 1991,264. De Rechtbank is van mening dat de standstill bepaling niet van toepassing is, omdat het aanhouden van een banktegoed niet valt onder het in artikel 57 EG genoemde kapitaalverkeer. Ik ben van mening dat het aanhouden van banktegoeden wel valt onder de definitie van kapitaalverkeer van artikel 57 EG. Zie in dit verband UN BX7634, Rechtbank Breda, 11/3335. Naar mijn mening is de standstill bepaling van toepassing en gelden de arresten inzake de voortvarendheid van Hoge Raad inzake artikel 16 lid 4 AWR niet voor derdenlanden als Liechtenstein en Zwitserland.”

5.9.2.

Nu het Hof in rechtsoverwegingen 5.2 - meer in het bijzonder 5.2.7 - tot de conclusie is gekomen dat de inspecteur aan de eis van voortvarend handelen heeft voldaan, hoeft het Hof de vraag niet meer te beantwoorden in hoeverre de rechtbank terecht geoordeeld heeft dat belanghebbende zich op artikel 56 EG-verdrag kon beroepen.

5.9.3.

Om die reden zal het Hof de incidenteel hoger beroepen van de inspecteur ongegrond verklaren.

Slotsom

De slotsom is dat de hoger beroepen van belanghebbende gegrond zijn. De door de inspecteur ingestelde incidenteel hoger beroepen zijn ongegrond.

6 Kosten

6.1.

Nu de door belanghebbende ingestelde hoger beroepen gegrond zijn, de door de inspecteur ingestelde incidenteel hoger beroepen ongegrond zijn en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, acht het Hof termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met 8:108 van die wet. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit.

Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en de in onderdeel c vermelde reiskosten. Voorts zijn de (hogere) beroepen aangaande de navorderingsaanslagen IB 1998 en VB 1989 als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit beschouwd, evenals de (hogere) beroepen aangaande de aanslagen IB 2005 en IB 2006.

6.2.

Ingevolge artikel 2, lid 1, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op: 8 [2 beroepschriften, zitting rechtbank, 2 hoger beroepschriften, 2 reacties op de incidenteel hoger beroepen, zitting Hof] x € 487 x 1,5 (wegingsfactor) x 1 (samenhang) = € 5.844.

Ingevolge artikel 2, lid 1, aanhef en onderdeel c, van het Besluit wordt het bedrag van de voor het bijwonen van het onderzoek ter zitting bij de rechtbank gemaakte reiskosten (per openbaar vervoer tweede klasse) vastgesteld op € 11.

6.3.

In totaal komt voor vergoeding in aanmerking een bedrag van (€ 5.844 + € 11 =) € 5.855.

7 Beslissing

Het Hof beslist als volgt:

Betreffende de uitspraak van de rechtbank 11/6549 (IB 98);

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep gegrond, voor zover dat betrekking heeft op de boetebeschikking;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar, voor zover die betrekking heeft op de boetebeschikking;

  • -

    vermindert de boete tot een bedrag van 50% van de nagevorderde inkomstenbelasting.

Betreffende de uitspraak van de rechtbank 11/6550 (VB 99)

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep gegrond, voor zover dat betrekking heeft op de boetebeschikking;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar, voor zover die betrekking heeft op de boetebeschikking;

  • -

    vermindert de boete tot een bedrag van 50% van de nagevorderde vermogensbelasting.

Betreffende de uitspraak van de rechtbank 11/6624 (IB 2005)

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar, voor zover die betrekking heeft op de vaststelling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen;

  • -

    vermindert de aanslag IB 2005 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 146.494 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 219.574.

Betreffende de uitspraak van de rechtbank 11/6548 (IB 2006)

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar, voor zover die betrekking heeft op de vaststelling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen en de boete;

  • -

    vermindert de aanslag IB 2006 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 311.258, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 40.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 231.553;

  • -

    vernietigt de boetebeschikking.

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 5.855; en

  • -

    gelast de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 41 (beroep bij de rechtbank) en € 460 (hoger beroep bij het Hof), in totaal € 501, te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. P.F. Goes, voorzitter, M.J. Leijdekker en A.O. Lubbers, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op 27 november 2014 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.