Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:507

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-02-2014
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
23-001391-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot 14 jaar gevangenisstraf voor doodslag. Niet duidelijk is geworden wat zich in de woning van het slachtoffer heeft afgespeeld en hoe hij precies om het leven is gekomen. Het slachtoffer is in stukken gehakt, vlakbij de snackbar gevonden in een ondergrondse vuilcontainer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-001391-12

datum uitspraak: 24 februari 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 maart 2012 in de strafzaak onder parketnummer 13-708090-10 tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

thans gedetineerd in [plaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 oktober 2012, 8 november 2012, 3 juni 2013, 17 juni 2013, 23 en 28 januari 2014 en 10 februari 2014 en overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 16 juli 2010 te Amsterdam opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, uitwendig geweld uitgeoefend op het lichaam van voornoemde [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Standpunten van het openbaar ministerie en de verdediging met betrekking tot het bewijs

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de impliciet subsidiair aan de verdachte tenlastegelegde doodslag van [slachtoffer].

De advocaat-generaal heeft daartoe - zakelijk weergegeven - het volgende naar voren gebracht.

Vast staat dat [slachtoffer] is overleden tussen 15 juli 2010 omstreeks 23.35 uur en 16 juli 2010 om 05.30 uur. Nu geen natuurlijke doodsoorzaak is gebleken, een enorme hoeveelheid bloedsporen in de woonkamer van [slachtoffer] is aangetroffen en het lichaam van [slachtoffer] in elf delen uit elkaar is genomen, die secuur zijn verpakt en in een afvalcontainer zijn gegooid, terwijl grondig is schoongemaakt in de woning en de snackbar van [slachtoffer], is bewezen dat [slachtoffer] door opzettelijk gewelddadig handelen van een ander of anderen om het leven is gekomen.

Niet ter discussie staat dat degene die op 15 juli 2010 om 23.21 uur naar [slachtoffer] heeft gebeld, degene was die door [slachtoffer] de woning is binnengelaten. Evenmin staat ter discussie dat diegene - en dat is de verdachte - verantwoordelijk is voor het gewelddadige handelen waaraan [slachtoffer] is overleden. Er zijn geen aanwijzingen voor de veronderstelling dat de verdachte daarbij samen met een ander heeft gehandeld.

De verdachte heeft ontkend dat hij degene is geweest die [slachtoffer] op 15 juli 2010 om 23.21 uur heeft gebeld, maar op basis van getuigenverklaringen en technisch onderzoek, waaronder historische printgegevens, kan als vaststaand worden aan dat zowel de telefoon met het imeinummer *3590 waarmee het telefonisch contact om 23.21 uur heeft plaatsgevonden als de simkaart met het telefoonnummer waarmee is gebeld #469, geruime tijd bij de verdachte in gebruik zijn geweest. Voor de suggestie van de verdachte dat anderen zijn telefoon wel eens gebruikten als hij aan het mahjongen was in het dossier geen steun te vinden. Evenmin heeft de verdachte daarvoor een concreet gegeven, zoals als een naam van een persoon of personen die zijn telefoon zouden hebben kunnen gebruiken, aangedragen.

De verdachte heeft verklaard dat hij de telefoon met imeinummer *3590, tegelijk met het ontvreemde toestel van [slachtoffer], pas na het overlijden van [slachtoffer] op het Waterlooplein heeft gekocht. Maar het is onwaarschijnlijk dat de verdachte toen en daar beide telefoons heeft gekocht die rechtstreeks in verband staan met het overlijden van de hem goed bekende [slachtoffer], terwijl de verdachte zeer wisselend heeft verklaard over de datum waarop hij die telefoons zou hebben gekocht. Bovendien is het onwaarschijnlijk, gelet op verdachtes financiële positie als illegale vreemdeling, dat hij deze telefoons heeft gekocht om deze vervolgens (uitermate) snel weer weg te geven. Alles bij elkaar beschouwd, geldt dat tegenover de vele concrete en technische onderzoeksbevindingen enkel de vage, niet-onderbouwde en ronduit ongeloofwaardige standpunten van de verdachte staan. Aldus kan worden vastgesteld dat de verdachte de gebruiker was van zowel de simkaart met telefoonnummer #469 als van de telefoon met imeinummer *3590. Deze conclusie vindt steun in andere onderzoeksbevindingen die, hoewel minder onomstotelijk, wel wijzen op de verdachte als dader van de gewelddadigheden jegens [slachtoffer].

Ten slotte wordt nog opgemerkt dat de verdachte geen alibi heeft en dat door of namens hem geen alternatieve scenario’s zijn aangedragen met concrete aanknopingspunten die kunnen leiden tot andere verdachten.

De aan de verdachte tenlastegelegde doodslag kan dan ook wettig en overtuigend worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit en heeft daartoe - zakelijk weergegeven - het volgende naar voren gebracht.

De verdachte ontkent iedere betrokkenheid bij het overlijden van [slachtoffer] en is stellig in zijn verklaringen over de aanschaf van de twee mobiele telefoons, die van [slachtoffer] en die waarmee naar [slachtoffer] is gebeld, op het Waterlooplein. De rechtbank heeft de verklaring van de verdachte als leugenachtig bestempeld. Maar het wisselend verklaren door de verdachte kan geen kennelijke leugenachtigheid met zich brengen nu die verklaringen niet tot “andere bewijsmiddelen” dan die van hemzelf gerekend kunnen worden waaruit die leugenachtigheid te herleiden zou zijn. Ten aanzien van de overige bewijsmiddelen geldt dat deze weliswaar sterke aanwijzingen in de richting van de verdachte behelzen maar dat zij op zichzelf bezien niet het redengevende bewijs opleveren dat de verdachte de dood van [slachtoffer] op zijn geweten heeft. Die overige bewijsmiddelen betreffen het volgende: 1. de verdachte beschikte over de telefoon van [slachtoffer], 2. de verdachte wist waar de vuilnispas lag en 3. de verdachte voldoet aan het signalement van de man die de lijkdelen stortte. Hiertegen is het volgende in te brengen, aldus de raadsman.

Aanschaf telefoons op het Waterlooplein

De verdachte houdt vol dat hij de twee eerdergenoemde mobiele telefoons op het Waterlooplein heeft gekocht. Uit door de verdediging zelf verricht onderzoek is gebleken dat op het Waterlooplein bij de marktkraam met nummer [[...]], overeenkomstig de verklaring van de verdachte en de door de verdediging overgelegde foto’s, wel degelijk telefoons werden verkocht. Marktkoopman [P.B.] heeft desgevraagd tegenover de politie verklaard dat hij wel eens telefoons had liggen. De politie heeft vervolgens verzuimd aan [P.B.] te vragen of hij ook in de periode juli 2010 op die plek telefoons verkocht. De onvolledigheid van dit politieonderzoek is voor de verdediging aanleiding het hof andermaal te verzoeken [P.B.] als getuige te doen horen met betrekking tot de mogelijkheid dat de verdachte in juli 2010 twee telefoons bij hem heeft gekocht.

In ieder geval kan gelet op het voorgaande niet worden volgehouden dat het niet mogelijk is geweest de onderhavige telefoons daar te kopen, zoals door de verdachte steeds is verklaard.

De gebruiker van het telefoonnummer #469

De gang van zaken met betrekking tot het opnemen van de telefoon door [slachtoffer] op 15 juli om 23.21 uur laat de mogelijkheid open dat de beller een ander was dan degene die door [slachtoffer] werd verwacht naar aanleiding van het telefoonnummer dat op zijn display verscheen. Het is bovendien voorstelbaar dat [slachtoffer] het niet nodig vond zijn vriendin ([S.C.]) daarna op de hoogte te brengen van de identiteit van de beller. Daar komt bij dat zelfs indien kan worden vastgesteld dat de verdachte ooit de (kortstondige) gebruiker was van het telefoonnummer #469 en van de telefoon met imeinummer *3590, dat nog niet de conclusie rechtvaardigt dat de verdachte op die avond en op die plaats ook de gebruiker van dat nummer was.

De getuigen

[W.T.], [A.C.] en [R.J.] zijn als getuigen bij de raadsheer-commissaris gehoord. Bij die gelegenheid zijn zij in die zin van hun eerdere verklaringen teruggekomen, dat zij niet langer zeggen een Chinese man te hebben gezien maar dat het een Aziatische man betreft. Alleen [G.K.] blijft erbij dat hij een Chinese man heeft gezien. Zijn verklaring is evenwel mogelijk minder bruikbaar, gelet op het feit dat hij blijft volhouden dat hij [slachtoffer] op de vroege ochtend van 16 juli 2010 nog heeft gezien, hetgeen niet mogelijk is. Ook is in dit verband van belang dat forensisch deskundige ing. [C.B.] steeds het standpunt heeft gehuldigd dat de beschrijvingen van voornoemde getuigen de mogelijkheid open laten dat die bewuste ochtend niet één persoon maar minstens twee personen door de getuigen zijn gezien. Immers, er is zowel een mager als een gezet persoon beschreven en daarnaast is in een korte tijdspanne eerst een persoon gezien in een vreemd “zaagpak” terwijl even later iemand werd gezien zonder dat pak.

Alternatieve scenario’s

In het dossier bevindt zich een aantal CIE-berichten waarin alternatieve scenario’s worden opgeworpen (inzake het overlijden van [slachtoffer]). In oktober 2010 is door de autoriteiten zelf nog een alternatief scenario opgeworpen, waarin [M.C.] wordt opgevoerd en wordt gesuggereerd dat [slachtoffer] bij internationale drugshandel betrokken zou zijn geweest. Daarenboven blijkt nog dat [M.C.] enige maanden voor de dood van [slachtoffer] van de aardbodem is verdwenen. De verdediging heeft in dit verband meermalen verzocht gegevens van het Kikai-onderzoek naar de verdwijning van [M.C.] aan het dossier toe te voegen. Dat is zowel door de rechtbank als het hof geweigerd. In het licht van de door de verdediging geuite wensen kan niet worden gezegd, zoals de rechtbank heeft gedaan, dat geen redelijk te onderzoeken alternatieve scenario’s zijn opgeworpen. Voorts is niet gebleken dat de verdachte op 15 juli 2010 in de woning van [slachtoffer] is geweest. Daarbij is van belang dat het in de badkamer van [slachtoffer] aangetroffen dactyloscopisch spoor van de verdachte daar al zeer lang aanwezig kan zijn geweest; in ieder geval is niet vast te stellen dat dit spoor daar in de nacht van 15 op 16 juli 2010 is achtergelaten.

Niet kan worden uitgesloten dat één van de in de CIE-berichten genoemde partijen (een triade-lid of een lid van een Marokkaans-Nederlandse drugsorganisatie) of bijvoorbeeld een woekeraar in verband met de gokschulden van de verdachte, de verdachte zover heeft gekregen zijn telefoon af te staan - waarna die persoon naar [slachtoffer] heeft gebeld - of dat de verdachte zelf naar [slachtoffer] heeft gebeld maar dat een ander dan de verdachte de woning is binnengegaan, vervolgens [slachtoffer] heeft gedood en de telefoon van [slachtoffer] heeft gestolen, waarna deze telefoon en die waarmee naar [slachtoffer] is gebeld op het Waterlooplein terecht zijn gekomen, alwaar zij door de verdachte zijn gekocht.

Psychologisch onderzoek

Gelet op de gruwelijkheid van het aan de orde zijnde misdrijf is het niet voorstelbaar dat deze daad door een geestelijk gezond persoon is gepleegd. Het komt de verdediging voor dat het omtrent de verdachte opgemaakte psychologische rapport de verdachte welhaast vrijpleit nu hij daarin niet wordt beschreven als een geestelijk zieke man die het onderhavige, verschrikkelijke strafbare feit met een koelbloedigheid die hem door de rechtbank is toegedicht, kan hebben gepleegd.

Overwegingen van het hof met betrekking tot het bewijs

Het hof merkt dat het zich op veel onderdelen verenigt met de overwegingen van de rechtbank, zodat deze met de aanpassingen van het hof komen te luiden als hierna weergegeven.

De telefoons en het telefoongesprek op 15 juli 2010

Vaststaat dat het slachtoffer, [slachtoffer], in het bezit was van een telefoon met imeinummer [[...]] (hierna: *9685) en telefoonnummer [[...]] (hierna: nummer #339), alsmede van een telefoon met imeinummer[[...]] (hierna: *7995) en telefoonnummer [[...]] (hierna: nummer #363). Voorts staat vast dat met een telefoon met imeinummer [[...]] (hierna: *3590) en telefoonnummer [[...]] (hierna: nummer #469) op 15 juli 2010 om 23:21:42 uur naar het telefoonnummer #339 van [slachtoffer] is gebeld en dat (met) dit laatstgenoemde telefoonnummer daarna niet meer is gebeld.

Naar het oordeel van het hof staat voldoende vast dat de verdachte de gebruiker is geweest van nummer #469. Het hof wijst daarbij op de verklaringen van verdachtes vriend [Y.K.], zijn vriendin [M.W.] en getuige [K.T.], waaruit volgt dat zij de verdachte konden bereiken op dat telefoonnummer. Volgens [Y.K.] was dat ook zo in juni/juli 2010, in welke periode het tenlastegelegde feit valt.

Bevestiging voor de vaststelling dat de verdachte - al vóór het overlijden van [slachtoffer] - de gebruiker was van nummer #469, en bewijs voor het feit dat hij gebruiker was van de telefoon met imeinummer *3590, vindt het hof in de navolgende feiten en omstandigheden:

 De simkaart met telefoonnummer [[...]] op naam van [Y.K.] zat in de periode van 7 mei tot en met 13 mei 2010 in de telefoon met imeinummer *3590. [Y.K.] heeft daarover verklaard dat hij zijn telefoon (het hof begrijpt: inclusief simkaart) in mei 2010 ter reparatie aan de verdachte heeft gegeven. De verdachte heeft bevestigd dat hij een telefoon van [Y.K.] ter reparatie had ontvangen.

 Op 23 mei 2010 (om 01:21:33, 01:33:53, 13:59:03 en 14:12:18 uur) hadden [M.W.] en de verdachte telefonisch contact. Met betrekking tot die contacten is gebleken dat [M.W.] met telefoonnummer[[...]] (hierna: #335) inbelde naar het aan de verdachte toebehorende nummer #444 en dat (zeer) kort na de beëindiging van het contact met nummer #469 werd ingebeld naar [M.W.] op haar nummer, #335. De nummers #469 en #444 maakten daarbij gebruik van dezelfde zendmasten. [M.W.] heeft verklaard dat het regelmatig voorkwam dat de verdachte en zij ruzie maakten tijdens een telefoongesprek, dat één van hen dan kwaad ophing en dat daarna direct werd teruggebeld. Zij wachtte dan meestal totdat de verdachte haar terugbelde.

 De verdachte heeft verklaard dat hij gebruik maakte van telefoonnummer[[...]] (het al eerder genoemde nummer #444). Dit nummer is in de periode van 1 februari 2010 tot en met 31 juli 2010 uitsluitend gebruikt in een telefoon met imeinummer[[...]] (hierna: *1830). Nummer #469 is in de periode van 1 februari 2010 tot en met 15 juli 2010 met uitzondering van één contact op 21 juni 2010 om 01:16:02 uur uitsluitend gebruikt in een telefoon met imeinummer *3590. Ten aanzien van laatstgenoemde datum is het volgende gebleken:

- Op 21 juni 2010 om 01:12:44 uur belde nummer #469 (geplaatst in de telefoon met imeinummer *3590) uit met een servicenummer van de provider. Deze telefoon maakte daarbij gebruik van de cell-id 42261, die zich bevond op Wisseloord te Amsterdam-ZO en was geplaatst op 60 graden.

- Op 21 juni 2010 om 01:16:02 uur belde nummer #469 (nu geplaatst in een telefoon met imeinummer *1830) nogmaals uit met een servicenummer van de provider. Deze telefoon maakte daarbij gebruik van de cell-id 20961, die zich bevond op het Wethouder de Roosplein te Amsterdam-ZO en was geplaatst op 60 graden.

- Op 21 juni 2010 om 01:22:48 uur ontving nummer #444 (geplaatst in een telefoon met imeinummer *1830) een sms-bericht van de provider. Voor de ontvangst van het sms-bericht maakte imeinummer *1830 gebruik van eerdergenoemde cell-id 20961, die zich bevond zich op het Wethouder de Roosplein te Amsterdam-ZO en was geplaatst op 60 graden.

- Vervolgens lagen de beide 06-nummers en de beide imeinummers op 21 juni 2010 van 01.22.48 uur tot 10.00 uur stil.

Gelet op de korte tijd tussen het wisselen van de nummers #469 en #444 in de telefoon met imeinummer *1830, het gebruik van dezelfde cell-id door deze beide nummers in minder dan 7 minuten in een telefoon met hetzelfde imeinummer en het gelijktijdig stilvallen van die nummers op een tijdstip dat de aanvang van een periode van nachtrust doet vermoeden, kan als vaststaand worden aangenomen dat de gebruiker van de nummers #469 en #444 op 21 juni 2010 één en dezelfde persoon betrof.

Mede gelet op het voorgaande staat naar het oordeel van het hof vast dat de verdachte (ook) in de periode rondom het overlijden van [slachtoffer] de gebruiker was van nummer #469 en is de conclusie gerechtvaardigd dat hij degene was die op 15 juli 2010 om 23:21:42 uur naar [slachtoffer] heeft gebeld en bij hem naar binnen is gegaan.

Het dossier bevat geen enkel aanknopingspunt voor de stelling van de raadsman dat niet de verdachte maar een ander toen met verdachtes telefoon naar [slachtoffer] heeft gebeld. Hetgeen [S.C.] van het gewraakte telefoongesprek heeft opgevangen, wijst op het tegendeel. Daaruit blijkt immers geenszins dat [slachtoffer] een ander aan de telefoon kreeg dan hij - naar moet worden aangenomen op basis van de weergave, in de display van zijn telefoon, van het nummer waarmee gebeld werd of de naam van de daaraan gekoppelde persoon - had verwacht, waarbij opmerking verdient dat [slachtoffer] kan worden geacht met het nummer en de daarbij behorende persoon bekend te zijn, nu op een tafel in zijn woonkamer een notitie met het nummer #469 is aangetroffen. Hierbij verdient voorts opmerking dat de verdachte in of omstreeks 2008 voor [slachtoffer] de woning boven diens snackbar heeft verbouwd, dat zij ook daarna nog contact met elkaar hebben gehad en dat de verdachte - die veel schulden had - een paar weken voor het onderhavige feit bij het slachtoffer had aangeklopt om geld van hem te lenen.

[S.C.] heeft [slachtoffer] telefoon horen overgaan, heeft [slachtoffer] horen zeggen dat hij de deur ging opendoen en heeft later een chatbericht van hem gekregen, inhoudende dat de vriend (voor wie hij de deur had open gedaan) nog aanwezig was. De zoon van [slachtoffer] heeft verklaard dat zijn vader geen deurbel had, dat gasten bij bezoek [slachtoffer] moesten bellen waarna [slachtoffer] naar beneden kwam om de deur te openen, en dat zijn vader nooit de deur opende voor vreemden. In dit verband is voorts van belang dat uit een “GSM-monitor” kan worden afgeleid dat de gebruiker van #469 zich om 23.25.21 uur in de omgeving van de snackbar bevond. Ervan uitgaande dat de verdachte de gebruiker was van nummer #469 kan de verklaring van de verdachte dat hij zich ten tijde van het onderhavige telefoongesprek in een speelhal in het centrum van Amsterdam bevond dan ook niet waar zijn. Het hof merkt nog op dat de verdachte zich overigens over zijn wederwaardigheden in de avond van 15 juli 2010 en de daaropvolgende nacht bijzonder vaag heeft uitgelaten en dat zijn verklaringen terzake geen aanknopingspunten boden voor nader onderzoek, laat staan dat voor de aannemelijkheid van zijn verblijf elders dan in Amsterdam-Noord enige indicatie kon worden gevonden.

Aanschaf telefoons op het Waterlooplein?

[W.C.] heeft verklaard dat hij op 19 juli 2010 een telefoon met Chinese tekens van de verdachte heeft gekregen. Deze telefoon (met imeinummer *7995) behoorde aan [slachtoffer] toe. [W.C.] heeft de telefoon op 20 juli 2010 in gebruik genomen. Ook [J.P.] heeft een telefoon van de verdachte ontvangen. Zij heeft die telefoon (met imeinummer *3590) op 5 augustus 2010 in gebruik genomen.

De verdachte heeft gesteld dat hij beide telefoons, tegelijk en ná het overlijden van [slachtoffer], op het Waterlooplein had gekocht voor 70 à 80 euro per stuk. Het hof gaat voorbij aan deze stelling vanwege de onwaarschijnlijkheid daarvan en overweegt daartoe als volgt.

Met betrekking tot de telefoon die de verdachte aan [J.P.] heeft gegeven, heeft het hof reeds vastgesteld dat de verdachte al vóór het overlijden van [slachtoffer] de gebruiker was van de telefoon met imeinummer *3590.

Met betrekking tot de telefoon die de verdachte aan [W.C.] heeft gegeven, geldt de politie op aanwijzingen van de verdediging uiteindelijk terecht is gekomen bij Waterlooplein-marktkoopman [P.B.]. Hij heeft op 12 maart 2012 tegenover de politie verklaard dat hij wel eens tweedehands gsm’s verkoopt, dat hij Chinese telefoons zelden tegenkomt en dat hij zich niet kan herinneren ooit een Chinese telefoon te hebben verkocht.

De verdediging heeft bij pleidooi nogmaals verzocht [P.B.] als getuige te doen oproepen omdat het tot nu toe op het Waterlooplein verrichte onderzoek in de ogen van de verdediging onvolledig zou zijn geweest. Doordat is verzuimd aan de getuige te vragen of hij in juli 2010 aldaar mobiele telefoons verkocht, is de mogelijkheid de bewering van de verdachte dat hij de telefoons op het Waterlooplein heeft gekocht te toetsen, juridisch afgekapt, aldus de raadsman.

Anders dan de raadsman acht het hof het op het Waterlooplein verrichte onderzoek voldoende duidelijk om daaraan conclusies te kunnen verbinden. Uit dit onderzoek kan worden afgeleid dat [P.B.] wel eens mobiele telefoons op het Waterlooplein heeft verkocht, waarbij het hof wil aannemen dat dit ook het geval is geweest in juli 2010, hetgeen overigens ook van andere marktkooplui op het Waterlooplein gezegd zou kunnen worden. Maar de specifieke vraag die in de onderhavige zaak beantwoord dient te worden, is of de verdachte de mobiele telefoons die hij aan [W.C.] en aan [J.P.] heeft gegeven op het Waterlooplein heeft gekocht. Die vraag heeft het hof hiervoor reeds ontkennend beantwoord.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en gelet op de onderbouwing die de raadsman aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd, acht het hof het horen van de verzochte getuige niet noodzakelijk en wordt het verzoek afgewezen.

De door getuigen gegeven signalementen

De raadsman heeft, met juistheid, opgemerkt dat de getuigen [W.T.], [A.C.] en [R.J.], toen zij als getuigen door de raadsheer-commissaris werden gehoord, de door hen bij de snackbar onderscheidenlijk de afvalcontainer waargenomen man niet langer omschreven als een man van Chinese maar van Aziatische afkomst. De raadsman heeft voorts gewezen op verschillen in de door de getuigen gegeven signalementen. Zo heeft [W.T.] de man die hij de snackbar binnen zag gaan, omschreven als mager, terwijl [A.C.] juist een gezet persoon heeft gezien.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

[W.T.] en [A.C.] zijn, in de vroege ochtend van 16 juli 2010, in één auto komen aanrijden. Zij hebben beiden verklaard slechts één man bij de snackbar te hebben gezien, die klein was, zwart haar had en een oranje schort/overall droeg. Gelet op het overigens door [W.T.] en [A.C.] gegeven signalement gaat het hof er dan ook van uit dat zij een en dezelfde persoon hebben gezien en hebben omschreven. De omstandigheid dat die beschrijving niet volledig overeenkomt, doet daaraan niet af.

De door[G.K.] gegeven omschrijving past bij het door [W.T.] en [A.C.] gegeven signalement. Datzelfde geldt ook voor de door [R.J.] gegeven omschrijving. Daarbij wordt opgemerkt dat de man die[G.K.] zag aanvankelijk een oranje overall droeg en dat hij die even later had uitgetrokken. De omstandigheid dat [R.J.] - die kennelijk net iets later langs de container liep dan[G.K.] - geen oranje overall heeft gezien, laat zich aldus eenvoudig verklaren.

Ook overigens zijn de gegeven signalementen voldoende eenduidig en laten deze, anders dan door de raadsman is bepleit, geen ruimte voor de stelling dat het om twee verschillende personen gaat. Het feit dat enkele van de getuigen hun omschrijving hebben gewijzigd van Chinese man in Aziatische man, doet geen afbreuk aan de waarde die aan deze getuigenverklaringen kan worden toegekend. Door voornoemde aanpassing voldoen weliswaar meer personen aan de signalementen, maar de getuigen zijn voor het overige bij de door hen gegeven signalementen gebleven. Die signalementen vertonen sterke overeenkomsten en de verdachte past daarin goed, ook na voornoemde aanpassingen.

Het hof overweegt concluderend het volgende.

Het hof leidt uit de verklaringen van [W.T.] en [A.C.] af dat zij op 16 juli 2010 omstreeks 05.15 uur een Aziatische man, gelijkend op de verdachte, in en bij de snackbar op het Mercuriusplein te Amsterdam hebben gezien. Het hof leidt voorts uit de verklaringen van[G.K.] en [R.J.] af dat zij op 16 juli 2010 tussen 05.30 uur en 05.45 een Chinese respectievelijk Aziatische man, gelijkend op de verdachte, in de buurt van de vuilcontainer - waarin de lichaamsresten van [slachtoffer] zijn aangetroffen - hebben gezien. Mede gelet op de door [W.T.], [A.C.] en[G.K.] beschreven oranje overall gaat het hof ervan uit dat het hier telkens om dezelfde persoon gaat.

Nadere overwegingen en conclusies

Het hof leidt uit het hiervoor overwogene, bezien in onderling verband en in samenhang met de gebezigde bewijsmiddelen het volgende af.

De verdachte heeft op 15 juli 2010 om 23:21:42 uur [slachtoffer] gebeld en is vervolgens de woning van [slachtoffer] binnengegaan, alwaar hij om 23:44 uur (nog) was. [slachtoffer] is ná 23:44 uur (het tijdstip van zijn laatste chatbericht aan [S.C.]) van het leven beroofd.

De vuilcontainer waarin het stoffelijk overschot van [slachtoffer] is aangetroffen, is op 16 juli 2010 tussen 05.31 uur en 05.35 uur zes keer geopend, telkens met dezelfde pas - waarvan de verdachte naar eigen zeggen wist waar die normaliter in de snackbar van [slachtoffer] werd bewaard. Het hof neemt aan dat het de verdachte is geweest toen de lichaamsdelen van [slachtoffer] in de vuilcontainer aan de Laanweg te Amsterdam heeft gestort.

Uit het sectierapport blijkt dat het in stukken hakken van het lichaam van [slachtoffer] (vermoedelijk) na zijn overlijden heeft plaatsgevonden en dat er geen anatomische doodsoorzaak aanwijsbaar is. Het hof acht desalniettemin bewezen dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van op zijn lichaam uitgeoefend uitwendig geweld en dat een en ander in de woning/snackbar heeft plaatsgevonden. Het hof betrekt bij zijn oordeel dat er geen aanwijzingen zijn voor een natuurlijke doodsoorzaak en dat het volstrekt onwaarschijnlijk is dat iemand een lichaam, na overlijden door een natuurlijke doodsoorzaak, in elf stukken hakt, die verpakt en in een vuilcontainer stort.

Bij de sectie zijn geen ziekelijke orgaanafwijkingen geconstateerd en uit toxicologisch onderzoek is gebleken dat de dood niet verklaard kan worden door het gebruik van alcohol, drugs en/of geneesmiddelen. In het sectierapport is op een aantal mogelijke doodsoorzaken gewezen, zoals steek- en snijletsels in de halsstreek met als gevolg overlijden door verbloeding, steekletsels aan het hart en de longen, en wurghandelingen met als gevolg overlijden door verstikking. Het feit dat niet is komen vast te staan welke van deze geweldshandelingen exact is of zijn toegepast, brengt niet met zich dat sprake zou zijn van een natuurlijke doodsoorzaak of een ongeval. Het hof betrekt bij zijn oordeel voorts de bevindingen van het in de woning van [slachtoffer] op 21 juli 2010 verrichte luminolonderzoek, waarbij onder meer bloed is aangetroffen over de gehele vloer in de woonkamer en op de meubels aldaar.

Gelet op het relatief korte tijdverloop tussen het moment waarop de verdachte de woning van [slachtoffer] binnen ging en het moment waarop de lichaamsdelen van [slachtoffer] in de vuilcontainer zijn gestort, de tijd die met het in stukken hakken van het lichaam, het verpakken van de lichaamsdelen en het schoonmaken van de woning/snackbar gemoeid moet zijn geweest, is het hof van oordeel dat het de verdachte moét zijn geweest die de (impliciet subsidiair) ten laste gelegde doodslag heeft gepleegd. Daarmee neemt het hof nog in aanmerking dat, zoals al eerder overwogen, de verdachte bijzonder vaag is geweest in zijn uitlatingen over zijn wederwaardigheden in het desbetreffende tijdsbestek en hij geen enkele verklaring heeft willen of kunnen geven voor hem zeer belastende omstandigheden. Dat niet is komen vast te staan welke geweldshandelingen zijn toegepast noch met welk motief het slachtoffer is gedood, doet daaraan niet af.

Uit de stukken in het dossier is niet gebleken dat sprake was van een tevoren opgevat plan om [slachtoffer] van het leven te beroven of dat de verdachte op enig moment de tijd heeft gehad zich te beraden over zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven, zodat de voorbedachte raad niet kan worden bewezen.

Het hof merkt ten slotte nog op dat hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht met betrekking tot de gezonde psyche van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit de psychologische rapporten, niet uitsluit dat hij in staat is een dergelijk feit te plegen.

Alternatieve scenario’s

De door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep geschetste scenario’s dat één van de in de eerdergenoemde CIE-berichten genoemde partijen of een willekeurige ander persoon de verdachte zover heeft gekregen zijn telefoon af te staan, waarna die persoon naar [slachtoffer] heeft gebeld of dat de verdachte

- onder druk van die persoon - zelf naar [slachtoffer] heeft gebeld maar dat die ander vervolgens de woning is binnengegaan, dat diegene [slachtoffer] heeft gedood en de telefoons van [slachtoffer] heeft gestolen, waarna deze op het Waterlooplein terecht zijn gekomen, alwaar een telefoon van [slachtoffer] en de telefoon waarmee voor het laatst naar [slachtoffer] is gebeld door de verdachte zijn gekocht, vinden hun weerlegging in het hetgeen hiervoor is overwogen, waarbij het hof opmerkt dat die scenario’s in de kern niet meer behelzen dan vage hypothesen, die bovendien in zoverre niet aansluiten bij de verklaringen van de verdachte, dat hij nimmer gewag heeft gemaakt van een persoon aan wie hij de desbetreffende avond zijn telefoon heeft afgestaan noch van een persoon ten behoeve van wie hij [slachtoffer] zou hebben gebeld.

Meer in het algemeen heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat in de zich in het dossier bevindende CIE-berichten concrete alternatieve scenario’s op relationeel gebied en op het gebied van de internationale drugshandel zijn opgeworpen, die niet nader zijn onderzocht.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het dossier blijkt dat uitvoerig onderzoek is verricht naar feiten en omstandigheden in het privéleven van [slachtoffer], daaronder begrepen zijn liefdesleven, en zijn financiën. Dit heeft geen aantoonbare opmerkelijkheden of onregelmatigheden opgeleverd. De naar voren gebrachte alibi’s van in het dossier genoemde personen zijn onderzocht, hetgeen geen aanwijzingen heeft opgeleverd voor de betrokkenheid van anderen dan de verdachte bij het overlijden van [slachtoffer]. Ook is [slachtoffer] eventuele handelen op het gebied van de (internationale) drugshandel onder de loep genomen. In het bijzonder is onderzocht of sprake was van overeenkomsten tussen subjecten en telefoonnummers in het onderzoek Kikai (het onderzoek naar de verdwijning van [M.C.]) en in het onderhavige onderzoek (Pisco). Daarvan is niet gebleken, terwijl ook overigens gedurende het onderhavige onderzoek geen aanwijzingen zijn gevonden dat [slachtoffer] zich bezig hield met de handel in verdovende middelen.

Gelet op het voorgaande volgt het hof de raadsman niet in zijn stelling dat alternatieve scenario’s onvoldoende zijn onderzocht. Het hof vermag niet in te zien tot welk nader onderzoek de politie en/of het openbaar ministerie in de onderhavige zaak nog was gehouden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 16 juli 2010 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet uitwendig geweld uitgeoefend op het lichaam van voornoemde [slachtoffer], ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte van de impliciet primair ten laste gelegde moord vrijgesproken en voor de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaar met aftrek van de tijd die hij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig misdrijf, te weten doodslag. De gevolgen voor het slachtoffer en zijn naasten zijn onomkeerbaar. De laatste levensmomenten moet het slachtoffer in angst en pijn hebben doorgebracht. De wijze waarop de verdachte vervolgens het menselijk lichaam met geweld heeft gereduceerd tot 11 lichaamsdelen, die door hem in een ondergrondse vuilcontainer zijn gestort, is bijna niet te bevatten en geven de doodslag een nog gruwelijker karakter. Die gruwelijkheid en het kille en berekenende handelen dat hiervoor nodig moet zijn geweest, heeft de samenleving ernstig beroerd. Met zijn handelen heeft de verdachte blijk gegeven van een gebrek aan respect voor het meest fundamentele recht van een mens, namelijk het recht op leven. Hoewel geen enkel motief het voorgevallene zou kunnen rechtvaardigen, is het schrijnend dat van een ook maar enigszins invoelbare aanleiding in het geheel niet is gebleken. De verdachte heeft immers zijn verantwoordelijkheid voor het misdrijf niet willen nemen en nagelaten openheid van zaken te geven.

Daarnaast moet het verlies van het slachtoffer ten gevolge van geweld een ingrijpende ervaring zijn voor diegenen met wie hij in zijn leven verbonden was. Dat zijn plotselinge overlijden onpeilbaar veel leed bij zijn dierbaren heeft veroorzaakt, is gebleken uit de namens de nabestaanden ter terechtzitting in hoger beroep door de voorzitter voorgelezen slachtofferverklaring. Het is een verlies dat zij hun leven lang zullen moeten meedragen.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 23 januari 2014 is hij in Nederland niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn voordeel weegt.

Uit de omtrent de verdachte opgemaakte rapporten van psycholoog [M. van W.] van 22 april 2011 en 21 september 2011 blijkt niet van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens.

Gelet op het hiervoor overwogene, acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf voor de duur van veertien jaar passend en geboden. De ernst van het feit noopt hier bepaaldelijk toe. En door de (proces)houding van de verdachte, die er in het geheel geen blijk van heeft gegeven feiten als de onderhavige als verwerpelijk te beschouwen, is het hof van oordeel dat de maatschappij langdurig moet worden beschermd tegen de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- drie oorbellen (een paar, een losse oorbel), kleur zilver (3925945);

- een hangertjes, kleur zilver (3925950);

- een ketting, kleur goud (3925952);

- een horloge, kleur goud, merk Omega (3925750);

- een geldbedrag van € 251,02;

- een zaktelefoon, merk Samsung, kleur zwart (3926681);

- een kabel, Sony 8GB, kleur zwart (3926691);

- een kabel, EMTAC usb, kleur rood (3926704);

- een simkaart van een zaktelefoon, merk Lebara (3926712);

- een simkaart van een zaktelefoon, merk Lebara (3926714);

- een simkaart van een zaktelefoon, merk Lebara (3926730);

- een simkaart van een zaktelefoon, merk T-mobile (3926741);

- een simkaart van een zaktelefoon, merk Nokia, kleur zwart (3926760);

- een kabel, T-mobile E160g, kleur zwart (3926774);

- een Albert Heijn tas, kleur oranje (3929175);

- een Soigne tas (3929182);

- een MP3-speler, merk Apple iPod (3929540)

- een sleutelbos met sleutelhanger DIOR (3929542);

- een horloge, merk Patek Philippe, zonder bandje (3929544);

- een horloge, merk Quartz, kleur goud (3929545);

- een horloge, merk Quartz, kleur zilver (3929546)

- een horloge, merk Rolex, kleur zilver in een Gucci brillenkoker (3929548);

- een zaktelefoon, merk Apple iPhone, kleur zwart (3929867);

- een simkaart van een zaktelefoon, merk Lebara (3938352);

- een horloge, merk Breitling 1884 (3948114);

- een rugzak met onbekende inhoud, kleur crème (3957418).

Gelast de teruggave aan de erfgenamen van [slachtoffer] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een computer, merk HP portable (3881405);

- een zaktelefoon, merk Samsung (3881412);

- een schort, kleur oranje (3890594);

- een zwarte werkhandschoen (3890607);

- een kledingstuk, merk Kariban, maat 1, kleur oranje (3890587)

- een geldbedrag (zeven munten) van in totaal € 5,90 (3886469).

Gelast de teruggave aan[J.P.] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een geldbedrag ad € 400,- (20 x € 20,-) (3925775);

- een geldbedrag ad € 13,25 (muntgeld) (3925786) een geldbedrag van € 935,- (3935819).

Gelast de teruggave aan [W.C.] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- een OV jaarkaart (3925805).

Gelast de teruggave aan het GVB van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- 2 CD-rom's (van het pontje naar Amsterdam Noord) (3884041).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een zaktelefoon, merk Nokia 6600 (3926293);

- een doos t.a.v. Cao (3895020);

- een zaktelefoon, merk Nokia 5530 (3895021);

- een accuoplader, merk Nokia (3895022);

- een zaktelefoon, merk Nokia, kleur zwart (3926236).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. W.M.C. Tilleman en mr. C.N. Dalebout, in tegenwoordigheid van mr. J. Mulder, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 februari 2014.

Mr. Dalebout is buiten staat dit arrest te ondertekenen.