Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4903

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-11-2014
Datum publicatie
21-09-2015
Zaaknummer
200.144.841-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.144.841/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam: C/13/533427/HA ZA 13-20

arrest in het incident van de meervoudige burgerlijke kamer van

25 november 2014

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat: mr. J.H. Tonino te Amsterdam,

tegen:

de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. R.P. Raas te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en ING genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 25 februari 2014 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 november 2013, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser en ING als gedaagde. Bij exploot van 31 maart 2014 heeft ING de aangezegde roldatum 29 april 2014 vervroegd naar

8 april 2014.

Partijen hebben daarna de volgende stukken in het incident ingediend:

- incidentele conclusie inhoudende vordering tot inzage, afgifte of uittreksel van bescheiden ex artikel 843a Rv, met producties;

- memorie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv;

- akte inhoudende repliek incidentele vordering afgifte en inzage bescheiden ex art. 843a Rv;

- akte houdende dupliek in het incident ex artikel 843a Rv.

In de hoofdzaak heeft [appellant] na de memorie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv de memorie van grieven tevens wijziging van eis genomen. In de akte inhoudende dupliek in het incident ex artikel 843a Rv reageert ING (ook) op hetgeen [appellant] in de memorie van grieven naar voren brengt. Daarna heeft ING de memorie van antwoord genomen.

Vervolgens is arrest in het incident gevraagd.

[appellant] heeft in het incident gevorderd dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad en voorafgaand aan de verdere procesvoering in de hoofdzaak, ING zal veroordelen tot het verstrekken van afschrift of uittreksel van de in de incidentele conclusie inhoudende vordering tot inzage, afgifte of uittreksel van bescheiden ex artikel 843a Rv onder 29 onder a tot en met e genoemde bescheiden aan [appellant] .

ING concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering, met, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [appellant] in de kosten van dit incident, met rente.

2 Beoordeling

2.1.

Deze zaak betreft het volgende. Partijen hebben op 22 april 2008 een renteswap-overeenkomst met een hoofdsom van € 10.000.000,00 en als einddatum

1 mei 2015 gesloten. [appellant] wenste de geldleningen waarvoor de renteswap afgesloten per 1 juli 2012 te beëindigen. De leningen zijn beëindigd op 1 november 2012.

De grondslagen van de diverse vorderingen van [appellant] , inhoudende onder meer vernietiging van de renteswapovereenkomst en terugbetaling van alle onder de renteswap betaalde bedragen, komen er op neer dat [appellant] onjuist en onvolledig is voorgelicht door ING over de renteswap, dat ING [appellant] heeft gedwongen de renteswap te sluiten door ten onrechte de voorwaarde te stellen dat 50% van het renterisico diende te worden afgedekt, dat ING [appellant] ten onrechte heeft geadviseerd deze renteswap af te sluiten en dat ING op grond van haar bijzondere zorgplicht [appellant] had moeten waarschuwen voor de nadelen en beperkingen van een renteswap.

2.2.

[appellant] stelt in het incident dat hij, gelet op het eigen belang van ING bij de tostandkoming van de renteswap, een rechtmatig belang heeft om inzicht te krijgen in de gang van zaken rond de door ING gestelde voorwaarde dat het renterisico van de financiering van zijn vastgoedportefeuille voor 50% afgedekt diende te worden en de marges die ING heeft behaald bij het afsluiten van de renteswap. Hij vordert afschrift of uittreksel van de volgende stukken:

a. a) de (interne) stukken (decision sheets, front sheets met betrekking tot de krediet-verlening in de jaren 2007, 2008 en 2009, inclusief alle relevante bijlagen en stukken waarin het risico verbonden aan de leningenportefeuille is berekend, dan wel in ieder geval de stukken betrekking hebbend op de kredietaanvraag uit februari 2008 (voor

€ 875.000,00) en maart en april 2008 voor € 5.250.000,00;

b) alle stukken waarin sprake is van enige verslaglegging van communicatie (zoals bezoeken en telefoongesprekken) met [appellant] of personen namens [appellant] in de periode 2006 tot 27 juni 2012 (de brief van [appellant] aan ING inzake onder andere vernietiging van de renteswap);

c) informatie betrekking hebbend op de cliënt [appellant] van ING WB (Wholesale Banking inclusief Financial Markets) die een of meer producten hebben geadviseerd dan wel in ieder geval op een of meer momenten producten hebben gepresenteerd aan [appellant] , inclusief stukken betrekking hebbend op de marge en andere voordelen

behaald door ING op de renteswap;

d) enige vastlegging van beleid, zoals dat in april 2008 gold, onder welke omstandig-heden het afdekken van het renterisico een voorwaarde wordt voor kredietverlening;

e) alle stukken met betrekking tot overige dienstverlening op het gebied

van beleggen en vermogensbeheer.

2.3.

Nu in de hoofdzaak de memories van grieven en antwoord inmiddels zijn genomen, ziet het hof aanleiding om het incident en de hoofdzaak gezamenlijk te behandelen. Het hof kan zich voorstellen dat, gelet op de aard en het belang van de zaak, partijen eerst de zaak bepleiten alvorens arrest in het incident en de hoofdzaak te vragen. De zaak in het incident zal naar de rol worden verwezen voor beraad partijen.

2.4.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

in het incident

verwijst de zaak naar de rol van 9 december 2014 voor beraad partijen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.J. van den Bergh, M.P. van Achterberg en

J.W.M. Tromp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op

25 november 2014.