Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4650

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-11-2014
Datum publicatie
16-01-2015
Zaaknummer
23-001856-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001856-13

datum uitspraak: 6 november 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 8 april 2013 in de strafzaak onder parketnummer 15-801591-12 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

adres: [adres].

Omvang van het appel

Nu blijkens de appelakte het hoger beroep onbeperkt is ingesteld – overigens in strijd met de uitdrukkelijke schriftelijke opdracht van de raadsman aan de griffier die geen hoger beroep tegen de vrijspraak heeft willen instellen – en dus mede betrekking heeft op de vrijspraak voor feit 2 op de tenlastelegging zal de verdachte in zijn appel in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 oktober 2014, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit bevestigen met dien verstande dat het hof het vonnis aanvult met de hiernavolgende bespreking en onder verwerping van de ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren.

Gevoerde verweren

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit op gronden als hieronder aangegeven. Het hof verwerpt de verweren van de raadsman en overweegt daartoe als volgt.

ten aanzien van feit 1:

De raadsman heeft naar voren gebracht dat de verdachte heeft voldaan aan het vereiste dat zij een concrete en in beginsel verifieerbare verklaring heeft gegeven voor de herkomst en de bestemming van het bij haar aangetroffen geld door concreet en gedetailleerd te verklaren over haar spel in een loterij en door de naam van haar toekomstige huwelijkspartner te noemen.

Het hof is van oordeel dat op basis van de door de rechtbank in het vonnis opgesomde feiten en omstandigheden het vermoeden dat de verdachte zich aan witwassen schuldig maakte gerechtvaardigd was. De verdachte heeft daar tegenover naar voren gebracht dat zij het geld had gewonnen in een loterij en dat zij met haar reisgenoten op weg was naar Brazilië vanwege haar aanstaande huwelijk om het geld daar te besteden. Ondanks dat verdachte daartoe herhaaldelijk in de gelegenheid is gesteld, heeft zij haar verklaring over de herkomst van het geld en de reisbestemming niet nader kunnen of willen concretiseren, geen verklaring gegeven voor gesignaleerde ongerijmdheden en geen gegevens verschaft – ook al heeft ze ter terechtzitting van het hof veel verklaard - waarmee haar stellingen in beginsel geverifieerd zouden kunnen worden.


De raadsman heeft voorts betoogd dat in de tenlastelegging betrokkenheid van de verdachte bij een gronddelict ontbreekt, terwijl van verheimelijkende gedragingen geen sprake is.

Het hof overweegt dat voor het bewijs van de tenlastegelegde variant van witwassen niet vereist is dat komt vast te staan uit welk misdrijf de gelden voortkomen; nu zoals hierboven is overwogen dat de verdachte geen concreet en in beginsel verifieerbare verklaring heeft gegeven voor de herkomst en de bestemming van het bij haar aangetroffen geld is de criminele herkomst van dat geld voldoende aannemelijk. Voorts is niet ten laste gelegd enig door de verdachte gepleegd misdrijf, zodat geen verhullende gedraging bewezen hoeft te worden. De rechtbank heeft in haar vonnis dan ook het juiste criterium gehanteerd.

ten aanzien van feit 3

De raadsman heeft ten aanzien van feit 3 een strafmaatverweer gevoerd. De verdachte heeft verklaard dat de munitie al zeker vijftien jaar oud is en een religieus doel diende. Het hof overweegt dat bij de verdachte in huis munitie is aangetroffen, hetgeen verboden is uit hoofde van de Wet wapens en munitie. Gelet op de ernst van het op grond van feit 1 gepleegde heeft het derde feit geen effect op de strafmaat.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. H.W.J. de Groot en mr. M. Iedema, in tegenwoordigheid van

mr. M. Venderbosch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

6 november 2014.

Mr. M. Venderbosch is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.