Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4638

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-05-2014
Datum publicatie
05-12-2014
Zaaknummer
23-003857-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nadere bewijsoverweging over zakkenrollerij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-003857-13

datum uitspraak: 21 mei 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 13 augustus 2013 in de strafzaak onder parketnummer 13-702626-13 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

volgens eigen opgave wonende op het adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 mei 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

zij op of omstreeks 31 juli 2013 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof vanwege een andere onderbouwing van de bewezenverklaring zich daarmee niet verenigt.

Bewijsoverweging

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 31 juli 2013 van verbalisant [verbalisant] blijkt dat verbalisant zag dat de verdachte en haar medeverdachten zakkenrollersgedrag vertoonden. Verbalisant zag dat de verdachte en de medeverdachten de groep van het latere slachtoffer [slachtoffer] bekeken en daarbij met elkaar spraken. Vervolgens gingen de verdachte en de medeverdachten kort naast en achter [slachtoffer] op de tramhalte staan. Toen de medeverdachte [medeverdachte 2] bij de ingang van de tram dicht achter [slachtoffer] ging staan, gingen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] nog dichter op de groep van [slachtoffer] staan. De medeverdachte [medeverdachte 2] pakte daarop de portemonnee uit de broekzak van het slachtoffer [slachtoffer] en liep met de portemonnee in zijn hand weg in de richting van de achterzijde van de tram, terwijl de verdachte en de andere medeverdachten bleven staan en de groep van [slachtoffer] bleven bekijken. Vervolgens zag verbalisant dat de verdachte en haar medeverdachten zich bij [medeverdachte 2], die op dat moment achter de tram stond, voegden en dat zij met elkaar spraken.

Verbalisant zag dat [medeverdachte 2] pas op dat moment de gerolde portemonnee in de linker voorzak van zijn broek stopte. Na zijn aanhouding heeft [medeverdachte 2] bij de politie bekend dat hij de portemonnee van [slachtoffer] had gestolen. Hij heeft voorts verklaard dat zij met zijn vieren waren, dat ze geld wilden hebben, dat ze geen geld meer hadden en dat de anderen ook waren opgepakt.

Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, is het hof van oordeel dat op grond van het voorgaande voldoende is komen vast te staan dat de verdachte opzettelijk, in nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten, uitvoeringshandelingen heeft gepleegd, gericht op het stelen van de portemonnee. Het hof merkt als zodanig aan het steeds dichter op [slachtoffer] gaan staan, kennelijk met het doel het zicht op het wegnemen van de portemonnee door [medeverdachte 2] te belemmeren. Aan dit oordeel draagt bij de omstandigheid dat de verdachte en alle drie medeverdachten, hoewel ze dicht opeen stonden bij de ingang van de tram en met de groep van [slachtoffer] meebewogen , uiteindelijk niet zijn ingestapt, maar na het ontvreemden van de portemonnee buiten de tram zijn gebleven. Vervolgens is de verdachte achter de medeverdachte [medeverdachte 2], die op dat moment de portemonnee van [slachtoffer] in zijn hand had, aangelopen naar de achterzijde van de tram. Voor deze handelwijze heeft de verdachte geen geloofwaardige verklaring gegeven. Uit een en ander leidt het hof af dat zij en haar mededaders uit waren op het gezamenlijk wegnemen van de portemonnee van [slachtoffer].

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 31 juli 2013 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk

van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee, toebehorende aan

[slachtoffer].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken, met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met aftrek van voorarrest

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan zakkenrollerij, waarbij het slachtoffer door de verdachte en haar mededaders op een tramhalte op professionele wijze van zijn portemonnee is beroofd. Hiermee hebben de verdachte en haar mededaders inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van het slachtoffer [slachtoffer]. Zakkenrollerij is een zeer ergerlijk feit, dat voor de betrokken persoon hinder en schade oplevert. Voorts worden daarmee in de samenleving reeds bestaande gevoelens van onveiligheid versterkt.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 24 april 2014 is de verdachte niet eerder in Nederland strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E.M. Röttgering, mr. P.F.E. Geerlings en mr. F.L. Muskens, in tegenwoordigheid van

mr. P.M. Huizenga, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

21 mei 2014.

Mr. Muskens is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.