Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4768

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-11-2014
Datum publicatie
21-11-2014
Zaaknummer
23-004669-12
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:177, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Twee woningovervallen in Hillegom en Bennebroek en een overval op een coffeeshop in Haarlem. Herkenning van de verdachte en medeverdachte na uitzending Opsporing Verzocht.

Openbaar Ministerie ontvankelijk na herstel van onjuistheden in het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte. Vidgen- en betrouwbaarheidsverweren. Verweer t.a.v. de vordering benadeelde partij en herroeping van de v.i.

Gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren.

De verdachte vervulde bij alle overvallen kennelijk een sleutelrol, waarbij hij het initiatief nam tot het plegen van de overvallen door de medeverdachte(n) te benaderen en hen tijdens de overvallen aan te sturen. Het hof rekent het de verdachte in het bijzonder aan dat hij, blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie hij in 2009 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden voor een soortgelijk feit. De eerste woningoverval, in Hillegom, werd in nog geen maand na zijn voorlopige invrijheidstelling voor dit feit, al door de verdachte gepleegd. Daarnaast heeft de verdachte op geen enkel moment in het proces er blijk van gegeven het kwalijke van zijn gedrag in te zien. Het hof heeft tenslotte rekening gehouden met de jeugdige leeftijd van de verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheid dat de hierna te noemen vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling zal worden toegewezen, waardoor het hof tot de oplegging van een iets lagere gevangenisstraf komt dan de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-004669-12

datum uitspraak: 11 november 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 22 oktober 2012 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-740040-12 en 15-741187-11 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

adres: [adres 1], thans gedetineerd in [P.I.].

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Haarlem vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak met parketnummer 15-740040-12 onder 3 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2014, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte, voor zover thans nog aan de orde, ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 15-740040-12:

1:
hij op of omstreeks 06 februari 2011 te Haarlem in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 2 bak(ken) met wiet en/of een mobiele telefoon (merk: blackberry), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan coffeeshop [bedrijf 1] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, en/of met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van de balieportemonne met als inhoud een geldbedrag van (ongeveer) EUR 400,-, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan coffeeshop [bedrijf 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader een vuurwapen, althans een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 1] heeft/hebben gericht en/ofdeur heeft/hebben ingetrapt; art 312 Wetboek van Strafrecht

2:
hij op of omstreeks 31 januari 2011 te Hillegom in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van autosleutels behorende bij een personenauto (merk: Audi, type A6) voorzien van kenteken [kenteken 1], in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [bedrijf 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en/of met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk: Audi, type A6) voorzien van kenteken [kenteken 1]) en/of een horloge (merk: Maurice Lacroix, type: Master piece) en/of een geldbedrag van (ongeveer) EUR 450,-, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [bedrijf 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij verdachte en/of zijn mededader een vuurwapen, althans een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 3] heeft/hebben gericht en/of de handen en/of voeten van die [slachtoffer 3] door middel van tyrips heeft/hebben vastgebonden; art 317 Wetboek van Strafrecht

Zaak met parketnummer 15-741187-11 (gevoegd):


hij op of omstreeks 20 september 2011 te Bennebroek, gemeente Bloemendaal in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een Porsche Cayenne en/of een of meer sieraden en/of geld en/of waardepapieren en/of een pinpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) een pistool, althans een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 4] heeft/hebben gericht en/of daarbij de woorden "Ik schiet je dood" en/op "Ga op je knieën zitten en anders schieten we", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking toe te voegen en/of voornoemde pistool, althans vuurwapen gelijkend voorwerp een of meermalen heeft/hebben doorgeladen en/of die [slachtoffer 4] bij zijn hoofd heeft/hebben vastgepakt en/of (vervolgens) tegen de grond heeft/hebben geduwd en/of de handen en/of voeten van die [slachtoffer 4] aan elkaar heeft/hebben gebonden;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof de voorkeur geeft aan een andere bewijsconstructie dan de door de eerste rechter gebezigde.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair de niet-ontvankelijkheid bepleit van het openbaar ministerie ter zake van het onder parketnummer 15-741187-11 ten laste gelegde. De verbalisanten zouden de tegenover de politie afgelegde verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] onjuist hebben geverbaliseerd, en de verklaringen van de medeverdachte hebben gestuurd. Zo is in het proces-verbaal van verhoor van 15 februari 2012 (genummerd PL1260 2011103916-102), op dossierpagina’s 149 en 150, gerelateerd dat de medeverdachte onmiskenbaar zou hebben bevestigd dat de verdachte degene is met wie hij de overval op de woning in Bennebroek heeft gepleegd, terwijl uit de geluidsopnamen van dit verhoor dit niet blijkt. De medeverdachte zou voorts door de vraagstelling van de verbalisanten gestuurd zijn om de verdachte als mededader aan te wijzen.

De raadsman heeft betoogd dat een zodanig verbaliseren een ernstige schending oplevert van de beginselen van behoorlijk procesorde, waardoor aan de belangen van de verdachte op een eerlijk proces, zoals neergelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, tekort is gedaan. Dit vormverzuim is onherstelbaar, omdat er geen audiovisuele beelden beschikbaar zijn om te controleren of de verdachte op de vraag of zijn mededader de verdachte is, “ja” heeft geknikt of anderszins van zijn instemming blijk heeft gegeven. Daarnaast maakt dit de verklaringen van de medeverdachte onbetrouwbaar.

Het ten onrechte opnemen van de verklaring van de medeverdachte als belastende verklaring voor de verdachte in het proces-verbaal, is een grove normoverschrijding. De raadsman bepleit derhalve (naar het hof begrijpt) dat de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie toekomstige vergelijkbare vormverzuimen, die onrechtmatige bewijsgaring tot gevolg hebben, moet voorkomen en dat hiervan een krachtige stimulans moet uitgaan tot handelen in overeenstemming met de voorgeschreven norm.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft verwerping van het tot niet-ontvankelijkheid strekkende verweer bepleit. Daarbij verwijst zij naar de overwegingen uit het vonnis waarvan beroep, waarin, onder meer, wordt overwogen dat er geen sprake is van een situatie waarin cruciale informatie wordt weggelaten of onjuiste informatie wordt toegevoegd. Binnen het geheel van de geverbaliseerde verklaringen vormen de niet hoorbaar uitgesproken maar wel opgenomen woorden een bevestiging van, en in elk geval geen tegenspraak met, hetgeen overigens uit de mond van de medeverdachte is opgetekend.

Voorts stelt de advocaat-generaal, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 18 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:639), dat, indien er sprake is van een vormverzuim, dit verzuim is hersteld doordat de raadsman van de verdachte in de gelegenheid is gesteld om de geluidsopnamen van het voornoemde verhoor te kunnen beluisteren en dat er voorts een proces-verbaal is opgesteld waarin de door de verdediging gewraakte passages woordelijk zijn uitgewerkt.

Oordeel van het hof.

Het hof verwerpt het door de raadsman gevoerd verweer en overweegt daartoe het volgende.

Voor toepassing van de door de raadsman bepleite sanctie is vereist dat de desbetreffende opsporingsambtenaren door hun handelen een ernstige inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Naar het oordeel van het hof is hiervan geen sprake.

Beginselen van een behoorlijke procesorde brengen mee dat een tegenover de politie afgelegde verklaring van een medeverdachte/getuige, adequaat en getrouw in het proces-verbaal van verhoor dient te worden weergegeven. In het strafproces moet er vanwege de bewijswaarde op vertrouwd kunnen worden dat processen-verbaal van opsporingsambtenaren een juiste weergave bevatten van de daarin gerelateerde opsporingshandelingen. Hiermee is een zakelijke en samenvattende weergave van de door de medeverdachte/getuige afgelegde verklaringen niet in strijd.

Het hof is van oordeel dat de door de verdediging gewraakte passages van het proces-verbaal van verhoor van 15 februari 2012 van medeverdachte [medeverdachte 1] ten onrechte hebben weergeven dat de medeverdachte de vraag, of degene die hij eerder in zijn verhoor had aangewezen als zijn mededader aan de overval de verdachte is, expliciet bevestigend heeft beantwoord.

Bij de beoordeling van een verzuim als hier gesteld is van belang of mogelijkheden voor controle achteraf aanwezig zijn. In dit geval waren de geluidsbanden van de verhoren beschikbaar, waaronder de opname van het gewraakte verhoor. Aan de hand daarvan kon door de verdediging op de onjuiste weergave worden gewezen — hetgeen in dit geval ook is geschied. Het hof constateert in dit verband voorts dat de advocaat-generaal over deze passages een aanvullend proces-verbaal heeft laten opmaken, waarin de verklaring van de medeverdachte woordelijk is uitgewerkt. In zoverre is het geconstateerde vormverzuim hersteld en reeds daarom is het hof van oordeel dat er onvoldoende grond bestaat om aan de fout het door de raadsman beoogde gevolg te verbinden. Dat er van het verhoor geen beeldopnamen beschikbaar zijn, maakt dit oordeel niet anders. Evenmin is aannemelijk geworden dat door of vanwege het openbaar ministerie doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan het recht van verdachte op een eerlijk proces tekort is gedaan.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof het door de raadsman subsidiair gevoerde verweer tot bewijsuitsluiting van de verhoren van de medeverdachte [medeverdachte 1] op grond van het door de raadsman gestelde vormverzuim, verder onbesproken laten.

De bewijsmiddelen

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 15-740040-12 onder 1 tenlastegelegde

1. Een proces-verbaal met nummer PL1228 2011013709-3 van 7 februari 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] [doorgenummerde pagina’s 309 - 316].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 31 januari 2011 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 1] :

Op zondag 06 februari 2011, omstreeks 22.30 uur was ik aan het werk achter de balie van de coffeeshop ‘[bedrijf 1]’ te Haarlem. Ik zat achter de balie toen er opeens twee mannen binnenkwamen. Er was een grote man, en een kleine. De grote noem ik man 1, de kleine man 2. Man 1 kwam voor mij staan, aan de andere kant van de balie. Man 1 zei tegen mij: “Geef mij je geld!” Opeens zag ik dat man 1 een voorwerp in zijn handen had. Ik zag dat het voorwerp donker was, en gelijkend was op een pistool. Ik zag dat de man een beweging maakte met zijn handen en de bovenkant van het pistool naar achteren haalde. Ik hoorde een klik en daarna een hol geluid. De man richtte het pistool de hele tijd op mij.

Ik gaf hem direct ook de portemonnee van de coffeeshop, met daarin de opbrengst van de avond. Op dat moment trapte man 1 ( het hof begrijpt uit de context dat hier wordt bedoeld man 2, zijnde de medeverdachte [medeverdachte 2]) de tussendeur open. Hij opende de deur naar de balie en pakte daar twee (2) plastic tupperware bakken met wiet vast. Ook pakte hij mijn mobiele telefoon, een Blackberry.

2. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1245 2011013709-1 van 8 februari 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] [doorgenummerde pagina’s 304 - 307].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 8 februari 2011 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 2]:

Op zondag 6 februari 2011 te 22.36 uur werd op de Nassaulaan te Haarlem een overval op de coffeeshop [bedrijf 1] gepleegd. Door de overvallers is er schade ontstaan aan de tussendeur en is er een portemonnee met een bedrag aan geld en een hoeveelheid aan wiet weggenomen. In de portemonnee zat ongeveer tussen de 300 en 400 euro.

3. Een proces-verbaal van verhoor met nummer PL1263 2011013709-41 van 14 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] [doorgenummerde pagina’s 231 - 237].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 14 juni 2011 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2]:

U vraagt mij wat mijn betrokkenheid is bij de overval op de coffeeshop. Niet veel. Ik heb niet met het wapen staan zwaaien. Ik heb de deur opengetrapt en ik heb een bakje wiet gepakt. De naam van de jongen waarmee ik de coffeeshop ben binnen gegaan is [verdachte]. Ik en [verdachte] zijn naar binnen gegaan en [persoon 1] is achter het stuur gaan zitten. [verdachte] is toen gaan zwaaien met dat ding, een pistool. [verdachte] is als eerst naar binnen gegaan, trok toen het wapen en zei toen ‘je geld.’ Toen gaf de medewerkster de zwarte portefeuille aan [verdachte]. Ik had ook haar telefoon, een zwarte Blackberry, gepakt.

4. Een proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof Amsterdam van 28 oktober 2014.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergeven, als de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte:

Ik ben betrokken bij de overval bij de coffeeshop [bedrijf 1]. Dit heb ik samen met [medeverdachte 2] gedaan (hof begrijpt de medeverdachte [medeverdachte 2]). Ik had toen een vuurwapen bij mij. Dat was een nepwapen. Tijdens de overval heb ik het wapen laten zien.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 15-740040-12 onder 2 tenlastegelegde

5. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1612 2011015931-1 van 31 januari 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] [doorgenummerde pagina’s 590 - 597].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 31 januari 2011 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 3] :

Tussen maandag 31 januari 2011 te 18.05 uur en maandag 31 januari 2011 te 18.20 uur werd op Doornenburg 2, 2181 DD, Hillegom, het in de aanhef vermelde feit gepleegd.

Op maandag 31 januari 2011, omstreeks 17.45 uur ben ik thuis gekomen van mijn werk, met de personenauto van het merk Audi, type A6 voorzien van het kenteken [kenteken 2]. De personenauto is eigendom van de BV [bedrijf 2] 47. Op maandag 31 januari 2011, omstreeks 18.00 uur werd er op de voordeur bel gedrukt. Ik heb toen de voordeur geopend. Ik zag en voelde dat de deur naar binnen werd open geduwd. Ik zag dat er een man in de deur opening stond. Ik zag dat deze man ongeveer 180 centimeter lang was. Ik zag dat er achter deze man een kleinere iets donker getinte man stond van ongeveer 170 centimeter lang. Ik zag dat de lange man in de voordeuropening stond met een donker handvuurwapen in zijn linkerhand. Ik hoorde dat de man zei: “Je autosleutels”. Ik heb toen gelijk mijn autosleutels van mijn personenauto afgegeven. Ik hoorde dat de lange man vervolgens zei: “liggen”. Ik ben toen met mijn buik op de grond gaan liggen. Ik hoorde dat de lange man zei: “Doe uw handen op uw rug”, of woorden van gelijke strekking. Later bleek dat mijn handen middels tiewraps aan elkaar werden vastgebonden. Dit lukte eerst niet goed, ik vermoed dat de kleine eerst geprobeerd heeft mij te boeien en toen dit niet lukte heeft de lange het verder afgemaakt. Mijn voeten zijn ook aan elkaar gebonden, middels tiewraps.

De politie is vervolgens ter plaatse gekomen. Ik heb toen, nadat de politie de sporen heeft bekeken, gezien dat er uit mijn portemonnee nog ongeveer 400 tot 450 euro was weggenomen. Ik zag ook dat mijn personenauto (merk/type Audi A6; Kenteken: [kenteken 2]) weg was genomen van de oprit.

Verder werden weggenomen de goederen, genoemd op de Bijlage goederen.

6. Een Bijlage goederen behorende bij proces-verbaal van aangifte met nummer PL1612 2011015931-1 van 31 januari 2011

Gestolen goed

Categorie omschrijving: Geld

Object: Euro

Waarde: EUR 450.00

Object: Horloge

Merk/type: Maurice Lacroix Master Piece

7. Een proces-verbaal van verhoor met nummer PL1263 2011013709-45 van 15 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 5] [doorgenummerde pagina’s 238 - 247].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 15 juni 2011 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2]:

Ik was er bij in Hillegom. [verdachte] heeft in Hillegom met een pistool staan zwaaien. Via [verdachte] zijn [persoon 1] en ik erbij gekomen om naar Hillegom te gaan. Wij gingen er naartoe omdat [verdachte] die Audi wilde gaan pakken. Hij heeft van tevoren al de woning in de gaten gehouden. Ik denk een dag ervoor.

We zijn naar Hillegom gereden. [persoon 1] was bij de auto in het winkelcentrum gebleven. Ik moest aanbellen van [verdachte]. Bij de voordeur. Ik stond achter [verdachte]. De meneer kwam aanlopen, deed de deur open en [verdachte] trapte de deur naar binnen open en legde de man op de grond. Volgens mij zei hij: ”Op de grond liggen”. [verdachte] had het wapen gericht op die man. Dat was een pistool, zwart van kleur. Ik had niets in mijn handen. [verdachte] zei tegen mij dat ik de man moest vastbinden met tiewraps. Ik zei dat ik dat niet wilde doen. [verdachte] duwde mij opzij en deed het zelf. [verdachte] is naar boven gerend en heeft daar geld , een portefeuille en misschien nog meer spullen gepakt. [verdachte] vroeg eerst aan de man om sleutels en geld. Toen we in de Audi zaten heeft [verdachte] er een heleboel dingen uitgegooid. [persoon 1] stond te wachten op ons met de Golf 5.

8. De verklaring van de getuige [medeverdachte 2] afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 7 september 2012

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik blijf bij de door mij afgelegde verklaringen.

9. Een proces-verbaal van 11 december 2013 opgemaakt door mr. G.H. van Asperen, raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken van het gerechtshof Amsterdam.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op (datum) tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van getuige [medeverdachte 2]:

Ik blijf bij mijn verklaring waarin ik heb gezegd dat ik de overvallen gepleegd heb met [verdachte]. Bij de overval in Hillegom zijn [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte], de verdachte) en ik in de woning geweest. [persoon 1] was buiten in een andere auto dan de Audi. [verdachte] wordt [verdachte] genoemd. Ik heb van beide overvallen wel iets van de buit gekregen. Het was sowieso een bedrag onder de 500 euro. [persoon 1] reed in een Golf Type 5.

10. Een proces-verbaal van telecommunicatie met nummer 2011013709 van 26 maart 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] [doorgenummerde pagina’s 518 - 532].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant:

Uit onderzoek Fluoriet is naar voren gekomen dat [verdachte] onder andere gebruik maakt van telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2].

De gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 2], [verdachte], straalt op 30 januari 2011 op verschillende momenten, namelijk rond 16:38 en 19:45 uur de mast op de Vosselaan aan in Hillegom.

Uit de historische verkeersgegevens blijkt dat de gebruiker van het telefoonnummer dat in gebruik is bij [medeverdachte 2] een mast aanstraalt. Op 31 januari 2011 om 16:30 straalt de telefoon een mast aan op de Vosselaan in Hillegom. Dit ligt in de nabije omgeving van de woning aan de Doorneburg in Hillegom welke op deze dag rond 18:00 uur wordt overvallen.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 15-741187-11 tenlastegelegde

11. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1247 2011103916-1 van 20 september 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] [doorgenummerde pagina’s 183 - 189].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 20 september 2011 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 4]:

Op dinsdag 20 september 2011 te 10.48 uur werd op de [adres 2], Bennebroek, gemeente Bloemendaal diefstal met geweld in/uit een woning gepleegd.

Het moet dus omstreeks 10.20 uur - 10.30 uur geweest zijn toen ik een harde dreun voelde en hoorde. Ik zag een jongen met een petje in mijn achtertuin lopen. Hij droeg een pakketje onder zijn rechterarm. Vervolgens hoorde ik weer eenzelfde dreun. Ik zag twee personen in de zitkamer staan. Zij stonden voor de openslaande deuren aan de achterzijde van mijn woning. Meer dan vermoedelijk zijn ze via het openbreken dan wel inslaan van deze deuren in mijn woning gekomen. Ik kan deze mannen als volgt beschrijven: Man 1: blank; slank postuur; ongeveer 1.90m lang; tussen de 25 en 30 jaar; Man 2: getinte huidskleur; slank postuur; ongeveer l.85m lang; tussen de 25 en 30 jaar.

Ik zal in de rest van deze aangifte de mannen als man 1 en man 2 benoemen. Man 1 stond voor man 2. Man 1 had een vuurwapen in zijn handen. Hij hield dit wapen in beide banden vast en strekte zijn armen voor zich uit. Ik keek direct in de loop van het vuurwapen. Het wapen werd op mij gericht. Man 1 riep tegen mij: “Ga op je knieën en anders schieten we”. Hierop ben ik direct op mijn knieën gegaan. Over het algemeen sprak alleen man 1 tegen mij. Ik probeerde de mannen te bekijken om hun signalement in me op te nemen. Man 1 kreeg dit door waarna hij mij bij mijn hoofd pakte en dit naar de grond duwde. Hierdoor lag ik met mijn buik op de grond in de hal. Met mijn hoofd richting de hal en met mijn benen in de richting van de voordeur. Ik moest plat op de grond blijven liggen. Toen dit niet snel genoeg gebeurde hoorde en zag ik dat man 2 het vuurwapen doorlaadde. Vervolgens vroeg man 1 me naar bankpassen en mijn autosleutels. Man 1 vroeg naar mijn pincode. Ik heb meerdere keren de pincode moeten herhalen. Ik heb de pincode gegeven. Op de oprit, naast mijn woning, stond mijn personenauto, een Porsche Cayenne, voorzien van het kenteken [kenteken 3] geparkeerd.

Verder vroeg hij nogmaals wanneer er iemand thuis zou komen. Ik vertelde hem dat dat vanavond pas zou zijn. Man 1 heeft me hierop eerst vastgebonden met sjaaltjes. Man 1 bond eerst mijn voeten bij elkaar vast. Daarna moest ik mijn handen op mijn rug houden waarna deze ook vastgebonden werden en vervolgens werden mijn handen en voeten aan elkaar gebonden.

Toen de mannen weg waren hoorde ik ze in mijn voertuig stappen, de auto starten en wegrijden.

12. Een Bijlage weggenomen goederen met nummer PL1247 2011103916-1 van 1 november 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7] [dossierpagina’s 190-191].

Gestolen goed

Object: Bankbescheiden (Pas)

Aantal/eenheid: 1 Stuk

Houder [slachtoffer 4]

Categorie omschrijving: Sieraden/tafelzilver

Eigenaar [slachtoffer 4]

Categorie omschrijving : Geld

Eigenaar [slachtoffer 4]

13. Een proces-verbaal maken compositiefoto met nummer PL 1200_2011103916 van 6 oktober 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 8] en [verbalisant 9] [doorgenummerde pagina’s 302 - 303].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisanten:

Op verzoek heb ik een compositiefoto vervaardigd op basis van de informatie die getuige [slachtoffer 4] mij verstrekte over de dader die hij had gezien tijdens de overval in de woning.

14. Een proces-verbaal maken compositiefoto met nummer 2011103916 van 31 oktober 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 10] en [verbalisant 11] [doorgenummerde pagina’s 307 - 308].

Op dinsdag 20 september 2011 vond er een gewapende overval plaats op de bewoner van een woning aan de Willinklaan te Bennebroek. Op dinsdag 18 oktober 2011 is er in het programma Opsporing Verzocht een item gewijd aan deze overval.

15. Een proces-verbaal van verhoor met nummer PL 1260 2011103916-34 van 11 december 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 7] en [verbalisant 3] [doorgenummerde pagina’s 633 - 636].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 11 december tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van getuige [getuige 1]:

Ik zat Opsporing Verzocht te kijken en toen herkende ik de man van de compositiefoto. Dat was ongeveer 5 of 6 weken geleden. Ik zag toen een roofoverval in een woning en dat de gestolen auto teruggevonden was in Zwaanshoek. Er werd een compositiefoto getoond en die man herkende ik. Een week eerder was ik in Zwaanshoek, Hanepoel. Die jongen die ik herkende van de compositiefoto, die woonde daar net. Hij huurde daar een appartement met zijn vriendin. Hij heet [verdachte]. Zijn achternaam heb ik aan de verhuurder van het pand gevraagd, de heer [persoon 2]. De achternaam van [verdachte] is [verdachte].

16. Een proces-verbaal van verhoor met nummer PL 1263 2011103916-72 van 20 december 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 12] [doorgenummerde pagina’s 664 - 667].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 20 december tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van getuige [getuige 2]:

Ik heb gehoord van de overval in Bennebroek op 20 september 2011. Ik heb Opsporing Verzocht gezien. Er werd in de uitzending van Opsporing Verzocht een compositietekening getoond en een foto van een pinner. De pinner is het broertje van die vrouw die hier (hof begrijpt Hanepoel te Zwaanshoek) woonde samen met [verdachte]. U toont mij een compositiefoto van een van de daders van de overval. U vraagt mij wie ik herken. Ja, dat is [verdachte] dat is duidelijk. Op televisie heb ik gezien hoe het gegaan zou zijn en daar zag ik dus de compositietekening waar ik [verdachte] op herkende. Op 20 september 2011 hoorde ik allemaal helikopters. [verdachte] heb ik voorbij zien rennen.

17. Een proces-verbaal van verhoor met nummer PL 1260 2011103916-64 van 19 december 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 12] [doorgenummerde pagina’s 655 - 659].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 19 december tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van getuige [getuige 3]:

Ik hoorde op 20 september 2011 allemaal helikopters boven mijn huis. U laat mij een compositiefoto zien van één van de daders van de overval. Ik herken hem als de buurjongen (adres van de getuige is Hanepoel te Zwaanshoek). Op het moment dat ik de helikopters hoorde, zag ik de buurjongen nog sluipend naar zijn huis lopen onder de afdakjes van de voordeuren naar zijn woning toe.

18. Een proces-verbaal van verhoor met nummer PL 1260 2011103916-101 van 14 februari 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 7] en [verbalisant 3] [doorgenummerde pagina’s 133 - 142].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 14 februari 2012 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1]:

Ik heb Opsporing Verzocht gezien. Ik heb mijn foto gezien daar. Dat ging over een gewapende overval in Bennebroek (het hof begrijpt uit de context, de uitzending van 18 oktober 2011). Ik ben gewoon meegegaan. Ik kwam iemand tegen. Zijn naam is ‘[verdachte].’ Ik kreeg een voorstel van hem om mee te gaan als back-up. Het was een woning in Bennebroek. We zijn naar die woning gegaan. We hebben aangebeld maar er werd niet open gedaan. Hierna zijn we naar de achterdeur gegaan en [verdachte] heeft een raampje ingegooid van de achterdeur en daardoor zijn we naar binnen gegaan. Toen we net binnen waren kwam die man naar beneden. Hij kwam van de trap af gelopen. [verdachte] zei tegen die man dat hij moest gaan liggen. [verdachte] had hem onder schot. Ik ben naar boven gegaan, ik heb alles overhoop gehaald. Ik had niets gevonden en kwam weer naar beneden. Hierna vroeg [verdachte] aan die man waar het geld was. Later zijn we met z’n tweeën naar boven geweest want de bewoner was vastgebonden aan zijn handen en benen. Ik hield hem vast en [verdachte] bond hem vast. We hebben zijn benen en armen aan elkaar vastgemaakt op zijn rug. We hebben daar boven niets gevonden. Hij zei, toen we net boven waren, dat we die auto mee moesten nemen, dan hadden we in ieder geval iets. Toen hebben we de Rabobank-pas gepakt. Het slachtoffer zei dat we die pas moesten hebben en hij gaf de pincode. Wij zijn weggegaan met de auto van die meneer, een Porsche Cayenne.

[verdachte] had een lichtgevende stratenmakersjas. Het leek een PTT jas. Zo wilde hij eerst gaan, daarom had hij aangebeld. Hij wilde aanbellen met een pakketje en dan zijn ding doen. We hebben aangebeld, maar hij deed niet open. Toen zijn we naar achteren gegaan en hebben we het raampje ingeslagen.

19. Een proces-verbaal van verhoor met nummer PL 1260 2011103916-102 van 15 februari 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 7] en [verbalisant 3] [doorgenummerde pagina’s 143 - 160].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 15 februari 2012 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1]:

Op 13 september 2011 ben ik gecontroleerd in een auto. Daar was ik met 3 andere personen. Dat waren [persoon 3], [persoon 4] en [verdachte]. [persoon 4] is, als het goed is, een kind van mijn vader. [verdachte] is haar vriend. U vraagt mij of het telefoonnummer [telefoonnummer 3] het telefoonnummer is waarop [verdachte] met mij contact hield. Ja, hij hield meer contact met mij. Ik heb wel een aantal keer gebeld op dat nummer om met mijn zusje te praten. [verdachte] en zij gebruikten dit nummer allebei. Ik weet dat [verdachte] en [persoon 4] in Zwaanshoek bezig waren met een huis. Ik bevond mij de avond voor de overval in het huis van [persoon 4] en [verdachte]. Eerder was al eens besproken dat we het met een pakketje gingen doen en dat [verdachte] die jas aan trok. [verdachte] zei dat hij een wapen had. Hij zou het wapen vasthouden. Tijdens het vastbinden van die man zei [verdachte] dat ik het wapen even moest vasthouden.

20. Een proces-verbaal van verhoor met nummer PL 1260 2011103916-103 van 16 februari 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 7] en [verbalisant 3] [doorgenummerde pagina’s 166 - 177].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 16 februari 2012 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1]:

[verdachte] [verdachte] gaat niet eens heel lang met mijn zusje. Ongeveer een jaar. In de woning aan de Hanepoel hebben we het globaal over de overval gehad. [verdachte] vroeg me of ik er voor in was of niet. [verdachte] is bij de woning langs geweest. Maar ik weet niet wanneer. Ik weet dat hij voorbereidingen heeft gedaan.

21. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL 1260 2011103916-48 van 15 december 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 13] [doorgenummerde pagina’s 330 - 332].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Binnen het onderzoek naar de diefstal met geweld, in vereniging gepleegd op de bewoner van de woning aan het adres: [adres 2] te Bennebroek d.d. 20 september 2011, werd door mij een voorlopig onderzoek verricht in de, binnen het onderzoek opgevraagde, historische verkeersgegevens waaronder het telefoonnummer: [telefoonnummer 3], in gebruik bij de verdachte [verdachte].

Uit dit voorlopige onderzoek bleek mij dat:

- de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 3], vanaf 18 augustus 2011 tot en met 27 oktober dagelijks van de zendmasten [adres 3] te Hoofddorp met de cellid’s 35782/35783 en [adres 4] te Heemstede met de cellid’s 31181/31182, gebruik maakte;

- de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] op 19 september 2011 te 23.05 uur, een dag voor de diefstal met geweld, zich onder het bereik van de zendmast

N208/Rijksstraatweg met cellid 3791 te Bennebroek bevond. Opvallend hieraan is dat de woning van het slachtoffer aan de [adres 2] te Bennebroek onder het bereik van deze cellid valt;

Binnen het onderzoek naar de diefstal met geweld was het bekend geworden dat de verdachte [verdachte] woonachtig is geweest aan het adres [woonplaats] te Zwaanshoek. Dit adres bevindt zich onder het bereik van de cellid’s van de zendmasten [adres 3] te Hoofddorp en [adres 4] te Heemstede.

22. Een proces-verbaal van verhoor met nummer PL 1260 2011103916-38 van 14 december 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 7] en [verbalisant 3] [doorgenummerde pagina’s 68 - 77].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 14 december 2011 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte:

Mijn roepnaam is [verdachte]. [persoon 4] is mijn vriendin.

23. Een proces-verbaal van verhoor met nummer PL 1260 2011103916-39 van 14 december 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 7] en [verbalisant 3] [doorgenummerde pagina’s 78 - 85].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 14 december 2011 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte:

Ik heb een tijdje geleden een woning gehuurd in Zwaanshoek. Op de [woonplaats]. Het was de bedoeling om met [persoon 4] daar te gaan wonen.

24. Een proces-verbaal van verhoor met nummer PL 1260 2011103916-49 van 15 december 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 7] en [verbalisant 3] [doorgenummerde pagina’s 107 - 112].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 15 december 2011 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte:

Het klopt dat ik eerder heb verklaard zo’n drie maanden te hebben verbleven op de [woonplaats]. Ik heb het pand 3 maanden gehuurd. Ik heb er geslapen. [persoon 4] is daar op de Hanepoel geweest. Ze heeft daar ook geslapen. Ze was vaak wel bij mij als ik daar was.

25. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL 1236 2011103916-4 van 20 september 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 14] [doorgenummerde pagina’s 271 - 272].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 20 september 2011, omstreeks 11.00 uur, heb ik een onderzoek ingesteld, op locatie de Klinkenbergstraat te Zwaanshoek. Op de parkeerplaats, gelegen aan de Klinkenbergstraat ter hoogte van perceel 61, zag ik een groenkleurige Porsche Cayenne, voorzien van het kenteken [kenteken 4] geparkeerd staan.

Bewijsoverweging

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 15-740040-12 onder 2 tenlastegelegde.

De raadsman heeft bepleit tot uitsluiting van de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 2] voor het bewijs, nu de verklaringen van de medeverdachte discrepanties vertonen en niet stroken met de feiten. De medeverdachte zou een aversie hebben tegen de verdachte en daarom bewust, ten onrechte, belastend over hem hebben verklaard.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt daartoe dat het de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 2] voldoende betrouwbaar acht om voor het bewijs te bezigen. Zo heeft de medeverdachte op essentiële punten op verschillende momenten consistent verklaard, welke verklaringen ondersteund worden door andere bewijsmiddelen. Zo heeft de medeverdachte blijkens het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg van 7 september 2012, alsmede in zijn verhoor bij de Raadsheer-Commissaris van 11 december 2013 nog aangegeven te blijven bij zijn eerder afgelegde verklaringen waarin hij heeft gezegd de overval op het huis in Hillegom te hebben gepleegd met de verdachte. Dat hij samen met de verdachte in deze woning is geweest en dat [persoon 1] buiten op hen wachtte in een andere auto, een Golf, type 5. Ook heeft de medeverdachte verklaard dat de verdachte waarschijnlijk een dag voor de woningoverval, de woning in de gaten heeft gehouden. Deze verklaring van de medeverdachte wordt ondersteund door het onderzoek naar de historische verkeersgegevens, welke laten zien dat de gebruiker van het telefoonnummer dat aan de verdachte wordt toegeschreven, zich de dag voor de overval onder het bereik van de zendmast bevond, waar vlakbij zich eveneens de woning aan het perceel de Doornenburg 2 in Hillegom bevind.

Het hof ziet voorts geen aanleiding om aan te nemen dat de medeverdachte ten aanzien van de overval op de coffeeshop, die ter terechtzitting door de verdachte is bekend, wel betrouwbaar zou hebben verklaard en ten aanzien van de overval in Hillegom niet. De enkele stelling dat de onderlinge verhoudingen tussen de verdachte en de medeverdachte niet goed zouden zijn, acht het hof onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 15-741187-11 tenlastegelegde

De bruikbaarheid van de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 1] ingevolge de Vidgen-jurisprudentie

De raadsman heeft onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 10 juli 2012 (Vidgen t. Nederland, app 29363/06) bepleit dat het onder parketnummer 15-741187-11 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, omdat de verdediging geen adequate en behoorlijke gelegenheid heeft gehad om de medeverdachte [medeverdachte 1] te kunnen ondervragen, terwijl een bewezenverklaring slechts “sole and decisive” gebaseerd zou kunnen zijn op deze verklaring.

Het hof overweegt daartoe het volgende.

De gevallen waarin het EHRM heeft uitgemaakt dat de vruchten van een in het opsporingsonderzoek afgelegde getuigenverklaring van het bewijs dienen te worden uitgesloten omdat de verdediging niet in enig stadium van het geding in de gelegenheid is geweest haar ondervragingsrecht uit te oefenen betreffen zaken waarin een bewezenverklaring alleen of in beslissende mate ('solely or to a decisive degree') berust op de verklaring van die getuige. Van een dergelijk geval is in het onderhavige geding geen sprake.

Het hof merkt allereerst op dat de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep in de gelegenheid is gesteld om de medeverdachte te doen ondervragen, daarbij enkele vragen heeft gesteld en hierop ook inhoudelijk antwoord heeft gekregen. Voorts is het hof van oordeel dat de rechtstreekse betrokkenheid van de verdachte ook mede is gelegen in andere bewijsmiddelen die onafhankelijk staan van de verklaring van de medeverdachte. Zo heeft de aangever op basis van zijn observaties ten tijde van de overval, door de politie een profielschets laten maken. Deze schets werd later getoond in het televisieprogramma Opsporing Verzocht op basis waarvan buurtbewoners uit eigener beweging de verdachte herkenden als zijnde de persoon die werd afgebeeld op de profielschets, Het hof acht deze wijze van herkenning betrouwbaar mede gelet op het feit dat de herkenning plaatsvond, voor het moment dat de verdachte door de politie aan deze overval werd gekoppeld. Dat de getuigen door de vervolging van de verdachte in hun verklaringen zijn beïnvloed acht het hof dan ook niet aannemelijk. De aangifte en herkenning van de verdachte worden voldoende ondersteund door andere bewijsmiddelen. Zo is de bij de overval gestolen Porsche teruggevonden in de nabijheid van de woning van de verdachte. Tevens is waargenomen dat de verdachte op de dag van de overval zich al sluipend dan wel rennend richting zijn woning begaf.

Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat van een schending van de door het EHRM in de zaak Vidgen omschreven norm dan ook geen sprake is.

Betrouwbaarheid van de door de medeverdachte afgelegde verklaring

Subsidiair heeft de raadsman de betrouwbaarheid van de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 1] betwist. Zo zouden zijn verklaringen op een aantal punten niet kloppen. De medeverdachte zou aanvankelijk hebben verklaard dat de overval een, zogenaamde, deurwaardersactie betrof, waart hij later op terug is gekomen. Voorts heeft de medeverdachte wisselend verklaard over het vertrekpunt op de dag van de overval en of hij de avond voor de overval bij de verdachte thuis is wezen slapen. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de medeverdachte door de verdachte te belasten een onbekende derde probeert te beschermen.

Het hof verwerpt het door de raadsman gevoerde verweer en overweegt daartoe het volgende. Het hof merkt op dat de medeverdachte op meerdere essentiële punten consistent en gedetailleerd heeft verklaard, welke verklaringen ondersteund worden door andere bewijsmiddelen. Zo heeft de medeverdachte verklaard dat zijn mededader, die hij “[verdachte]” noemt, destijds samen met [persoon 4] in Zwaanshoek woonde. Ook de verdachte heeft verklaard in Zwaanshoek te hebben verbleven en dat zijn vriendin, [persoon 4], vaak dan bij hem was. Voorts heeft de medeverdachte verklaard dat het telefoonnummer dat wordt toegeschreven aan de verdachte, het telefoonnummer is waarop hij contact hield met “[verdachte].” De medeverdachte weet ook te verklaren dat [verdachte] vóór de overval bij de woning waar de overval heeft plaatsgevonden is langs geweest. Uit onderzoek naar de historische verkeersgegevens van de bij de verdachte in gebruik zijnde telefoonnummers volgt dat de gebruiker van het telefoonnummer dat aan de verdachte wordt toegeschreven, zich de dag voor de overval onder het bereik van de zendmast bevond, binnen welk bereik eveneens de woning aan de [adres 2] te Bennebroek valt. Voorts zou [verdachte] hem hebben benaderd voor het plegen van de overval. Op zijn eigen terechtzitting in eerste aanleg heeft de medeverdachte verklaard dat [verdachte] degene is geweest met wie hij de overval heeft gepleegd.

In ogenschouw genomen dat de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 1] op meerdere essentiële punten consistent, gedetailleerd en verifieerbaar zijn op basis van andere bewijsmiddelen, acht het hof de verklaringen van de medeverdachte voldoende betrouwbaar om voor het bewijs te bezigen. Zijn enkele ongemotiveerde ontkenning van de betrokkenheid van de verdachte in zijn verklaring bij de raadsheer-commissaris doet daar niet aan af.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de medeverdachte als getuige gehoord verklaard dat hij eerder belastend over de verdachte heeft verklaard omdat hij het niet eens was met de relatie die de verdachte met zijn halfzusje [persoon 4] had. Het hof acht deze verklaring niet aannemelijk nu deze voor het eerst ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd en niet nader is onderbouwd.

De stelling van de raadsman dat de medeverdachte door belastend over de verdachte te verklaren een derde probeert te beschermen, vindt geen enkel aanknopingspunt in het dossier.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 15-740040-12 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 15-741187-11 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak met parketnummer 15-740040-12:

1:
hij op 6 februari 2011 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander of anderen , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 2 bakken met wiet en een mobiele telefoon (merk: Blackberry), toebehorende aan coffeeshop [bedrijf 1] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van de balieportemonnee met als inhoud een geldbedrag van ongeveer EUR 400,-, toebehorende aan coffeeshop [bedrijf 1] en/of [slachtoffer 2], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 1] heeft gericht enzijn mededader de deur heeft ingetrapt.

2:

hij op 31 januari 2011 te Hillegom tezamen en in vereniging met een ander of anderen , met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van autosleutels behorende bij een personenauto (merk: Audi, type A6) voorzien van het kenteken [kenteken 2] toebehorende aan [bedrijf 2] en met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk: Audi, type A6) voorzien van kenteken [kenteken 5]) en een horloge (merk: Maurice Lacroix, type: Master piece) en een geldbedrag van ongeveer EUR 450,- toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [bedrijf 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en welk geweld en bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij verdachte een vuurwapen, althans op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 3] heeft gericht en de handen en voeten van die [slachtoffer 3] door middel van tiewraps heeft vastgebonden.


Zaak met parketnummer 15-741187-11 (gevoegd):

hij op of omstreeks 20 september 2011 te Bennebroek, gemeente Bloemendaal tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een Porsche Cayenne en sieraden en geld en een pinpas toebehorende aan [slachtoffer 4], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en welk geweld en bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en/of zijn mededader een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 4] heeft/hebben gericht en daarbij de woorden "Ga op je knieën zitten en anders schieten we" toe te voegen en voornoemd pistool, althans op een vuurwapen gelijkend voorwerp een of meermalen heeft/hebben doorgeladen en die [slachtoffer 4] bij zijn hoofd heeft/hebben vastgepakt en vervolgens tegen de grond heeft/hebben geduwd en de handen en voeten van die [slachtoffer 4] aan elkaar heeft/hebben gebonden.

Hetgeen in de zaak met parketnummer 15-740040-12 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 15-741187-11 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak met parketnummer 15-740040-12 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 15-741187-11 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is .

het in de zaak met parketnummer 15-740040-12 onder 1 bewezen verklaarde levert op:

de voortgezette handeling van;

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

en

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

het in de zaak met parketnummer 15-740040-12 onder 2 bewezen verklaarde levert op:

de voortgezette handeling van;

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

het in de zaak met parketnummer 15-741187-11 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 15-740040-12 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 15-741187-11 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het in de zaak met parketnummer 15-740040-12 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 15-741187-11 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de officier in eerste aanleg is geëist, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren, met aftrek.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft, in vereniging, twee woningen en een coffeeshop overvallen, waarbij de aanwezige bewoners van de woningen, respectievelijk de medewerkster van de coffeeshop, werden bedreigd met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. De bewoners van de woning werden gesommeerd om op hun buik te liggen dan wel hun knieën te gaan zitten, waarna hun handen en voeten aan elkaar werden vastgebonden. Bij de overvallen werden meerdere geldbedragen buitgemaakt, almede auto’s en sieraden. Daarnaast werden goederen weggenomen met een voor de eigenaren grote emotionele waarde, zoals een trouwring en een mobiele telefoon met daarop de foto’s van het 6 maanden oude kindje van de medewerkster van de coffeeshop.

Dergelijke overvallen hebben een hevige impact op de slachtoffers en laten bij hen en hun omgeving onuitwisbare sporen na. De eigen woning is een omgeving waarin men zich bij uitstek veilig en vertrouwd moet kunnen voelen. Voorts tasten dergelijke overvallen het maatschappelijk gevoel van veiligheid in ernstige mate aan.

De verdachte vervulde bij alle overvallen kennelijk een sleutelrol, waarbij hij het initiatief nam tot het plegen van de overvallen door de medeverdachte(n) te benaderen en hen tijdens de overvallen aan te sturen. Het hof rekent het de verdachte in het bijzonder aan dat hij, blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 14 oktober 2014 hij door het gerechtshof Arnhem in 2009 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden voor een soortgelijk feit. De eerste woningoverval, in Hillegom, werd in nog geen maand na zijn voorlopige invrijheidstelling voor dit feit, al door de verdachte gepleegd. Daarnaast heeft de verdachte op geen enkel moment in het proces er blijk van gegeven het kwalijke van zijn gedrag in te zien.

Het hof heeft tenslotte rekening gehouden met de jeugdige leeftijd van de verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheid dat de hierna te noemen vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling zal worden toegewezen, waardoor het hof tot de oplegging van een iets lagere gevangenisstraf komt dan de rechtbank.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 4.500,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 4.150,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 15-740040-12 onder 1 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.tot een bedrag van € 4.150,-- Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot genoemd bedrag zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

De benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 17.026,89, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 10.301,89 en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De vordering bestaat uit de volgende posten:

Materieel:

a. Het eigen risico voor de Porsche Cayenne € 711,--

b. Eigen risico VW Transporter €127,85

c. Kleding (shirt, sjaal, riem, badjas) €155,--

d. Bankbiljet fl. 25,- €11,50

e. Reiskostenvergoeding €124,95

f. Parkeerkostenvergoeding €45,--

g. Extra telefoon-, kopieer-, en portokosten €75,--

h. Beveiligingskosten €2.456,59

i. Sieraden €3.895,--

j. Aan- verkoopkosten €2.500,--

k. Verhuiskosten €2.500,--

€12.601,89

Immaterieel €4.500,--

Totaal €17.101,89

Standpunt verdediging

Door de raadsman van de verdachte is bepleit dat de posten ‘Aan- verkoopkosten’ en ‘Verhuiskosten’ dienen te worden afgewezen nu de gemaakte kosten niet rechtstreeks voortvloeien uit de tenlastegelegde gedraging.

Standpunt benadeelde partij

Namens de benadeelde partij is aangevoerd dat ten aanzien van de aan- en verkoopkosten, alsmede de verhuiskosten, sprake is van rechtstreekse schade. Daartoe heeft de raadsman van de benadeelde partij, kort gezegd, aangevoerd, dat de tenlastegelegde gedraging een diepe indruk heeft achtergelaten bij de benadeelde partij. De woning waar de overval heeft plaatsgevonden is voor altijd verbonden met nare herinneringen en de verhuizing is daarom een rechtstreeks gevolg van de tenlastegelegde gedraging.

Oordeel van het hof.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij in de navolgende posten, die niet door de verdediging zijn betwist, als gevolg van het in de zaak met parketnummer 15-741187-11 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden

a. Het eigen risico voor de Porsche Cayenne € 711,--

b. Eigen risico VW Transporter €127,85

c. Kleding (shirt, sjaal, riem, badjas) €155,--

d. Bankbiljet fl. 25,- €11,50

e. Reiskostenvergoeding €124,95

f. Parkeerkostenvergoeding €45,--

g. Extra telefoon-, kopieer-, en portokosten €75,--

h. Beveiligingskosten €2.456,59

i. Sieraden €3.895,--

Het rechtstreeks verband tussen de posten die betrekking hebben op de door de benadeelde partij gemaakte verhuiskosten en de aan- en verkoopkosten zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende komen vast te staan. Beantwoording van de vraag of sprake is van een causaal verband brengt een onevenredige belasting van het strafproces met zich mee. Het hof zal de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

Het hof acht de gestelde immateriële schade voor een bedrag van € 4.150,--, gelet op de ter terechtzitting en in hoger beroep gegeven toelichting en onderbouwing daarvan, billijk.

Verdachte is tot vergoeding van de voornoemde schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling

Bij onherroepelijk arrest van het gerechtshof Arnhem van 29 april 2009, parketnummer 21-002927-08, is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Tevens is bij voormeld arrest de tenuitvoerlegging van 92 dagen voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf ten aanzien van de zaak met parketnummer 16/600858-07 gelast. De tenuitvoerlegging van deze straffen is met ingang van 14 mei 2009 aangevangen.

De veroordeelde is, gelet op artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht, op 6 januari 2011 voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder meer, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 30 maart 2012 gevorderd, dat de rechtbank de voorwaardelijke invrijheidsstelling voor een periode van 547 dagen herroept, nu de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, zijnde de zaak met parketnummer, 15-741187-11.

De rechtbank Haarlem heeft bij vonnis waarvan beroep de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling toegewezen.

De raadsman heeft aangevoerd dat deze vordering door het openbaar ministerie pas enkele maanden na de aanhouding van de verdachte, en derhalve niet onverwijld, is gedaan, zodat deze dient te worden afgewezen.

Het hof overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 15i, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht dient de vordering tot herroeping onverwijld te worden ingediend nadat het openbaar ministerie van oordeel is dat de veroordeelde een voorwaarde niet heeft nageleefd. Dat de verdachte is aangehouden op 14 december 2011 houdt nog niet in dat het openbaar ministerie op dat moment al tot de conclusie was gekomen of had moeten komen dat de voorwaarde niet was nageleefd. Reeds hierom gaat het verweer van de raadsman niet op.

Het hof is van oordeel dat de veroordeelde de algemene voorwaarden van zijn voorlopige invrijheidsstelling heeft geschonden door zich voor het einde van de proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Het hof zal op grond hiervan de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toewijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 56, 57, 63, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-740040-12 onder 3 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 15-740040-12 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 15-741187-11 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 15-740040-12 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 15-741187-11 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-740040-12 onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 4.150,00 (vierduizend honderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3], een bedrag te betalen van € 4.150,00 (vierduizend honderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 51 (eenenvijftig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-741187-11 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 11.751,89 (elfduizend zevenhonderdeenenvijftig euro en negenentachtig cent) bestaande uit € 7.601,89 (zevenduizend zeshonderdéén euro en negenentachtig cent) materiële schade en € 4.150,00 (vierduizend honderdvijftig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 20 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4], een bedrag te betalen van € 11.751,89 (elfduizend zevenhonderdeenenvijftig euro en negenentachtig cent) bestaande uit € 7.601,89 (zevenduizend zeshonderdéén euro en negenentachtig cent) materiële schade en € 4.150,00 (vierduizend honderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 93 (drieënnegentig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 20 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Wijst toe de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeling van het gerechtshof Arnhem van 29 april 2009 onder parketnummer 16/600858-07 en gelast dat de veroordeelde alsnog de door hem nog niet ondergane vrijheidsstraf dient te ondergaan.

Stelt de nog niet ondergane vrijheidsstraf vast op 547 (vijfhonderd zevenenveertig) dagen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.A. Hartsuiker, mr. H.W.J. de Groot en mr. D. Radder, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Meyer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 november 2014.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...]

[...]

[...][...]

[...][...][...][...]

[...]