Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:465

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
20-03-2014
Zaaknummer
200.128.668/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:2065, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling kinderalimentatie. Behoefte. Draagkracht.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 392 en 404, geldigheid: 2014-03-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 18 februari 2014

Zaaknummer: 200.128.668/01

Zaaknummer eerste aanleg: 131412 / FA RK 11-782

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellant,

advocaat: mr. E.M. Hoorenman te Zwaag,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. E.M. Diesfeldt te Alkmaar.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 11 juni 2013 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 20 maart 2013 van de rechtbank Noord-Holland, met kenmerk 131412 / FA RK 11-782.

1.3.

De vrouw heeft op 9 augustus 2013 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De man heeft op 10 oktober 2013 een nader stuk ingediend.

1.5.

De vrouw heeft op 22 oktober 2013 nadere stukken ingediend.

1.6.

De zaak is op 28 oktober 2013 ter terechtzitting behandeld.

1.7.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een relatie gehad, die op 1 oktober 2010 is geëindigd. Uit hun relatie is geboren […] (hierna: [de minderjarige]) [in] 2003. De man heeft [de minderjarige] erkend. Partijen oefenen blijkens de aantekening van 3 september 2007 in het gezagsregister het gezag over [de minderjarige] gezamenlijk uit.

In januari/februari 2012 hebben partijen in het kader van mediation een ouderschapsplan vastgesteld. In artikel 1.1 is bepaald dat partijen het ouderlijk gezag over [de minderjarige] na het verbreken van de relatie gezamenlijk blijven uitoefenen, in artikel 2 is bepaald dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw in [plaatsnaam] heeft, in artikel 3.1 hebben partijen een zorg/contactregeling vastgesteld en in artikel 6 is opgenomen dat partijen een beslissing van de rechtbank wensen over de kinderalimentatie.

Nadien is opnieuw geschil ontstaan over de uitvoering van de zorgregeling (in verband met de schoolkeuze voor [de minderjarige]).

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.2.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1983. Hij is alleenstaand.

Hij is werkzaam in loondienst. Blijkens de jaaropgave over 2012 bedroeg zijn fiscaal loon in dat jaar € 30.319,-.

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door hem bewoonde woning betaalt hij € 776,- per maand aan rente en € 125,- per maand aan aflossing. Aan premie voor de levensverzekering die verband houdt met de hypothecaire lening, betaalt hij € 26,- per maand. Hij heeft de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten. De WOZ-waarde is vastgesteld op € 170.000,-.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 135,- per maand. Hij ontving in 2012 en in 2013 een zorgtoeslag van respectievelijk € 20,- en € 13,- per maand.

Hij heeft kosten in verband met de omgang met [de minderjarige] van € 38,- per maand.

2.3.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1980. Zij vormt sinds juli 2012 met haar partner en [de minderjarige] een gezin.

Haar partner voorziet in eigen levensonderhoud.

Zij is werkzaam in loondienst. Blijkens de jaaropgaven bedroeg haar fiscaal loon in 2010 € 25.338,- en in 2011 € 24.837,-. Met ingang van 2012 is de vrouw minder uren gaan werken. Haar fiscaal loon in dat jaar bedroeg blijkens de betreffende jaaropgave € 20.841,-.

Zij draagt een bedrag van € 275,- per maand bij aan de woonlasten van de woning die zij met haar nieuwe partner bewoont.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalde zij in 2012 € 109,- per maand, met een eigen risico van € 220,- per jaar. In 2013 betaalde zij aan premie voor een zorgverzekering € 89,- per maand, met een eigen risico van € 850,- per jaar. Zij ontving een zorgtoeslag in 2012 van € 52,- per maand.

Zij ontving in 2012 een kindgebonden budget van € 1.017,- op jaarbasis.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, op verzoek van de vrouw bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige], telkens bij vooruitbetaling, zal betalen € 225,- per maand, een en ander met ingang van 1 september 2012.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, een door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te bepalen van € 109,69 per maand, althans op een in goede justitie te bepalen bedrag.

3.3.

De vrouw verzoekt het hoger beroep van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende. Partijen hebben in het hiervoor genoemde ouderschapsplan/vaststellingsovereenkomst gedeeltelijk overeenstemming bereikt over de zorgregeling. De man heeft de resterende geschilpunten over de schoolkeuze en de uitvoering van de zorgregeling aan de rechtbank voorgelegd. De vrouw heeft het geschilpunt over de kinderalimentatie bij (zelfstandig) tegenverzoek aan de rechtbank voorgelegd. Bij tussenbeschikking van 11 juli 2012 heeft de rechtbank bepaald dat [de minderjarige] met ingang van het schooljaar 2012-2013 naar de basisschool [a] te [plaatsnaam] zal gaan en in de eindbeschikking heeft de rechtbank de zorgregeling aangepast. Deze geschilpunten zijn in hoger beroep niet langer aan de orde. Het gaat nu nog over de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige]. Als ingangsdatum voor deze beoordeling hanteert het hof 1 september 2012, nu hierover tussen partijen geen geschil bestaat.

4.2.

De man grieft tegen de beslissing van de rechtbank dat uitgegaan wordt van het (lagere) inkomen van de vrouw met ingang van 2012 (nadat ze minder uren was gaan werken) op de grond dat het inkomensverlies onder de omstandigheden van dit geval niet verwijtbaar is. Daarnaast komt de man op tegen de berekening van de kinderalimentatie door de rechtbank. Voor zover de man betoogt dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden dan wel ten onrechte feiten heeft aangevuld, behoeven de grieven bij gebrek aan belang geen verdere bespreking. Het hoger beroep dient er immers mede toe om eventuele fouten en omissies in eerste aanleg te herstellen.

4.3.

In de bestreden beschikking is opgenomen dat partijen het er over eens zijn dat de behoefte van [de minderjarige] op € 575,- per maand kan worden vastgesteld. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw gesteld dat de behoefte van [de minderjarige] € 580,- per maand bedraagt. De man heeft dit niet bestreden. Hij is in zijn in hoger beroep overgelegde behoefte berekening eveneens uitgegaan van een behoefte van € 580,-. Het hof zal hierbij aansluiten.

4.4.

Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van partijen uitgaan van de feiten en omstandigheden zoals hiervoor onder 2.2 en 2.3 weergegeven, behoudens voor zover in het navolgende hiervan zal worden afgeweken.

4.5.

De man stelt dat het inkomensverlies van de vrouw als gevolg van de vermindering van het aantal gewerkte uren met ingang van 2012 buiten beschouwing dient te worden gelaten en dat de vrouw zich uit een oogpunt van haar onderhoudsplicht voor [de minderjarige] van deze urenvermindering had behoren te onthouden, kort gezegd dat de urenvermindering verwijtbaar is. De problemen met de buitenschoolse opvang (BSO) voor [de minderjarige] in verband met de onregelmatige diensten van de man vormde een onvoldoende zwaarwegende reden om minder te gaan werken. De flexibiliteit van de buitenschoolse opvang was in 2011 formeel nog niet geregeld, maar die flexibiliteit was er wel. Afbellen en het regelen van een andere dag is niet een probleem geweest. De man is niet de enige werknemer die in onregelmatige diensten werkt. Voorts maakt [de minderjarige] thans geen gebruik meer van de buitenschoolse opvang. Dat de vrouw minder is gaan werken, berust op haar eigen keuze en kan niet aan de man worden tegengeworpen, aldus de man.

4.6.

De vrouw heeft de stellingen van de man betwist. Zij voert aan dat [de minderjarige] in 2011 gebruik maakte van de BSO bij de Stichting Kinderopvang Alkmaar (SKOA). Pas vanaf maart 2013 is bij de SKOA Kinderopvang op Maat ingevoerd, waarbij één maand van te voren dient te worden doorgegeven welke dagen worden afgenomen voor de komende maand. De man geeft wekelijks zijn wisselende vrije dagen in de desbetreffende week op maandagmiddag of -avond door. Zij moest voor drie dagen kinderopvang afnemen, omdat er niet geruild kon worden met dagdelen. Zij is vanaf 2012 minder uren gaan werken, zodat zij na school zelf [de minderjarige] kon opvangen. Het hierdoor opgetreden inkomensverlies valt weg tegen de kosten van de BSO, aldus de vrouw.

4.7.

Het hof overweegt als volgt. De in 2011 tussen partijen geldende zorgregeling hield – in grote lijnen – in dat [de minderjarige] één vaste dag per week bij de man verbleef alsmede doordeweeks nog een dag, die partijen in onderling overleg dienden af te spreken. Ter zitting in hoger beroep heeft de man erkend dat hij pas op maandag kan doorgeven op welke doordeweekse dag in die week hij nog omgang met [de minderjarige] kan hebben. De vrouw heeft voldoende aangetoond dat bij de BSO niet geruild kon worden met dagdelen, zodat zij genoodzaakt was om drie dagen per week opvang te betalen en feitelijk twee dagen per week af te nemen. Aangezien de vrouw hoofdverzorger is, ligt de wijze van invulling van de dagelijkse zorg van [de minderjarige] in overwegende mate bij haar. De vrouw maakte door deze wisselende omgangsdag kosten, die ze bij een vaste omgangsdag niet zou maken of zou kunnen vermijden. Onder deze omstandigheden heeft de vrouw de afweging mogen maken om minder te gaan werken om [de minderjarige] zelf op te vangen. Niet gezegd kan worden dat de vrouw zich tegenover de onderhoudsgerechtigde ([de minderjarige]) van deze gedraging had behoren te onthouden. Voorts heeft de vrouw voldoende onderbouwd dat de urenvermindering niet meer ongedaan kan worden gemaakt en dat het inkomensverlies niet voor herstel vatbaar is. Het hof zal derhalve bij het bepalen van de draagkracht van de vrouw uitgaan van haar fiscaal loon over 2012 zoals dit is vermeld in de jaaropgave over 2012.

4.8.

Voorts zal het hof aan de zijde van de vrouw rekening houden met de in 2012 voor haar van toepassing zijnde algemene heffingskorting, arbeidskorting, alleenstaande-ouderkorting en combinatiekorting. Tevens zal het hof in aanmerking nemen de in 2012 door haar ontvangen zorgtoeslag en kindgebonden budget.

4.9.

Nu de vrouw is gaan samenwonen, zal het hof met ingang van 1 januari 2013 aan de zijde van de vrouw geen rekening houden met zorgtoeslag, kindgebonden budget en alleenstaande-ouderkorting. Het hof volgt niet de stelling van de man dat de financiële gevolgen van de keuze te gaan samenwonen voor rekening van de vrouw dienen te komen en niet behoren te worden afgewenteld op de man, nu uitgegaan dient te worden van de feitelijke situatie. Anders dan de man meent, heeft de vrouw voldoende aannemelijk gemaakt dat zij vanaf 1 januari 2013 geen alleenstaande-ouderkorting meer ontvangt.

Per 1 januari 2013 zal het hof aan de zijde van de man uitgaan van het fiscaal loon zoals dit is vermeld op zijn jaaropgave over 2012, met dien verstande dat het fiscaal loon wordt verminderd met de ingehouden bijdrage Zorgverzekeringswet van € 2.010,-, nu per 1 januari 2013 deze inhouding is vervallen. Per 1 januari 2013 zal het hof aan de zijde van de vrouw uitgaan van het fiscaal loon zoals dit is vermeld op haar jaaropgave over 2012, met dien verstande dat het fiscaal loon wordt verminderd met de ingehouden bijdrage Zorgverzekeringswet van € 1.382,-, nu per 1 januari 2013 deze inhouding is vervallen.

4.10.

Het hof zal de kosten van [de minderjarige] naar rato van de draagkracht van partijen verdelen. Bij de vaststelling van ieders bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] zal het hof hun draagkracht vaststellen volgens de richtlijnen van vóór 1 april 2013, nu de ingangsdatum van de te betalen bijdrage ligt op 1 september 2012. De per 1 april 2013 in werking getreden nieuwe richtlijnen voor de berekening van kinderalimentatie zijn op zichzelf niet een wijziging van omstandigheden die aanleiding is om tot een nieuwe vaststelling van de kinderalimentatie (met toepassing van die nieuwe richtlijnen) over te gaan. Het hof zal partijen bij de draagkrachtvergelijking als alleenstaande beschouwen en uitgaan van een draagkrachtpercentage van 70.

4.11.

Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] van € 155,- per maand met ingang van 1 september 2012 tot 1 januari 2013 en € 185,- per maand met ingang van 1 januari 2013 in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

4.12.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met ingang van 1 september 2012 tot 1 januari 2013 op € 155,- (HONDERD VIJFENVIJFTIG EURO) per maand en met ingang van 1 januari 2013 op € 185,- (HONDERD VIJFENTACHTIG EURO) per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. van Haeringen, W.J. van den Bergh en A.R. Sturhoofd in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. van Boheemen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2014.