Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4664

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-11-2014
Datum publicatie
30-01-2015
Zaaknummer
23-000436-14
Formele relaties
Herziening: ECLI:NL:HR:2016:1345, Afwijzing
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 23-000436-14

Datum uitspraak: 10 november 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 27 januari 2014 in de strafzaak onder parketnummer 15-840023-13 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 oktober 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 februari 2013, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag (te weten 89.375 euro), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, heeft het hof deze verbeterd gelezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een iets andere bewezenverklaring komt en een andere bewijsmotivering bezigt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 14 februari 2013, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een geldbedrag te weten 88.500 euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsmotivering

Het hof stelt vast dat het onderzoek in de onderhavige zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd dat het op 14 februari 2013 bij de verdachte aangetroffen geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is.

Het hof is vervolgens van oordeel dat uit de navolgende feiten en omstandigheden voortvloeit dat er jegens de verdachte zonder meer sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan het delict witwassen.

Op 14 februari 2013 wilde de verdachte Nederland uitreizen via de luchthaven Schiphol naar de Dominicaanse Republiek. Tijdens een controle op de uitvoer van liquide middelen is hem aldaar door ambtenaren van de Douane uitgelegd dat er een aangifteplicht rust op een ieder die met 10.000 euro of meer de Europese Unie verlaat. De verdachte heeft daarop geantwoord dat hij ongeveer 600 euro bij zich had. Desgevraagd heeft hij zijn portemonnee getoond, inhoudende een geldbedrag van 875 euro. Vervolgens is de handbagage van de verdachte gecontroleerd, bestaande uit onder meer een aantal tijdschriften. In zes van die tijdschriften zijn geldbedragen van in totaal 88.500 euro aangetroffen, telkens bestaande uit coupures van 500 euro en verstopt tussen twee aan elkaar vastgemaakte pagina’s. In totaal is een bedrag van 89.375 euro in beslag genomen (proces-verbaal van in beslagneming van geld van 14 februari 2013 (AH-002). Het geldbedrag bestond bovendien voornamelijk uit coupures van 500 euro (177 stuks). Naar het oordeel van het hof is het een feit van algemene bekendheid dat deze coupures nagenoeg uitsluitend in het criminele circuit worden gebruikt.

Het hof is van oordeel dat bij het fysiek vervoeren van een contant geldbedrag van die omvang en op die wijze, waarbij de verdachte bovendien - ondanks een verplichting daartoe en tevens op die verplichting gewezen - niet bij de daartoe aangewezen autoriteiten heeft gemeld hoeveel geld hij in totaal vervoerde, het vermoeden is gerechtvaardigd dat sprake is van witwassen.

Het hof betrekt bij dit oordeel het feit dat het zodanig vervoeren van geld een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich brengt. Uit het desgevraagd noemen van een aanzienlijk lager bedrag leidt het hof af dat het kennelijk de bedoeling was van de verdachte om de meldgrens te ontduiken.

Bij het vermoeden van witwassen mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van dit geld die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

De verdachte heeft over die herkomst zeer wisselend verklaard.

Door de verbalisanten van de Douane gevraagd naar de herkomst van dit geldbedrag heeft de verdachte eerst, kort gezegd, verklaard dat hij door een vriend genaamd [persoon] was benaderd met de vraag of hij die tijdschriften met daarin verstopt het geldbedrag naar de Dominicaanse Republiek wilde brengen. De verdachte verklaarde daarbij dat hij daar 1.500 euro voor zou krijgen (AH-001).

Vervolgens heeft de verdachte in een verhoor bij de FIOD verklaard dat hij het aangetroffen geldbedrag vanaf 2010 heeft gespaard en al die tijd in zijn schuur had bewaard, op welke verklaring hij nog tijdens dit verhoor is teruggekomen en wederom heeft verklaard dat een man genaamd [persoon] (fon.) aan hem heeft gevraagd de tijdschriften met daarin verstopt dit geldbedrag mee te nemen naar de Dominicaanse Republiek (verhoor 14 februari 2013, V1-01).

De volgende dag is de verdachte desgevraagd bij de verklaring dat hij als geldkoerier heeft gefungeerd, gebleven (verhoor 15 februari 2013, V1-02).

Ter terechtzitting in eerste aanleg van 13 januari 2014 heeft de verdachte echter weer verklaard dat hij dit geldbedrag zelf heeft gespaard. De ouders van de verdachte zouden vanaf zijn geboorte zo’n 10.000 euro voor hem hebben gespaard en het overige deel zou afkomstig zijn van inkomsten uit dansen/werk in zowel binnen- als buitenland. De verdachte zou dit vermeende spaargeld uit veiligheidsoverwegingen in zijn schuur hebben verstopt.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 27 oktober 2014 heeft de verdachte die verklaring gehandhaafd. Ter onderbouwing van het standpunt dat de verdachte het bij hem aangetroffen geldbedrag zelf zou hebben gespaard, heeft de verdediging bij brief van 15 oktober 2014 een groot aantal bankafschriften en een opnameoverzicht over de jaren 2010 en 2011 aan het hof toegezonden. Het hof hecht aan dit opnameoverzicht echter geen waarde, nu niet duidelijk is wie dit overzicht heeft opgesteld, laat staan op welke wijze dit precies tot stand is gekomen. Ten aanzien van de toegezonden bankafschriften overweegt het hof dat daaruit weliswaar blijkt dat zo nu en dan geldbedragen zijn opgenomen van een zakelijke rekening ten name van [naam rekening], maar dat die opnames niet dermate groot zijn dat daarmee een bedrag van bijna 90.000 euro kan zijn opgespaard. Het hof acht de verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 27 oktober 2014 dan ook niet geloofwaardig en gaat daaraan voorbij.

De inmiddels ex-partner van de verdachte heeft op 14 februari 2013 tegenover de FIOD verklaard dat zij ongeveer 5 jaar met de verdachte samenwoont, pas sinds een week op de hoogte was van zijn voorgenomen reis naar de Dominicaanse Republiek, de financiële situatie van de verdachte niet florissant is en hij schulden heeft en dat zij zich verbaast over de hoeveelheid geld die de verdachte bij zich had op Schiphol en de verdachte niet beschikte over spaartegoeden of sommen contant geld. ( AH -014)

Gelet op het bovenstaande, in onderling verband bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd over de herkomst van het onder hem in beslag genomen geldbedrag. Het hof beperkt zich overigens tot het geldbedrag van 88.500 euro dat in totaal is aangetroffen in de tijdschriften die de verdachte in zijn bagage meevoerde.

Al het voorgaande in overweging nemend, is het hof dan ook van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het onder de verdachte aangetroffen geldbedrag van 88.500 euro – middellijk of onmiddellijk – van misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dit wist.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het hem ten laste gelegde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van

2 jaren en een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder in beschouwing genomen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen door op de luchthaven Schiphol een aanzienlijk van misdrijf afkomstig geldbedrag te vervoeren in zijn handbagage. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten maakt onderdeel uit van het zwartgeldcircuit en heeft een ontwrichtende werking op de samenleving.

Het hof acht, alles afwegende, oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke werkstraf passend en geboden.

Overweging ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de verdachte afstand heeft gedaan van het onder hem in beslag genomen geldbedrag.

De verdediging heeft verzocht om teruggave van dit geldbedrag aan de verdachte, ondanks het feit dat hij daarvan afstand heeft gedaan.

Het hof overweegt als volgt.

Nu de verdachte schriftelijk afstand heeft gedaan van het in beslag genomen geldbedrag van in totaal 89.375 euro (AH-002b), is het hof, gezien het bepaalde in artikel 116, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet gehouden om daarover een beslissing te nemen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.W.H.G. Loyson, mr. A.P.M. van Rijn en mr. R.A.F. Gerding, in tegenwoordigheid van mr. M. Goedhart, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 november 2014.

Mr. R.A.F. Gerding is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...]

[...][...][...]

[...]

[...][...]

[...][...][...][...]

[...]