Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4886

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-11-2014
Datum publicatie
19-12-2014
Zaaknummer
200.115.765-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Ontslag op staande voet. Mededeling dringende reden. Voor werknemer voldoende duidelijk welke ontslaggrond bestond? Voldoende bewezen dat werknemer materiaal van bouwplaats wilde ontvreemden? Beide vragen worden bevestigend beantwoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-1092
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.115.765/01

zaak-/rolnummer rechtbank : CV 10-38535

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 november 2014

inzake:

[appellant],

wonend te [woonplaats 1],

appellant,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

1 de vennootschap onder firmaK.Z.S. SCHOONMAAKBEDRIJF EN

DIENSTVERLENING, gevestigd te Amsterdam, en haar vennoten

2. [geïntimeerde sub 2] en

3. [geïntimeerde sub 3],

beiden wonend te [woonplaats 2],

geïntimeerden,

niet verschenen.

Partijen worden hierna respectievelijk [appellant] en KZS c.s. genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 15 oktober 2012 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 17 juli 2012, gewezen tussen [appellant] als eiser en KZS c.s. als gedaagden.

Tegen KZS c.s. is verstek verleend.

[appellant] heeft een memorie van grieven genomen, waarin hij onder aanvoering van acht grieven concludeert tot vernietiging van, naar het hof begrijpt, het bestreden vonnis, met toewijzing van zijn vordering in eerste aanleg en met veroordeling van KZS c.s. in de kosten van het geding zowel in eerste instantie als in hoger beroep.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 De feiten

De kantonrechter heeft in deze zaak op 31 mei 2011 een tussenvonnis gewezen, waarin onder 1.1 tot en met 1.9 feiten zijn vastgesteld. Bij gebreke van daartegen door [appellant] gerichte grieven kan ook in hoger beroep van die feiten worden uitgegaan.

3 Beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak, kort weergegeven, om het volgende.

a. [appellant] is op 7 september 2009 bij geïntimeerde sub 1 (KZS) voor de duur van twaalf maanden in dienst getreden in de functie van algemeen medewerker tegen een bruto maandloon van € 2.050,-. [appellant] werd door KZS uitgeleend aan Easy Clean Up B.V., die [appellant] te werk had gesteld bij bouwbedrijf [X]. [appellant] verrichtte werkzaamheden op een bouwterrein te Utrecht.

b. Op 29 april 2010 heeft KZS [appellant] mondeling op staande voet ontslagen. In een brief van 29 april 2010 aan [appellant] heeft KZS dit ontslag bevestigd met de volgende woorden:

Helaas zijn wij op grond van ernstige klachten van het project waar u werkzaam bent genoodzaakt om u per direct vanaf 30 april 2010 uit dienst te melden.

c. Bij brief van 7 mei 2010 heeft [appellant] KZS laten weten tegen dit ontslag bezwaar te maken. In de brief licht hij zijn bezwaar als volgt toe:

Het ontslag is ten onrechte gebaseerd op de gebeurtenissen op de werkvloer en wel eenzijdig. Bovendien ben ik niet in de gelegenheid gesteld verweer te voeren. Ook is de wijze waarop ik van de ene op de andere dag naar huis ben gestuurd zeer kwalijk, onrechtmatig en in strijd met goed werkgeverschap. Ik heb nooit enige vorm van kritiek of commentaar ontvangen over de wijze waarop ik mijn functie heb vervuld. Integendeel regelmatig ontving ik positieve berichten. Ik houd me daarom beschikbaar mijn werkzaamheden te hervatten en ik verzoek u mij daartoe ook in de gelegenheid te stellen.

d. In een brief van 20 mei 2010 heeft [appellant] zijn standpunt aan KZS herhaald. KZS heeft hierop gereageerd bij brief van 1 juni 2010. KZS heeft [appellant] meegedeeld het besluit om hem op staande voet te ontslaan te handhaven.

e. Na verdere correspondentie heeft [appellant] de onderhavige procedure aanhangig gemaakt en gevorderd dat KZS zal worden veroordeeld tot betaling van het loon vanaf 1 mei 2010 tot 7 september 2010, met vakantietoeslag, openstaande vakantieuren en te vermeerderen met de wettelijke verhoging, buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente.

f. De kantonrechter heeft KZS bij tussenvonnis van 31 mei 2011 opgedragen de feiten en omstandigheden te bewijzen die aan het op 29 april 2010 aan [appellant] gegeven ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd en op of omstreeks 29 april 2010 met [appellant] zijn besproken.

g. Na getuigenverhoren heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] bij het vonnis waarvan beroep afgewezen.

3.2.

De eerste grief van [appellant] richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter in overweging 2 van het bestreden vonnis dat KZS met de omschrijving van de ontslaggrond in de brief van 29 april 2010 “ernstige klachten van het project waar u werkzaam bent” heeft toegelicht dat daarmee wordt bedoeld dat [appellant] zonder toestemming van zijn hoofduitvoerder [A] of [B] goederen, waaronder kabels, van het bouwterrein heeft meegenomen. [appellant] stelt dat de kantonrechter ten onrechte niet heeft onderkend dat de omschrijving van de ontslaggrond moet voldoen aan de eis dat bij de werknemer omtrent de reden voor het ontslag, gelet op de omstandigheden van het geval, in redelijkheid geen enkele twijfel kan bestaan en hij meent dat de voormelde omschrijving in de brief van 29 april 2010 niet aan die eis voldoet.

3.3.

De grief faalt. KZS heeft [appellant] op 29 april 2010 mondeling op staande voet ontslagen. Dit ontslag is gegeven na het mondelinge onderhoud dat in de middag van die dag heeft plaatsgevonden tussen [C], directeur van Easy Clean Up B.V., en [geïntimeerde sub 3], vennoot van KZS, met [appellant]. Bij dit onderhoud was ook [D], office manager van Easy Clean Up, aanwezig, althans ten dele. Zowel [C] als [geïntimeerde sub 3] en [D] hebben hierover als getuigen verklaard. Genoemde [geïntimeerde sub 3] heeft als getuige over het door KZS aan [appellant] gegeven ontslag verklaard: “De reden van het ontslag is de klacht van [X] geweest. Het ging om diefstal. Ik werk alleen met Easy Clean Up en zij wilden niet meer van [appellant] gebruik maken.” Alleen [appellant] heeft verklaard dat hij van het hem op 29 april 2010 gegeven ontslag slechts heeft vernomen van de secretaresse van Easy Clean Up, “[E]”, met wie hij klaarblijkelijk [D], hiervoor genoemd, bedoelt. Over een met [C] en [geïntimeerde sub 3] gevoerd onderhoud verklaart [appellant] niet. De getuigenverklaringen van [C], [geïntimeerde sub 3] en [D] acht het hof voldoende betrouwbaar en aan de daarvan afwijkende verklaring van [appellant] gaat het hof voorbij. Het hof neemt daarom als vaststaand aan dat [geïntimeerde sub 3] namens KZS [appellant] op staande voet heeft ontslagen om de door [geïntimeerde sub 3] in zijn verklaring genoemde redenen, te weten dat [X] erover had geklaagd dat [appellant] zich schuldig had gemaakt aan diefstal van materiaal van de bouwplaats, dat [X] hem daarom niet meer op het werk wilde hebben en dat Easy Clean Up gezien deze verdenking van diefstal [appellant] ook niet meer te werk wilde stellen. Mede op grond van de brief van [appellant] van 7 mei 2010 is het hof van oordeel dat het voor [appellant] duidelijk moet zijn geweest dat hij om genoemde redenen is ontslagen. Dat deze gronden voor het ontslag niet nauwkeurig zijn vermeld in de brief van KZS van 29 april 2010 doet daaraan niet af. Op de overige door of namens KZS na die datum verzonden brieven behoeft niet te worden ingegaan omdat het ontslag op staande voet toen reeds was gegeven.

3.4.

Met grief 2 komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank in overweging 3 van het bestreden vonnis dat uit de getuigenverklaring van [B], uitvoerder bij [X], blijkt dat (hoofduitvoerder) [A] geen uitzondering op de belangrijke regel dat je geen spullen van het bouwterrein mocht meenemen, heeft toegestaan.

3.5.

De getuige [B] heeft in eerste aanleg, voor zover van belang, verklaard:

Op enig moment heb ik gezien dat [appellant] metalen van de bouwplaats wou meenemen. Ik heb hem daarop aangesproken. Ik heb hem verteld dat zelfs ik geen zeggenschap over die spullen heb. Ik heb hem gezegd dat hij er van af moest blijven. Zo laat je bij het opruimen de kabels en metalen – en andere voorwerpen van waarde – liggen. Ik heb zo met [appellant] erover gesproken en daarmee was het klaar. [appellant] reageerde iets in de trant van dat het akkoord was.

Later, het was in april, zag ik [appellant] in de bouwlift met een kartonnen doos en daarop plastic en folie. Daaronder zag ik kabels. Ik heb toen direct gezegd dit doen we niet en je bent niet meer welkom op de bouwplaats. U moet weten dat het meenemen van bouwmaterialen een gevoelig onderwerp is in de bouw. De regel is zoals ik al zei dat we van die spullen afblijven. Ik heb toen niet naar de reden gevraagd waarom hij die spullen bij zich had.

Korte tijd later zat ik in de bouwkeet en heb ik met [appellant] over het voorval gesproken De exacte bewoordingen weet ik niet meer. Hij ontkende de diefstal. Verder was het geen prettig gesprek. (...) Het gesprek is beëindigd en we zijn uit elkaar gegaan.

Daarna heb ik [C] op de hoogte gebracht en hem het verhaal over [appellant] verteld. Ik heb [C] verteld dat ik [appellant] niet meer op de bouwplaats wilde.

Op een vraag van de raadsman van [appellant] heeft getuige [B] voorts verklaard:

De heer [A] is de eindverantwoordelijke van het werk. Uiteindelijk gaat hij erover wat er met de spullen gebeurt. De hoofdregel is dat je de waardevolle bouwmaterialen laat liggen, maar ik heb de vrijheid om daarop een uitzondering te maken. Ik heb al verklaard in welk geval ik een uitzondering toepas. Als u mij vraagt of [appellant] van [A] toestemming zou hebben gekregen om bouwmaterialen af te voeren dan zou dat in principe kunnen maar dat lijkt mij niet waarschijnlijk. [A] heeft mij in ieder geval daarover niet geïnformeerd.

3.6.

Aan [appellant] kan worden toegegeven dat [B] niet met zoveel woorden heeft verklaard dat de door hem genoemde [A] (het hof neemt aan dat deze dezelfde persoon is als de door [appellant] genoemde hoofduitvoerder van [X] [A]) [appellant] geen toestemming heeft gegeven voor het meenemen van materialen door [appellant] van de bouwplaats. Uit de verklaring van [B] volgt echter wel dat hij het niet waarschijnlijk acht dat die toestemming is gegeven en dat [A] [B] daarvan in elk geval niet in kennis heeft gesteld. Indien [appellant] zou hebben willen betogen dat hij die toestemming wel gekregen zou hebben, zou het op zijn weg hebben gelegen de door hem genoemde [A] als getuige op te roepen of ander bewijs daarvan in het geding te brengen. Dit heeft [appellant], zoals ook de kantonrechter heeft opgemerkt, echter niet gedaan. Daarbij komt nog dat, hoewel [appellant] in eerste aanleg nog heeft aangevoerd dat hij van de hoofduitvoerder toestemming had om afval (kabels, aluminium) mee te nemen, uit de verklaring van [appellant] als getuige blijkt dat hem na een incident waarbij een collega een koperen leiding met een slijptol aan het bewerken was, is gezegd dat het afvoeren van materialen niet (meer) was toegestaan. De tweede grief mist dus doel.

3.7.

Grief 3 komt op tegen de vaststelling van de kantonrechter dat ook volgens getuige [F] geen materialen door werklieden van het bouwterrein mochten worden meegenomen. De grief faalt om dezelfde redenen als hiervoor vermeld. Indien [appellant] zich op het standpunt zou stellen dat hij toestemming had om materialen van de bouwplaats mee te nemen, had het op zijn weg gelegen van die stelling bewijs bij te brengen of althans die stelling van enige onderbouwing te voorzien.

3.8.

Grief 4 richt zich tegen de overweging van de kantonrechter dat uit de brief van [X] van 16 juli 2010 blijkt dat [appellant] ervan werd verdacht koperen leidingen van het bouwterrein te hebben ontvreemd. Het hof kan deze grief onbesproken laten omdat het ontslag niet is gebaseerd op de in deze brief vermelde informatie. De grief is tevergeefs voorgesteld.

3.9.

Met zijn vijfde grief keert [appellant] zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat volgens de getuigenverklaring van [B] [appellant] in strijd met de werkafspraken kabels heeft gedaan in een kartonnen doos die hij verborgen onder folie van de verdieping mee wilde nemen. Ook deze grief faalt. Het hof is van oordeel dat uit de getuigenverklaring van [B] voldoende duidelijk naar voren komt dat [appellant] voornemens was materialen van de bouwplaats mee te nemen en dat [appellant] in strijd met op dat punt bestaande afspraken handelde. [appellant] heeft ter verklaring van het feit dat hij door [B] is gezien met een doos met kabels, bedekt door plastic en folie, als getuige gesteld dat hij op 28 april 2010 van “uitvoerder [G]” de computervloer snel moest opruimen, dat hij dat heeft gedaan en de spullen in een doosje heeft gestopt. Daarna is [appellant], volgens zijn verklaring, [B] in de bouwlift tegengekomen en heeft hij [B] gevraagd het doosje mee naar beneden te nemen zodat hij het in de container kon storten, die beneden stond. Volgens [appellant] is hij door [B] in de pauze aangesproken op verdenking van diefstal van kabels (proces-verbaal van getuigenverklaring van 28 november 2011 pagina 2).

De getuigenverklaring van [appellant] strookt in elk geval gedeeltelijk niet met de verklaring van [B]. Het hof ziet echter geen aanleiding om aan de juistheid van de verklaring van [B] te twijfelen. Naar het oordeel van het hof kon [B] de handelwijze van [appellant] als verdacht aanmerken en die handelwijze als in strijd met de geldende voorschriften ten grondslag leggen aan zijn beslissing om [appellant] de toegang tot de bouwplaats van [X] te ontzeggen. Het hof betrekt hierbij dat niet gebleken is dat [appellant], zoals hij heeft verklaard, de kabels in de kartonnen doos op instructie van uitvoerder “[G]” heeft gedaan. Wie deze “[G]” is, is overigens ook niet duidelijk geworden.

3.10.

Grief 6 klaagt erover dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat KZS [appellant] op 29 april 2010 op staande voet heeft ontslagen. Met een beroep op een brief van Easy Clean Up B.V. van 25 juni 2010 stelt [appellant] dat KZS niet aanwezig is geweest bij het gesprek op 29 april 2010. Voor zover dit uit die brief al is af te leiden, blijkt uit de hiervoor reeds besproken getuigenverklaringen van [C], [D] en [geïntimeerde sub 3] anders. De grief faalt dan ook.

3.11.

Met grief 7 wordt betoogd dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant] in de procedure aanvankelijk heeft erkend dat hij daadwerkelijk bouwmaterialen van het bouwterrein meenam en wilde meenemen, maar hij het verweer heeft gevoerd dat hij daarvoor toestemming van de leidinggevende van [X] had. De grief faalt, omdat [appellant] blijkens de inleidende dagvaarding onder punt 17 het standpunt heeft ingenomen dat hij van de hoofduitvoerder ([A]) toestemming had afval (kabels, aluminium) dat door de electriciëns werd verzameld mee te nemen. In dit standpunt liggen een erkenning en verweer als zojuist bedoeld besloten.

3.12.

Ten slotte keert grief 8 zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat KZS heeft bewezen dat [appellant] op ernstige wijze de regels op het bouwterrein overtrad en in strijd met die regels goederen die aan anderen in eigendom toebehoorden heeft ontvreemd of wilde ontvreemden en dat dit, in het licht van de overige omstandigheden, een dringende reden voor ontslag oplevert. [appellant] stelt dat geen enkel bewijs voorhanden is dat hij goederen heeft ontvreemd dan wel wilde ontvreemden. Op grond van hetgeen hiervoor onder 3.9 en 3.11 is overwogen, wordt [appellant] hierin niet gevolgd. Tot een ander oordeel leidt naar het oordeel van het hof de getuigenverklaring van [F] niet. [F] beschrijft slechts in algemene zin hoe de verdiepingen van het bouwproject werden opgeruimd. Hij was niet meer werkzaam op de bouwplaats toen [appellant] in april 2010 werd ontslagen en heeft mede ook daarom niet kunnen verklaren dat het meenemen door [appellant] van een kartonnen doos met kabels paste in de algemeen gebruikelijke handelwijze. De verklaring van Krijnen doet derhalve aan de verklaring van de getuige [B] geen afbreuk.

3.13.

Het hof bereikt de slotsom dat de grieven vruchteloos zijn voorgesteld. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. [appellant] moet als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van KZS c.s. te begroten op nihil.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

verwijst [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, en begroot die kosten voor zover aan de zijde van KZS c.s. gevallen op nihil.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.A.J. Dun, W.H.F.M. Cortenraad en J.E. Molenaar en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 25 november 2014.