Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4892

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-11-2014
Datum publicatie
08-01-2015
Zaaknummer
200.132.457-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk ontslag. Werkgever heeft geen onjuiste informatie aan UWV verstrekt. Slechte financiële positie werkgever. Ontslag niet kennelijk onredelijk. Bekrachtiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0032
AR 2015/38
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.132.457/01

zaaknummer rechtbank (Amsterdam) : CV 12-5877

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 november 2014

inzake

[appellante] ,

wonend te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. M.J. Hamer te Bussum,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde]

gevestigd te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 12 juli 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam, Afdeling Privaatrecht, (hierna: de kantonrechter), van 8 mei 2013, gewezen tussen haar als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- akte wijziging tevens inhoudende vermindering van eis;

- memorie van grieven tevens zijnde een akte vermeerdering van eis,

met producties;

- memorie van antwoord met producties;

- akte vermeerdering van eis.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 24 september 2014 doen bepleiten, [appellante] door haar voornoemde advocaat en [geïntimeerde] door mr. I.I.J Slangen, advocaat te [woonplaats], ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Beide partijen hebben nog producties in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellante] heeft geconcludeerd - samengevat - dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- voor recht zal verklaren dat het [appellante] door [geïntimeerde] gegeven ontslag kennelijk onredelijk is en dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade die zij als gevolg van het ontslag heeft geleden en lijdt;

- [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling van een schadevergoeding ten bedrage van € 91.695,- bruto, althans € 35.112,47 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente en € 7.500,- voor advocaatkosten;

- [geïntimeerde] zal veroordelen tot het vergoeden van de door [appellante] als gevolg van het ontslag te lijden pensioenschade, op te maken bij staat en dat ter vaststelling van deze schade een deskundige zal worden benoemd op kosten van [geïntimeerde];

- [geïntimeerde] zal veroordelen in de proceskosten van beide instanties, met nakosten en wettelijke rente.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met veroordeling van [appellante] in (het hof begrijpt) de kosten van beide instanties.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.9 de feiten vastgesteld waarvan hij is uitgegaan. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

a. [appellante], geboren op [geboortedatum], is op 1 november 1976 bij [geïntimeerde] in dienst getreden. Zij was laatstelijk werkzaam in de functie van sportinstructrice en clubmanager. Haar salaris bedroeg € 2.537,33 bruto per maand, te vermeerderen met acht procent vakantietoeslag.

b. [geïntimeerde] exploiteert in [woonplaats] een sportschool. Zij heeft over het jaar 2010 een verlies geleden van € 109.000,- en over 2011 een verlies van € 162.000,-.

c. Bij brief van 7 februari 2012 heeft E.D. de Jong, accountant-administratieconsulent, namens [geïntimeerde] UWV Werkbedrijf toestemming gevraagd om de arbeidsovereenkomst te beëindigen met drie werknemers, onder wie [appellante]. Aan dat verzoek heeft [geïntimeerde] - kort gezegd - ten grondslag gelegd dat de slechte resultaten noodzaken tot een reductie van de personeelskosten.

d. Op 24 februari 2012 heeft UWV Werkbedrijf (hierna: het UWV) [geïntimeerde] de gevraagde toestemming verleend. Daartoe werd overwogen dat de ontslagaanvraag was ingegeven door een reorganisatie waardoor arbeidsplaatsen vervielen, dat niet aannemelijk was geworden dat er (geschikte) vacatures waren, dat het daardoor niet mogelijk was [appellante] binnen de bedrijfsvestiging of ergens anders in het bedrijf te herplaatsen en dat [appellante] ook geen vacatures had genoemd.

e. Met gebruikmaking van de haar verleende ontslagvergunning heeft [geïntimeerde] de arbeidsovereenkomst met [appellante] bij brief van 25 februari 2012 opgezegd tegen 1 juni 2012.

3.2

[appellante] heeft in eerste aanleg gevorderd - samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang - dat voor recht zal worden verklaard dat het haar door [geïntimeerde] gegeven ontslag kennelijk onredelijk is en dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 300.000,- ter zake van materiële schade en € 25.000,- ter zake van immateriële schade . Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vorderingen afgewezen met bepaling dat ieder de eigen kosten draagt. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellante] met haar grieven op.

3.3

In grief 1 voert [appellante] aan dat de kantonrechter ten onrechte is voorbijgegaan aan haar stelling dat er ten tijde van de ontslagaanvraag vacatures bij [geïntimeerde] waren waarvoor zij in aanmerking had kunnen komen. [geïntimeerde] had het UWV hiervan in kennis moeten stellen. Zou zij dat hebben gedaan, dan is het volgens [appellante] ‘pleitbaar’ dat het UWV geen ontslagvergunning zou hebben verleend. [appellante] tekent daarbij nog aan dat zij tot het einde van het dienstverband rond vijftig procent van de arbeidsuren niet-managementtaken vervulde.

3.4

[geïntimeerde] betwist dat er destijds vacatures waren en stelt dat zij in het kader van de flexibilisering altijd op zoek is naar kundige freelancers. Zij voegt daaraan toe dat [appellante], anders dan zij stelt, slechts zes uur à zeven uur per week les gaf en voor het overige was belast met (management)taken. [appellante] heeft niet voldoende betwist dat het in deze ging om freelance werkzaamheden en dat er dus geen vacatures waren voor een vast dienstverband. Zij stelt slechts dat zij in het kader van deeltijdontslag, in het kader van een arbeidsovereenkomst dus, bij [geïntimeerde], gedurende 20 uur per week had willen doorwerken. Partijen verschillen weliswaar van mening over de precieze omvang van laatstbedoelde werkzaamheden, maar duidelijk is geworden dat het lesgeven slechts een ondergeschikt deel uitmaakte van de taken van [appellante] uitmaakte. Dat blijkt genoegzaam uit de door [geïntimeerde] als productie 2 bij de memorie van antwoord overgelegde e-mail van 17 april 2012 aan Pascale van Hellemond waarin [appellante] een overzicht geeft van haar vaste lesuren op dat moment. Bij deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat [geïntimeerde] het UWV verkeerd heeft geïnformeerd. Dit nog daargelaten dat [appellante] niet stelt dat als [geïntimeerde] de gegevens waarvan deze volgens het UWV zou hebben moeten voorzien zou hebben verstrekt, de ontslagvergunning zou zijn geweigerd. [appellante] noemt dat laatste immers slechts ‘pleitbaar’. Het voorgaande voert tot de slotsom dat grief 1 faalt.

3.5

Grief 2 houdt in dat [geïntimeerde] met betrekking tot de financiële situatie waarin zij verkeerde ten tijde van de ontslagaanvraag het UWV onvolledig heeft geïnformeerd en dat het door haar dienaangaande geschetste beeld niet met de werkelijkheid overeenkwam. Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde] aldus onrechtmatig gehandeld en is zij op die grond verplicht de schade te vergoeden die [appellante] als gevolg van het ontslag heeft geleden.

3.6

De grief faalt reeds omdat [appellante] niet stelt dat het UWV de ontslagvergunning zou hebben onthouden als [geïntimeerde] de informatie zou hebben verstrekt die zij volgens [appellante] had moeten verschaffen. Daar komt bij dat [appellante] bij pleidooi niet de juistheid heeft betwist van de door [geïntimeerde] als productie 8 bij de memorie van antwoord overgelegde (bladzijde) van het accountantsrapport over het jaar 2011 dat een aanzienlijk verlies van [geïntimeerde] over het jaar 2011 te zien geeft. Hetgeen [appellante] bij pleidooi nog heeft aangevoerd ten aanzien van de financiële situatie in 2012 doet daaraan niet af.

3.7

Grief 3 richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] overtuigend heeft aangetoond dat zij niet in staat was om enige vergoeding uit te keren aan [appellante]. Gelet op het feit dat [geïntimeerde] ten tijde van het ontslag van [appellante] gedurende een reeks van jaren aanzienlijke verliezen had geleden waardoor zij financieel in zeer zwaar weer was komen te verkeren hetgeen haar bevestiging vindt in de herhaalde ontslagrondes verenigt het hof zich met dat oordeel. De onmiskenbaar lange duur van het dienstverband en de overige door [appellante] genoemde omstandigheden aan haar kant kunnen in daaraan niet afdoen. Grief 3 mist doel.

3.8

Volgens grief 4 heeft de kantonrechter ten onrechte buiten beschouwing gelaten dat [geïntimeerde] aan andere werknemers een vergoeding heeft toegekend. [appellante] noemt in dat verband in de eerste plaats haar dochter, [X], die voorafgaande aan het eindigen van haar arbeidsovereenkomst op 31 januari 2013 gedurende drie maanden is vrijgesteld van het verrichten van arbeid met behoud van salaris. Nog afgezien ervan dat dit niet kan worden aangemerkt als een vergoeding heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat zij ook [appellante] heeft vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden, dat [appellante] van dit aanbod aanvankelijk niet, maar met ingang van week 37 (het hof begrijpt: van het jaar 2011) wel gebruik heeft gemaakt. Ten aanzien van de overige werknemers met wie [geïntimeerde] een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten waarnaar [appellante] verwijst heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat deze overeenkomsten slechts voorzien in een verdiscontering van de opzegtermijn. Ook [Y], die [appellante] met name noemt, is daarbij vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden gedurende de opzegtermijn, aldus [geïntimeerde]. [appellante] heeft dit alles onvoldoende weersproken, zodat niet kan worden aangenomen dat [geïntimeerde] haar verplichting als goed werkgever te handelen heeft geschonden door [appellante] bij de opzegging van haar arbeidsovereenkomst een vergoeding toe onthouden waar zij deze in vergelijkbare omstandigheden aan andere werknemers heeft toegekend. Meer in het bijzonder kan een aanzien van [Y] nog worden opgemerkt dat haar arbeidsovereenkomst klaarblijkelijk pas in de loop van 2013 ten einde is gekomen, terwijl de arbeidsovereenkomst met [appellante] medio 2012 is geëindigd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan dus niet zonder meer kan worden gezegd dat zij beiden in dezelfde omstandigheden als hiervoor bedoeld verkeerden. Ook grief 4 faalt.

3.9

Grief 5 klaagt dat de kantonrechter heeft bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten moet dragen. Nu de hiervoor besproken grieven falen is er geen grond [geïntimeerde] te belasten met de proceskosten van de eerste aanleg. [appellante] zal daarentegen de kosten van het hoger beroep moeten dragen. Grief 5 moet het lot van de voorgaande grieven delen.

3.10

De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Het door [appellante] in hoger beroep meer of anders gevorderde met inbegrip van de advocaatkosten waarop zij bij pleidooi aanspraak heeft gemaakt zal worden afgewezen. [appellante] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 1.862,- aan verschotten en € 2.682,- voor salaris;

wijs het meer of anders in hoger beroep gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.A.J. Dun, S.F. Schütz en R.Tj. Terpstra en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 25 november 2014.