Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4689

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-11-2014
Datum publicatie
13-07-2017
Zaaknummer
23-002312-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen en maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-002312-14

datum uitspraak: 11 november 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 juni 2014 in de strafzaak onder parketnummer 13-684406-13 tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedag] 1997,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

28 oktober 2014, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 juli 2013 te Amsterdam Zuidoost, gemeente Amsterdam, in elk geval in Nederland (op of aan de openbare weg, het Meibergpad) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (Iphone) en/of een tas en/of een creditcard en/of een rijbewijs en/of een paspoort en/of een museumjaarkaart en/of een schouwburgpas en/of een OLVG-pas en/of een AMC-toegangspas en/of een OV-chipkaart en/of een geldbedrag (van ongeveer 40 euro) en/of een zorgverzekeringspas en/of een of meer sleutel(s) en/of een agenda en/of twee, althans een proefschrift(en) en/of een horloge en/of een USB-stick en/of een sjaal, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben aangesproken en/of voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben achtervolgd en/of voornoemde [slachtoffer] (van achteren) heeft/hebben vastgepakt en/of vastgegrepen en/of (met kracht) een arm om de nek van voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben geslagen en/of voornoemde [slachtoffer] (met kracht) naar achteren heeft/hebben getrokken (waardoor voornoemde [slachtoffer] geen lucht meer kreeg en ten val kwam) en/of voornoemde [slachtoffer] tegen de zij, althans tegen het lichaam heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of voornoemde [slachtoffer] tegen de heup, althans tegen het lichaam heeft/hebben getrapt en/of geschopt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof de voorkeur geeft aan een andere bewijsconstructie dan de door de eerste rechter gebezigde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

op 11 juli 2013 te Amsterdam Zuidoost, gemeente Amsterdam, op de openbare weg, het Meibergpad, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon, Iphone, en een tas en een creditcard en een rijbewijs en een paspoort en een museumjaarkaart en een schouwburgpas en een OLVG-pas en een AMC-toegangspas en een OV-chipkaart en een geldbedrag van ongeveer 40 euro en een zorgverzekeringspas en sleutels en een agenda en twee proefschriften en een horloge en een USB-stick en een sjaal, toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen voornoemde [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s), voornoemde [slachtoffer] van achteren heeft/hebben vastgepakt en een arm om de nek van voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben geslagen en voornoemde [slachtoffer] met kracht naar achteren heeft/hebben getrokken, waardoor voornoemde [slachtoffer] geen lucht meer kreeg en ten val kwam en voornoemde [slachtoffer] tegen de zij heeft/hebben gestompt en voornoemde [slachtoffer] tegen de heup heeft/hebben getrapt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverweging:

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bij pleitnota onder meer aangevoerd -zakelijk

weergegeven-:

Uit de stukken kan worden afgeleid dat de verdachte zelf geen geweld en/of bedreiging met

geweld jegens de aangeefster [slachtoffer] heeft aangewend noch enig goed toebehorende aan de

aangeefster heeft weggenomen. De verdediging acht de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1], dat de

verdachte de tweede persoon is geweest die de aangeefster heeft belaagd en haar tas heeft weggenomen, niet

aannemelijk om de reden dat de medeverdachten en de verdachte anderszins verklaren en bovendien deze

medeverdachte in een eerder verhoor aan de verdachte de rol toegeschreven had als zijnde de persoon die de

aangeefster op de grond werkte, waarover hij in een later verhoor heeft verklaard zich te hebben vergist.

De verdachte heeft geen opzet gehad op het medeplegen van het ten laste gelegde. De verdachte is niet zodanig

bij de planning en uitvoering betrokken geweest. De verdachte heeft de modus operandi niet bepaald en dus niet

nauw samengewerkt met de medeverdachten. Uit het dossier kan worden afgeleid dat de verdachte zich heeft

gedistantieerd op het moment van uitvoering. De verdachte is niet in het bezit gekomen van een deel van de

buit. Derhalve dient de verdachte te worden vrijgesproken van het medeplegen.

In het geval medeplegen aan diefstal met geweld bewezen wordt verklaard dan wordt verzocht de verdachte niet

te veroordelen voor het gekwalificeerde delict ten aanzien van het geweld en de verdachte daarvan vrij te

spreken, nu de verdachte heeft verklaard: “Ik wist niet dat het er zo raar aan toe zou gaan, zulks had hij niet

verwacht”.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De aangeefster [slachtoffer] heeft verklaard dat zij rond middernacht uit haar werk kwam en onderweg was naar het metrostation Holendrecht, alwaar zij vervolgens de stenen trap op liep. Op de trap zag zij een man bij een pilaar staan, die in zichzelf stond te praten. [slachtoffer] pakte hierop haar telefoon zodat zij direct kon bellen als er wat aan de hand was. Zij liep langs de viskar. Ter hoogte van de viskar hoorde zij een persoon, NN1 aan komen rennen. Op het Meibergpad te Amsterdam Zuidoost, gemeente Amsterdam, heeft NN1 haar van achteren vastgepakt. Hij sloeg zijn rechterarm om haar nek en trok haar met kracht naar achteren. Zij voelde een pijn in haar keel en dacht dat hij haar wilde wurgen. Zij had het gevoel dat zij geen lucht meer kreeg. Zij voelde dat zij op de linkerzijde van haar lichaam viel. Hij pakte haar Iphone uit haar handen. NN2 gaf haar met meer dan geringe kracht een vuistslag in haar zij bij haar rib. Zij had toen een lange tijd het gevoel dat zij geen lucht meer kon halen. NN3 heeft haar vervolgens op haar rechterheup een trap gegeven. Zij voelde toen een pijnscheut door haar heup heen. NN4 en NN5 waren erbij, maar hebben geen geweld gebruikt. Als gevolg van dit delict heeft zij pijn aan haar rechter bovenarm, haar ribben aan de rechterkant en haar heup aan de rechterzijde.

De volgende goederen zijn weggenomen: Iphone, tas, creditcard, rijbewijs, paspoort, museumjaarkaart, schouwburgpas, OLVG-pas, AMC-toegangspas, OV-chipkaart, 30 of 40 euro, zorgverzekeringspas, sleutels, agenda, 2 proefschriften, horloge, USB-stick en sjaal.

De verdachte heeft in de raadkamer van de rechtbank van 7 augustus 2013 en bij de politie op

30 juli 2013 onder meer verklaard dat hij met [medeverdachte 2] (het hof begrijpt telkens: [medeverdachte 2]), [medeverdachte 3] (het hof begrijpt telkens: [medeverdachte 3]) en [medeverdachte 1] (het hof begrijpt telkens: [medeverdachte 1]) was. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] wilden wat doen, hij dacht aan diefstal. Ze gingen bij bosjes staan en [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en hijzelf zaten te denken over het beroven. Toen kwam het latere slachtoffer die een schoudertas droeg. [medeverdachte 3] besprong de vrouw van achteren en trok haar naar beneden. [medeverdachte 1] rende naar het slachtoffer en de verdachte wilde wel helpen om de spullen van de vrouw te pakken. Hij zag later dat [medeverdachte 1] de tas van de vrouw in zijn handen had.

Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft ten overstaan van de rechter-commissaris op 25 juli 2013 onder meer verklaard dat hij in de nacht van 11 juli 2013 met [medeverdachte 1], [verdachte] (het hof begrijpt telkens: de verdachte [verdachte]), [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] (het hof begrijpt telkens: [medeverdachte 4]) was. Zij liepen in Amsterdam Zuidoost. [verdachte] is naar een vrouw toegegaan en hij heeft haar op de grond gegooid. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] zijn ook naar haar toe gegaan en met zijn drieën hebben zij spullen van die vrouw afgepakt. Kort daarna kwamen [medeverdachte 1] en hij de anderen tegen. Zij waren met de tas van die vrouw bezig. [medeverdachte 1] heeft de OV-kaart gepakt en hij de Iphone. De volgende dag heeft hij de Iphone voor 160 euro verkocht. Daarvan heeft hij 30 euro zelf gehouden en 130 euro aan de anderen gegeven.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft in de raadkamer van de rechtbank van 7 augustus 2013 en bij de politie op 24 juli 2013 onder meer verklaard dat [medeverdachte 3] de vrouw bij haar nek pakte en haar naar achteren trok en haar telefoon pakte. [verdachte] heeft de tas van de vrouw gepakt. Later zag hij [verdachte] met een tas. [verdachte] heeft in de tas gekeken en hem de OV-kaart gegeven. Hij heeft de OV-kaart de volgende dag gebruikt. Het geld van [medeverdachte 3] was afkomstig van de verkoop van de telefoon.

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft ten overstaan van de rechter-commissaris op 1 augustus 2013 en bij de politie op 30 juli 2013 onder meer verklaard dat hij op 11 juli 2013 met [medeverdachte 4], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] was. Hij had al gehoord dat ze van plan waren om iemand te beroven. Hij zag opeens dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] naar voren liepen op een blanke vrouw af. Hij zag dat [medeverdachte 1] of [medeverdachte 3] haar naar beneden trok, haar van achter bij haar keel pakte en naar beneden trok. Vervolgens zag hij ze tegen haar aan schoppen. Nadat ze op de grond was getrokken en getrapt zag hij dat één van de twee haar telefoon pakte en de ander haar tas.

Medeverdachte [medeverdachte 4] heeft ten overstaan van de rechter-commissaris op 1 augustus 2013 en bij de politie op 30 juli 2013 onder meer verklaard dat hij op 11 juli 2013 met [medeverdachte 3], [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 1] was. [medeverdachte 3] ging achter die vrouw aan en sprong bovenop haar. [medeverdachte 1] rende daar ook naar toe en hij hielp mee om de tas en de Iphone af te pakken. Ze is ook nog geschopt en geslagen. De anderen renden er ook heen en zij bleven daar 2 tot 5 seconden en renden toen weg.

Naar het oordeel van het hof is tussen de verdachte en zijn mededaders sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking bij het plegen van de onderhavige straatroof.

Hoewel de exacte rolverdeling tussen de verdachte en zijn mededaders niet duidelijk is geworden omdat de door hun afgelegde verklaringen hieromtrent niet steeds gelijkluidend zijn, staat naar het oordeel van het hof wel vast dat de verdachte samen met anderen deze straatroof heeft gepleegd, waarbij hij deel uitmaakte van een groep van vijf personen die rond middernacht op een verlaten metrostation een vrouw heeft beroofd, waarbij door -in elk geval- drie mannen geweld is gebruikt. De verdachte was aanwezig op de plaats delict en hij heeft meegedacht toen er plannen werden gemaakt voor het beroven van een vrouw in de avond op straat. De verdachte had er op zijn minst rekening mee moeten houden dat er hierbij geweld zou kunnen worden toegepast. Voorts heeft de verdachte meegeprofiteerd van de buit. Het hof is van oordeel dat er sprake is geweest van een zekere arbeidsverdeling waarbij niet iedere verdachte alle uitvoeringshandelingen heeft verricht, maar waarbij het hof hen wel allen aansprakelijk houdt voor het geheel. Het hof overweegt dat het -met de raadsman en de advocaat-generaal- aannemelijk acht dat het aandeel van de verdachte in de straatroof betrekkelijk klein is geweest.

Gelet op het hiervoor overwogene verwerpt het hof het door de raadsman gevoerde verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte na bewezenverklaring van het ten laste gelegde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 34 dagen voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van 2 jaren en de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich onmiddellijk onder toezicht en begeleiding van Jeugdbescherming Regio Amsterdam moet stellen. Vervolgens moet de verdachte gedurende de proeftijd onder toezicht en begeleiding van Jeugdbescherming Regio Amsterdam blijven en zich naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen gedragen, zolang deze instelling dat nodig vindt, ook als dat inhoudt het meewerken aan FFT. Voorts heeft de rechtbank de verdachte veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 50 uren, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 25 dagen. Tevens heeft de rechtbank de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade ten bedrage van € 583,45 toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, -hoofdelijk aansprakelijk- en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen en maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte en zijn mededaders hebben zich schuldig gemaakt aan een straatroof van een vrouw die

‘s avonds met het openbaar vervoer van haar werk naar huis wilde gaan. Hierbij is het slachtoffer vastgepakt en naar achteren getrokken, waardoor zij geen lucht meer kreeg en ten val kwam. Vervolgens is het slachtoffer tegen haar lichaam gestompt en getrapt. Uit de slachtofferverklaring blijkt ook dat het slachtoffer nog steeds veel last heeft van het gebeurde. Dergelijke feiten leiden in het algemeen tot veel onrust in de samenleving. Door het plegen daarvan heeft de verdachte blijk gegeven van een gebrek aan respect voor de eigendommen en (lichamelijke) integriteit van anderen.

Het hof heeft kennis genomen van:

  • -

    het rapport van 1 augustus 2013 van de Raad voor de Kinderbescherming, opgemaakt door raadsonderzoeker [naam 1],

  • -

    het rapport van 16 augustus 2013 van de Raad voor de Kinderbescherming, opgemaakt door raadsonderzoeker [naam 1],

  • -

    het rapport van 20 mei 2014 van de Raad voor de Kinderbescherming, opgemaakt door raadsonderzoeker [naam 2], en

  • -

    hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door de vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming en de medewerker van Jeugdbescherming Regio Amsterdam (JBRA) naar voren is gebracht.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 14 oktober 2014 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, rekening houdend met de ernst van het feit, het feit dat de verdachte first offender is, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte -die zijn leven een positieve wending heeft gegeven, zijn schooldiploma heeft gehaald en een vervolgopleiding volgt-, een jeugddetentie van na te melden duur passend en geboden. Daarnaast zal een deel van de jeugddetentie in voorwaardelijke vorm worden opgelegd teneinde de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst op dergelijke wijze te handelen. Aan deze voorwaardelijke jeugddetentie zal de bijzondere voorwaarde van toezicht en begeleiding door JBRA, ook indien dat inhoudt het meewerken aan FFT en/of behandeling bij de Bascule, worden verbonden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 583,45 (€ 83,45 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade). De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De raadsman heeft verzocht, in geval van bewezenverklaring van het de verdachte ten laste gelegde, de vordering ten aanzien van de materiële schade af te wijzen daar de nota met betrekking tot de schade aan de sloten onvoldoende onderbouwd is nu die zich niet in het dossier van de verdediging bevindt althans uit de nota niet blijkt dat het om sloten gaat.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat aan de hand van de zich in het dossier bevindende stukken de vordering ten aanzien van de materiële schade voldoende is onderbouwd.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 34 (vierendertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

De veroordeelde moet zich onmiddellijk onder toezicht en begeleiding van Jeugdbescherming Regio Amsterdam stellen. Vervolgens moet de veroordeelde gedurende de proeftijd onder toezicht en begeleiding van Jeugdbescherming Regio Amsterdam blijven en zich naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen gedragen, zolang deze instelling dat nodig vindt, ook als dat inhoudt het meewerken aan Functional Family Therapy (FFT) en/of behandeling bij de Bascule.

Geeft opdracht aan Jeugdbescherming Regio Amsterdam tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 583,45 (vijfhonderddrieëntachtig euro en vijfenveertig cent) bestaande uit € 83,45 (drieëntachtig euro en vijfenveertig cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 583,45 (vijfhonderddrieëntachtig euro en vijfenveertig cent) bestaande uit € 83,45 (drieëntachtig euro en vijfenveertig cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 11 (elf) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.G.B. Heutink, mr. H.J. Bronkhorst en mr. J.H. Wesselink, in tegenwoordigheid van

mr. D. Zeiss, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

11 november 2014.

Mr. J.H. Wesselink is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.