Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4659

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-11-2014
Datum publicatie
11-11-2014
Zaaknummer
200.152.324/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ontruiming; kort geding; verwerping beroep tegen ontruimingsvonnis; gebrek aan belang; tijdelijke opvang Appellanten als vreemdelingen zonder verblijfsvergunning door gemeente bij wijze van pilot in door Rijk ter beschikking gesteld pand (voormalig huis van bewaring) aan Havenstraat; gebruiksovereenkomst voor beperkte tijd tussen gemeente en Rijk en tussen gemeente en appellanten afzonderlijk; Havenstraat is na de ontruiming weer overgedragen aan het Rijk en Appellanten hebben geen alternatieve opvang gevorderd, zodat vernietiging van het vonnis niet kan leiden tot de door Appellanten gewenste vervolgopvang; oordeel van de Centrale Raad omtrent de vraag of de Gemeente met het aangaan van de pilot een besluit tot opvang in bestuursrechtelijk zin heeft genomen, levert evenmin een voldoende procesrechtelijk belang op, aangezien zo’n oordeel niet in voldoende verband staat met de in deze procedure in geschil zijnde ontruiming; dit geldt ook voor de stelling van Appellanten dat zij bij vernietiging van het vonnis vanuit een betere onderhandelingspositie met de Gemeente om de tafel kunnen gaan zitten, nu gemeente desgevraagd heeft verklaard dat een dergelijk voorlopig oordeel van het hof niet tot gevolg heeft dat er opvang zal worden geregeld maar juist eerder een tegengesteld effect zal hebben.

Zie ook: ECLI:NL:GHAMS:2014:3541

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.152.324/01 SKG

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/566139/KG ZA 14-693

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 november 2014

inzake

[Appellanten]zoals genoemd in de inleidende dagvaarding van 5 juni 2014)

allen wonend, althans verblijvend te Amsterdam,

appellanten in principaal appel, (tevens eisers in het incident)

geïntimeerden in incidenteel appel,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE AMSTERDAM,

zetelend te Amsterdam,

geïntimeerde in principaal appel, (tevens verweerster in het incident)

appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. J. Bouter te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna (wederom) [Appellanten] en de Gemeente genoemd.

Het hof heeft in deze zaak op 26 augustus 2014 arrest gewezen in het door [Appellanten] opgeworpen incident en hun vordering tot schorsing van tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis (hierna: het vonnis) afgewezen. Voor de loop van het geding tot dan verwijst het hof naar voornoemd arrest.

Nadien hebben partijen de volgende stukken ingediend:

- memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties, van de zijde van [Appellanten]

Partijen hebben de zaak ter zitting van 9 oktober 2014 doen bepleiten, [Appellanten] door mr. W.G. Fischer en mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, advocaten te Haarlem, en de Gemeente door mr. A.L. Bervoets en mr. B. Fluit, advocaten te Amsterdam. Bij die gelegenheid hebben [Appellanten] een akte producties (nrs. 18 tot en met 30) alsmede een productie 31 in het geding gebracht en de Gemeente een tweetal uitspraken.

[Appellanten] hebben in principaal appel geconcludeerd dat het hof het vonnis zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, de vordering van de Gemeente alsnog zal afwijzen, evenals haar vordering in incidenteel appel, met beslissing over de proceskosten.

De Gemeente heeft geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis zal bekrachtigen, zulks onder verbetering van gronden als door haar in incidenteel appel gevorderd, met beslissing over de proceskosten. [Appellanten] hebben geconcludeerd tot verwerping van het incidenteel appel, met beslissing over de proceskosten.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2. Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het aan het vonnis voorafgaande tussenvonnis van 20 juni 2014 onder 2.1 tot en met 2.4 de feiten opgesomd die zij bij de beoordeling van deze zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt, waar nodig aangevuld met andere feiten die volgen uit niet (voldoende) weersproken stellingen van partijen.

3 Beoordeling

3.1

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1.1

[Appellanten] zijn vreemdelingen zonder verblijfsvergunning, zogenoemde ongedocumenteerden. Het merendeel van hen maakte deel uit van de zogenaamde ‘groep van 159’, welke groep vanaf het najaar van 2012 op verschillende vluchtlocaties in Amsterdam heeft verbleven.

3.1.2

In november 2013 heeft de burgemeester van de gemeente Amsterdam bij wijze van pilot het initiatief genomen om voornoemde groep vreemdelingen een periode van een half jaar onderdak, leefgeld en begeleiding te bieden om in relatieve rust aan een oplossing voor iedere individuele situatie te werken.

3.1.3

Ter uitvoering van de pilot heeft het Rijk een gedeelte van het pand, een voormalig huis van bewaring, gelegen aan de Havenstraat 6 te Amsterdam (hierna: de Havenstraat) voor de periode van 1 december 2013 tot en met 30 juni 2014 in gebruik gegeven aan de Gemeente. In de tussen de Gemeente en het Rijk gesloten gebruiksovereenkomst is onder meer bepaald dat de Gemeente aan het Rijk een boete is verschuldigd van € 5.000,-- voor iedere dag dat de Gemeente nalaat om de Havenstraat na 30 juni 2013 ontruimd op te leveren.

3.1.4

De Gemeente heeft met [Appellanten] - ieder afzonderlijk - een gebruiksovereenkomst ten aanzien van de Havenstraat gesloten voor de periode van 1 december 2013 tot en met 31 mei 2014. In die gebruiksovereenkomsten is onder meer opgenomen dat [Appellanten] de Havenstraat uiterlijk op 31 mei 2014 vrijwillig zullen verlaten.

3.1.5

Omdat [Appellanten] op 31 mei 2014 niet waren overgegaan tot ontruiming van de Havenstraat, heeft de Gemeente bij dagvaarding van 5 juni 2014 gevorderd - in conventie - dat, kort gezegd, [Appellanten] de Havenstraat zullen ontruimen. [Appellanten] hebben daartegen verweer gevoerd en hebben in reconventie gevorderd dat, kort gezegd, de voorzieningenrechter de in 3.1.4 genoemde gebruiksovereenkomsten zal vernietigen.

3.1.6

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis - uitvoerbaar bij voorraad - [Appellanten] in conventie veroordeeld tot ontruiming van de Havenstraat binnen vier dagen na betekening van het vonnis, met nevenvoorzieningen. De voorzieningenrechter heeft de in reconventie gevraagde voorziening tot vernietiging van de tussen [Appellanten] en de Gemeente gesloten gebruiksovereenkomsten geweigerd. Door de voorzieningenrechter is geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

3.1.7

De Gemeente heeft het bestreden vonnis op 4 juli 2014 aan [Appellanten] betekend en hen gemaand de Havenstraat uiterlijk op 9 juli 2014 te verlaten.

3.1.8

[Appellanten] hebben de Havenstraat op 9 juli 2014 verlaten. De Gemeente heeft de Havenstraat vervolgens weer overgedragen aan het Rijk.

Principaal appel

3.2

[Appellanten] hebben tegen het vonnis drie grieven opgeworpen. Zij betogen daarin achtereenvolgens dat de voorzieningenrechter ten onrechte:

- bij [Appellanten] de plicht heeft neergelegd om aan te tonen dat zij allen kwetsbaar zijn in de zin van artikel 8 EVRM en daarom aan hen alternatieve opvang moet worden geboden;

- heeft overwogen dat zij op grond van de beschikbare informatie niet ten aanzien van elk van hen kan oordelen dat een beroep op maatschappelijke opvang in de zin van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (hierna: Wmo) thans een goede kans van slagen heeft, omdat daarvoor de informatie te summier is en de aard van een kort geding procedure zich niet leent voor het benodigde onderzoek;

- de vordering tot ontruiming heeft toegewezen.

3.2.1

Daartoe hebben [Appellanten] - hoofdzakelijk bij pleidooi - aangevoerd dat de ontruiming onrechtmatig is als de Gemeente gehouden was alternatieve opvang te bieden. Op 29 november 2013 heeft de Gemeente in het kader van de pilot opvang geboden, hetgeen volgens [Appellanten] een toekennend besluit is in bestuursrechtelijke zin. Aan deze aangegane verplichting tot opvang is nog altijd geen einde gekomen, omdat nog een besluit tot beëindiging van de opvang als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht genomen zal moeten worden. Die opvang hoeft vanzelfsprekend niet in de Havenstraat te worden geboden, zolang die maar adequaat is, aldus [Appellanten] Na de ontruiming hebben [Appellanten] vervolgopvang gevraagd, die in alle gevallen is geweigerd en waartegen bezwaar of beroep loopt. In een van deze zaken zal de Centrale Raad van Beroep( hierna: de Centrale Raad) op 5 november 2014 in de hoofdzaak uitspraak doen en beoordelen of de Gemeente met het aangaan van de pilot een besluit tot opvang in bestuursrechtelijke zin heeft genomen.

[Appellanten] betogen belang te hebben bij vernietiging van het vonnis omdat zij menen dat zij dan vanuit een betere onderhandelingspositie weer met de Gemeente om de tafel kunnen gaan zitten.

3.3

De vraag die in dit hoger beroep ter beantwoording voorligt is of [Appellanten] voldoende belang hebben bij vernietiging van het vonnis.

Het hof stelt voorop dat de Havenstraat na de ontruiming weer is overgedragen aan het Rijk en [Appellanten] in deze kort geding procedure geen alternatieve opvang hebben gevorderd. Dit betekent dat een vernietiging van het vonnis, bij gebreke van een daartoe strekkende vordering, niet kan leiden tot de door [Appellanten] gewenste vervolgopvang, nog daargelaten dat met betrekking tot opvang de daarvoor geëigende bestuursrechtelijke procedures worden of zijn doorlopen.

Evenmin levert een oordeel van de Centrale Raad omtrent de vraag of de Gemeente met het aangaan van de pilot een besluit tot opvang in bestuursrechtelijk zin heeft genomen, voor [Appellanten] een voldoende procesrechtelijk belang op, nu zo’n oordeel niet in voldoende verband staat met de in deze procedure in geschil zijnde ontruiming van de Havenstraat. Het hof zal om deze reden ook het verzoek van [Appellanten] om de beslissing in deze zaak aan te houden totdat de Centrale Raad heeft beslist (en partijen zich daaromtrent hebben kunnen uitlaten) niet honoreren. Ditzelfde geldt voor het verzoek om een - voor deze zaak mogelijk relevante - op handen zijnde uitspraak van het ECSR af te wachten. Het hof gaat ervan uit dat indien deze uitspra(a)k(en) daartoe aanleiding geeft/geven [Appellanten] hun zaak alsnog aan de daartoe meest geëigende rechter zullen kunnen voorleggen.

Tenslotte: ook de stelling van [Appellanten] dat zij bij vernietiging van het vonnis vanuit een betere onderhandelingspositie met de Gemeente om de tafel kunnen gaan zitten, acht het hof van onvoldoende gewicht om een procesbelang te kunnen aannemen. Ter zitting heeft de Gemeente desgevraagd verklaard dat een dergelijk voorlopig oordeel van het hof niet tot gevolg heeft dat er opvang zal worden geregeld maar juist eerder een tegengesteld effect zal hebben.

3.3.1

Bij deze stand van zaken hebben [Appellanten] onvoldoende belang bij vernietiging van het vonnis. Het principaal appel van [Appellanten] zal worden verworpen. [Appellanten] zullen worden veroordeeld in de kosten van het principaal appel, waaronder de kosten van het incident.

Incidenteel appel

3.4

De grieven in het incidenteel appel hebben betrekking op de uitleg die de voorzieningenrechter onder 2.4 van het vonnis heeft gegeven aan de uitspraak van de Centrale Raad van 4 juni 2014. Nu de Gemeente met haar incidentele grieven slechts een andersluidende rechtsoverweging nastreeft zonder vernietiging van het vonnis te wensen en - zoals uit het voorgaande blijkt - het tegen dat vonnis gerichte principaal appel van [Appellanten] wordt verworpen, heeft de Gemeente geen belang bij behandeling van haar incidentele grieven. Een proceskostenveroordeling in het incidenteel appel zal derhalve achterwege blijven.

4 Beslissing

Het hof:

verwerpt het hoger beroep;

veroordeelt [Appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, waaronder die van het incident, tot op heden aan de zijde van de Gemeente in principaal appel begroot op € 704,-- aan verschotten en € 2.682,-- voor salaris;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.C. Meijer, E.M. Polak en G.J. Visser en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 4 november 2014.