Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4756

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-11-2014
Datum publicatie
27-02-2015
Zaaknummer
23-003606-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling snorder. Verweer m.b.t. vormverzuim verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-003606-13

datum uitspraak: 14 november 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Amsterdam van 6 augustus 2013 in de strafzaak onder de parketnummers 13-050819-13 en 13-696110-10 (TUL) tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 31 oktober 2014, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 20 december 2012 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met een auto ([kenteken]) taxivervoer heeft verricht zonder een daartoe verleende vergunning.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank ten aanzien van de straf en naar aanleiding van het verweer in hoger beroep op onderdelen anders overweegt dan de economische politierechter in eerste aanleg.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 20 december 2012 te Amsterdam met een auto, [kenteken], taxivervoer heeft verricht zonder een daartoe verleende vergunning.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Het hof neemt hiertoe over de bewijsmiddelen zoals door de economische politierechter onder 1 en 2 gebezigd in het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg dat één geheel vormt met de aantekening van het mondeling vonnis.

In aanvulling daarop voegt het hof toe de verklaring van de verdachte zoals ter terechtzitting in hoger beroep afgelegd:

‘Ik heb nooit een vergunning gehad om taxivervoer te verrichten’.

Voorts voegt het hof toe een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL132F 2012325508-10 van 2 april 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisant [verbalisant].

Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

In het concept verhoor van de getuige [getuige] ben ik abusievelijk vergeten mijn handtekening te noteren. Tevens heb ik abusievelijk het kenteken [kenteken] vermeld, dit moet zijn [kenteken].

In het proces-verbaal van getuigenverhoor staat onder aan het proces-verbaal abusievelijk de naam van de verdachte [verdachte], dit moet zijn [getuige].

Bewijsoverwegingen

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van haar pleitnota op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan taxivervoer zonder vergunning. Zij heeft daartoe primair aangevoerd, kort en zakelijk weergegeven, dat de verdachte door de verbalisanten zodanig lang is gevolgd, dat sprake is van een vormverzuim in het vooronderzoek in de zin van artikel 259a Wetboek van Strafvordering (het hof begrijpt: artikel 359a Sv). De resultaten die naar aanleiding van de observatie zijn verkregen, mogen niet bijdragen aan het bewijs. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd, indien het hof het primaire verweer niet volgt, dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat.

Uit het dossier is naar voren gekomen, dat de auto van de verdachte met kenteken [kenteken] op 20 december 2012 te 10.45 uur voor het eerst door de politie is gezien (proces-verbaal van bevindingen van 20 december 2012). De verdachte is gevolgd in het kader van een snordersactie. Nadat de persoon die bij hem instapte en vervolgens elders uitstapte is gehoord, is het voertuig ‘losgelaten’. Vanaf 15.45 uur is de verdachte opnieuw gevolgd. Deze bevindingen worden ondersteund door de verklaringen van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, waar hij heeft verklaard dat hij niet meer gevolgd werd vanaf het moment dat hij ergens ging eten en naar huis reed om te gaan slapen.

Om 15.45 uur is de auto van de verdachte, van het merk Rover met kenteken [kenteken], opnieuw gezien in de buurt waar de snordersactie liep. De verbalisanten hebben de persoon die bij hem in de auto is gestapt en vervolgens elders uitstapte, rond 16:15 uur gehoord. Deze getuige heeft verklaard, dat zij zojuist uit een personenauto stapte, merk Rover en dat zij de snorder € 2,50 heeft betaald voor de rit.

Het hof overweegt als volgt.

Gezien het genoemde proces-verbaal van bevindingen in samenhang met de verklaringen van de verdachte, is het hof, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat geen sprake is geweest van een buitensporig lange, dan wel stelselmatige achtervolging door de politie. De verdachte is gevolgd in het kader van een gerichte snordersactie. Bij deze vorm van handhaving zonder gebruik van dwangmiddelen, waarbij nog geen sprake is van controle of opsporing, volstaat algemene regelgeving zoals artikel 3 van de Politiewet. Een uitdrukkelijke wettelijke bevoegdheid of een verdenking in de zin van artikel 27 Sv is daarbij niet noodzakelijk.

In het licht van het bovenstaande is het hof van oordeel dat, hoewel de auto van de verdachte gedurende twee perioden op één dag specifiek en gericht is gevolgd, door de politie in dit geval niet een zodanige inbreuk is gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dat sprake is van een vormverzuim in het vooronderzoek ex artikel 359a Sv. Het hof ziet daarom geen aanleiding, nu ook overigens de belangen van de verdachte niet zijn geschaad, enig rechtsgevolg te verbinden aan het optreden van de politie.

Voorts is het hof van oordeel dat, gezien het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat de verdachte als snorder een persoon heeft vervoerd zonder de daartoe noodzakelijke vergunning. De omstandigheid dat het proces-verbaal van verhoor van de getuige van 20 december 2012 slordigheden bevat, doet daar naar het oordeel van het hof niet aan af. De verklaring van de getuige komt immers voldoende duidelijk naar voren en de fouten die het proces-verbaal bevat zijn hersteld in een aanvullend proces-verbaal van bevindingen. Voorts is het hof, met de politierechter van oordeel dat de verklaring van de getuige als voldoende betrouwbaar kan worden beschouwd, nu uit het dossier blijkt dat de verbalisanten die de verdachte volgden de voornoemde getuige in de auto, van het merk Rover met voornoemd kenteken, hebben zien in- en uitstappen. De door haar afgelegde verklaring kan daarom alleen betrekking hebben op de auto van de verdachte.

Het verweer wordt verworpen in alle onderdelen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 76 eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De economische politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete van € 1500,00, te vervangen door 25 dagen hechtenis, en heeft verbeurdverklaard de in beslag genomen en nog niet terug gegeven personenauto met kenteken [kenteken].

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoer van een persoon zonder dat hij over een daartoe benodigde taxivergunning beschikte.

De verdachte heeft zich door zijn handelen, dat gericht was op eigen financieel gewin, onttrokken aan de regelgeving die het beroepspersonenvervoer reguleert en beschermt. Dit heeft niet alleen oneerlijke concurrentie tot gevolg maar brengt ook met zich mee dat niet kan worden gecontroleerd of het vervoer voldoet aan alle eisen van vakbekwaamheid en betrouwbaarheid. Snorders vormen daarmee een risico voor de veiligheid van hun passagiers. Voorts is gebleken dat in de gebieden waar snorders actief zijn, de verkeersveiligheid in gevaar kan komen door bepaald rijgedrag, dat bovendien als overlast gevend wordt beschouwd.

De raadsvrouw van de verdachte heeft het hof verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte door hem een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 oktober 2014 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld met betrekking tot overtreding van de Wet personenvervoer 2000.

Het hof is van oordeel dat gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de recidive, in dit geval niet kan worden volstaan met een geheel voorwaardelijke straf. Het hof zal de verdachte een straf opleggen die in lijn is met de straffen die het hof in soortgelijke gevallen heeft opgelegd.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete waarvan een deel voorwaardelijk van na te melden hoogte met daar aan verbonden een proeftijd van twee jaar, passend en geboden.

Beslag

Het ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan met behulp van het hierna te noemen in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, de personenauto met kenteken [kenteken]. Het behoort de verdachte toe. Het zal daarom worden verbeurd verklaard.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 76 en 103 van de Wet personenvervoer 2000.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de economische politierechter te Amsterdam van 3 mei 2011 opgelegde voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 20 uur, subsidiair 10 dagen hechtenis. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 750,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een personenauto met kenteken [kenteken].

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de economische politierechter te Amsterdam van, parketnummer 13-696110-10, te weten van:

taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.J.M.W. Paridaens-van der Stoel, mr. P.F.E. Geerlings en mr. A.M.C.C. Tubbing, in tegenwoordigheid van mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 november 2014.

Mrs. Geerlings, Tubbing en Scheffens zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.