Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4763

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-11-2014
Datum publicatie
25-11-2014
Zaaknummer
200.131.346-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanneming van werk. Bestuurdersaansprakelijkheid van bestuurders van opdrachtgeefster? Ongerechtvaardigde verrijking van dezelfden als eigenaars van opgeknapte pand?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2014-0424

Uitspraak

arrest

______________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.131.346/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam: C/13/517258 / HA ZA 12-607

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 11 november 2014

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PREVIA ONDERHOUD B.V.,

gevestigd te Landsmeer,

appellante,

advocaat: mr. J.A. Oudendijk te Amsterdam,

tegen:

1 [geintimeerde sub 1],

2. [geintimeerde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. G.E. Star Busmann te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Previa en [geïntimeerden] (geïntimeerden afzonderlijk [geintimeerde sub 1] en [geintimeerde sub 2]) genoemd.

Previa is bij dagvaarding van 23 juli 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 april 2013, onder bovengenoemd zaak-/rolnummer gewezen tussen Previa als eiseres en [geïntimeerden] als gedaagden (hierna: het vonnis).

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 25 september 2014 doen bepleiten door hun voornoemde advocaten, Previa aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Previa heeft geconcludeerd dat het hof het vonnis zal vernietigen en bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, alsnog haar vorderingen zal toewijzen conform haar in beroep verminderde eis, met beslissing over de proceskosten, waaronder terugbetaling van de door Previa betaalde proceskosten van de eerste aanleg.

[geïntimeerden] hebben geconcludeerd tot bekrachtiging, met beslissing over de proceskosten.

Previa heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

2.1

De rechtbank heeft in het vonnis onder 2.1 tot en met 2.3 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn tussen partijen niet in geschil zodat ook het hof hiervan uitgaat. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die zijn gebleken uit de niet (voldoende) weersproken stellingen van partijen, komen de feiten, voor zover in hoger beroep nog van belang, neer op het volgende.

3 Beoordeling

3.1

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1.1Op 17 november 2009 is tussen Previa als aannemer en de besloten vennootschap Aan de Amstel Accountants B.V. (hierna: AA Accountants) als opdrachtgever een overeenkomst van aanneming van werk gesloten. Na 17 november 2009 hebben AA Accountants en Previa aanpassingen in de overeenkomst doorgevoerd.

3.1.2

De overeenkomst betrof werkzaamheden aan het pand aan de [adres] te [plaats] (hierna: het pand). Previa heeft werkzaamheden aan het pand verricht en aan AA Accountants € 82.013,93 (vermeerderd met kosten en rente) in rekening gebracht. AA Accountants heeft de vordering betwist, enerzijds wegens door haar gestelde gebreken, anderzijds met een beroep op verrekening.

3.1.3

[geïntimeerden] zijn gezamenlijk eigenaar van het pand.

Bestuurder en enig aandeelhouder van AA Accountants is Well Trust Company B.V.

Bestuurders van Well Trust Company B.V. zijn [X] Beheer B.V. en [Y] B.V., van welke laatstgenoemde vennootschappen [geintimeerde sub 1] respectievelijk [geintimeerde sub 2] bestuurder zijn.

3.2

Previa heeft gevorderd [geïntimeerden] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding, te vermeerderen met rente, buitengerechtelijke incassokosten en (beslag)kosten. Zij heeft haar vordering gegrond op onrechtmatig handelen van [geïntimeerden] in hun hoedanigheid van (indirect) bestuurders van AA Accountants en op ongerechtvaardigde verrijking van [geïntimeerden] als eigenaren van het pand.

3.3

De rechtbank heeft de vordering op beide grondslagen afgewezen.

3.3.1

Ten aanzien van de grondslag onrechtmatige daad heeft de rechtbank geoordeeld dat Previa te weinig heeft gesteld om hierop aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van een bestuurder van een vennootschap te kunnen baseren.

3.3.2

Ten aanzien van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking heeft de rechtbank overwogen dat voor toewijzing nodig is dat de gedaagde partij zonder rechtvaardiging is verrijkt ten koste van de eisende partij en dat het redelijk is dat de verrijkte partij aan de verarmde partij de schade vergoedt. De vraag of daarvan sprake is kan pas worden beantwoord als in rechte is vastgesteld of erkend dat AA Accountants een betalingsverplichting ten opzichte van Previa heeft en AA Accountants aan die verplichting niet voldoet of niet kan voldoen. Deze verplichtingen dienen te worden vastgesteld in een arbitrageprocedure tussen Previa en AA Accountants, aldus de rechtbank.

3.4

In een door Previa tegen AA Accountants gevoerde arbitrale procedure heeft de arbiter AA Accountants veroordeeld tot betaling aan Previa tot een bedrag van € 88.274,51, te vermeerderen met rente en kosten. Tegen het arbitraal vonnis heeft AA Accountants zowel een procedure tot vernietiging als tot herroeping ingesteld.

3.5

Tegen het vonnis van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende motivering richt Previa haar (enige) grief. Daarin betoogt zij dat de rechtbank ten onrechte haar vordering uit ongerechtvaardigde verrijking tegen [geïntimeerden] niet op haar merites heeft beoordeeld maar afhankelijk heeft gesteld van de vraag of AA Accountants een betalingsverplichting heeft jegens Previa. Daartoe voert Previa aan dat zij de werkzaamheden naar behoren heeft uitgevoerd maar desondanks niet betaald heeft gekregen, AA Accountants zich in allerlei bochten heeft gewrongen om onder haar betalingsverplichting uit te komen en [geïntimeerden] zich daarachter trachten te verschuilen. Volgens Previa hadden en hebben [geïntimeerden] in hoedanigheid van (indirect) leidinggevenden van AA Accountants het in hun macht ervoor zorg te dragen dat AA Accountants overgaat tot betaling van de verrichte werkzaamheden en profiteren zij daarbij in hun hoedanigheid van eigenaren van het pand van de door Previa uitgevoerde werkzaamheden, zonder daarvoor een vergoeding te hebben betaald. Aldus hebben [geïntimeerden] zich ten koste van Previa verrijkt en zijn zij naast AA Accountants hoofdelijk aansprakelijk voor de door Previa geleden schade, aldus nog steeds Previa.

3.6

Kern van het geschil is of [geïntimeerden] als indirecte bestuurders van AA Accountants aangesproken kunnen worden voor het onbetaald laten van de rekening van Previa voor door haar in opdracht van AA Accountants uitgevoerde werkzaamheden. Daarbij stelt het hof vast dat Previa eerst bij pleidooi de stelling betrekt dat [geïntimeerden] een zodanig persoonlijk en ernstig verwijt kan worden gemaakt dat zij jegens Previa hebben gehandeld in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid en uit dien hoofde schadeplichtig zijn. Het hof oordeelt als volgt.

3.6.1

Daargelaten de vraag of het eerst bij pleidooi door Previa gedane beroep op (naar het hof begrijpt) bestuurdersaansprakelijkheid moet worden aangemerkt als een nieuwe grief en om die reden als ‘tardief’ buiten beschouwing moet blijven, heeft Previa dit betoog onvoldoende handen en voeten gegeven.

Uitgangspunt is dat bij het tekortschieten van een vennootschap in de nakoming van een verbintenis alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade en slechts onder bijzondere omstandigheden, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte is voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Indien de bestuurder namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan en de vordering van de schuldeiser onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt, kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder worden aangenomen indien deze bij het aangaan van die verbintenis wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, het zogenoemde “Beklamelcriterium”.

Previa heeft niet, althans onvoldoende onderbouwd gesteld dat [geïntimeerden] bij het aangaan van de overeenkomst van aanneming van werk (tussen AA Accountants en Previa) wisten of behoorden te begrijpen dat AA Accountants niet aan haar betalingsverplichting zou kunnen voldoen als gevolg waarvan Previa schade zou lijden. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat Previa bij pleidooi heeft verklaard dat betaling zou plaatsvinden door middel van verrekening (hof: met een vordering van AA Accountants op P&H Holding B.V., van welk concern Previa onderdeel uitmaakt).

3.6.2

De stelling van Previa dat AA Accountants zich in allerlei bochten heeft gewrongen om onder haar betalingsverplichting uit te komen en [geïntimeerden] zich daarachter trachten te verschuilen, acht het hof evenmin voldoende onderbouwd. Het hof is tot op heden niet gebleken van gedragingen aan de zijde van [geïntimeerden] die duiden op betalingsonwil.

Daarbij neemt het hof in aanmerking dat mr. Star Busmann tijdens het pleidooi heeft verklaard dat indien er voor AA Accountants een betalingsverplichting bestaat, wat het geval is als het arbitraal vonnis onherroepelijk is geworden, AA Accountants aan die verplichting zal voldoen. Aldus is de gestelde betalingsonwil aan de zijde van [geïntimeerden] (thans) niet aan de orde. Dit zou mogelijk anders kunnen zijn indien [geïntimeerden] na onherroepelijk arbitraal vonnis erop zouden aansturen dat AA Accountants niet aan de alsdan op haar rustende betalingsverplichting zal voldoen. In dat geval kan Previa hierover in een (nieuwe) tegen [geïntimeerden] aan te spannen procedure het oordeel van de rechter vragen.

3.6.3

Ten slotte kan het beroep van Previa op ongerechtvaardigde verrijking haar evenmin baten. Wil een vordering tot schadevergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking slagen, dan dient de verrijking van de een ten koste te gaan van verarming van de ander. Tevens moet deze verrijking ongerechtvaardigd zijn, terwijl alleen schade vergoed moet worden voor zover dit redelijk is.

Previa heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat er een zodanig verband bestaat tussen de verrijking van [geïntimeerden] enerzijds en de verarming van Previa anderzijds dat de laatste kan worden herleid tot de eerste. De verrijking bij [geïntimeerden] als eigenaren van het pand is immers al ontstaan op het moment van opdracht door AA Accountants aan Previa tot het verrichten van werkzaamheden aan het pand, terwijl verarming bij Previa pas kan worden vastgesteld op het moment dat vast staat dat AA Accountants voor deze werkzaamheden niet betaalt. Ook heeft Previa niet onderbouwd dat de redelijkheid vergt dat haar schade moet worden vergoed. De vraag of de verrijking van [geïntimeerden] ongerechtvaardigd is, kan bij deze stand van zaken in het midden blijven.

3.7

De slotsom is dat [geïntimeerden] niet kunnen worden aangesproken voor het onbetaald laten van de rekening van Previa voor door haar in opdracht van AA Accountants uitgevoerde werkzaamheden. De grief faalt, zodat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Previa zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het bewijsaanbod van Previa zal worden gepasseerd omdat dit niet is gebaseerd op voldoende geconcretiseerde stellingen die, indien al bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Previa in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 683,-- aan verschotten en € 4.893,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, E.M. Polak en A.E. Oderkerk en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 11 november 2014.