Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4636

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-11-2014
Datum publicatie
10-11-2014
Zaaknummer
200.156.944/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging tussentijdse beëindiging. Het valt aan betrokkene te verwijten dat hij weer alcohol is gaan drinken en daardoor niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Nu wel hulp gezocht, maar de situatie is nog zo instabiel dat er onvoldoende vertrouwen bestaat dat betrokkene in de nabije toekomst aan zijn verplichtingen uit de schuldsanering zal kunnen voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.156.944/01

insolventienummer rechtbank Amsterdam : C/13/12/388-R

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 november 2014

in de zaak van

[X],

wonend te [Y],

appellant,

advocaat: mr. I.J.G. van Raab van Canstein te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Appellant wordt hierna [X] genoemd.

[X] is bij op 2 oktober 2014 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 september 2014, waarbij ten aanzien van hem de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds is beëindigd.

Bij aanvullend verzoekschrift van 22 oktober 2014, met bijlagen, heeft [X] de nadere gronden van het beroep ingediend.

Het hoger beroep is behandeld op de zitting van het hof van 28 oktober 2014. Bij die behandeling is [X] verschenen, bijgestaan door mr. Van Raab van Canstein, voornoemd, die het verzoekschrift heeft toegelicht aan de hand van een pleitnotitie die aan het hof is overgelegd. Voorts is als waarnemend bewindvoerder verschenen R. Koe.

Het hof heeft kennis genomen van het verzoekschrift, het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, het namens [X] op 22 oktober 2014 ingediende aanvullend verzoekschrift en de op 24 oktober 2014 nader overgelegde stukken, alsmede het verslag van de bewindvoerder van 22 oktober 2014, met bijlagen. [X] heeft verklaard eveneens kennis te hebben genomen van de genoemde stukken.

2 Beoordeling

2.1

Bij vonnis van 24 september 2014 heeft de rechtbank op voordracht van de rechter‑commissaris de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [X] op de voet van artikel 350 van de Faillissementswet (Fw) tussentijds beëindigd. Blijkens voornoemd vonnis heeft [X] - samengevat – niet aantoonbaar gesolliciteerd naar betaalde arbeid ondanks daarop meermalen te zijn gewezen. De rechtbank heeft voorts overwogen dat [X] een ongemotiveerde houding heeft en dat daarom het vertrouwen ontbreekt dat hij in staat zal zijn de uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen naar behoren na te komen.

2.2

[X] - geboren op [------] - is op 4 mei 2012 tot de schuldsaneringsregeling toegelaten. Op 24 maart 2014 is [X] verhoord ten overstaan van de rechter-commissaris in verband met het niet voldoen aan de inspanningsverplichting. [X] heeft nog een kans gekregen om de schuldsaneringsregeling te voltooien en de looptijd van de schuldsaneringsregeling is bij beschikking van 26 maart 2014 verlengd met tien maanden.

2.3

[X] heeft in het verzoekschrift verzocht om het vonnis waarbij de op hem toepasselijke schuldsaneringsregeling tussentijds werd beëindigd, te vernietigen en hem alsnog in staat te stellen de wettelijke schuldsaneringsregeling te voltooien. [X] heeft gesteld dat de tekortkoming in de nakoming van de inspanningsverplichting hem niet kan worden toegerekend, dan wel dat deze tekortkoming gezien de bijzondere aard en geringe betekenis buiten beschouwing moet worden gelaten. Daartoe heeft [X] – samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – het volgende aangevoerd. Allereerst is [X] van mening dat hem – evenals eerder in de schuldsanering - een ontheffing van de sollicitatieverplichting verleend moet worden in verband met medische klachten. De Dienst Werk en Inkomen (DWI) heeft hem tot juli 2013 ontheven in verband met geconstateerde claudicatioklachten. Door de DWI zou nog worden onderzocht of [X] wederom voor ontheffing in aanmerking komt. Daarnaast kan eventueel tekortschieten hem niet worden toegerekend in verband met het terugkeren van een oude alcoholverslaving. Deze alcoholverslaving speelt sinds oktober 2013 weer op. Alcoholverslaving is volgens [X] een ziekte die hem belemmert bij het solliciteren. Ook de DWI is van mening dat de alcoholverslaving van [X] in combinatie met de medische klachten hem belemmert deel te nemen aan het arbeidsproces. Daarnaast heeft [X] ook nog een grote afstand tot de arbeidsmarkt. [X] schat daardoor zijn kansen op het vinden van een baan laag in. Ondanks deze beperkingen heeft [X] zijn best gedaan. Hij heeft vrijwilligerswerk verricht bij HVO Querido in de periode van juli 2012 tot juli 2013 en hij heeft deelgenomen aan een re-integratietraject. Verder heeft [X] hulp gezocht bij de Jellinek kliniek, waar hij op 3 november 2014 zal worden opgenomen op de detox afdeling. [X] verwacht dat hij in de nabije toekomst weer aan de verplichtingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling zal kunnen voldoen.

2.4

De bewindvoerder heeft aangevoerd dat niet is gebleken van arbeidsongeschiktheid van [X]. Hij was ontheven tot eind juni 2013 en sindsdien heeft hij niet met stukken aangetoond arbeidsongeschikt te zijn. Hoewel er beperkingen zijn gesteld, is geen sprake van (volledige) arbeidsongeschiktheid. Voorts wordt de informatieverplichting niet voldoende nagekomen door [X]. Sinds [X] het vrijwillige budgetbeheer in juli 2014 heeft opgezegd, heeft de bewindvoerder geen stukken meer ontvangen. De bewindvoerder is van mening dat [X] de verplichtingen uit de schuldsanering toerekenbaar niet is nagekomen en dat er geen vooruitzicht bestaat dat hij dit in de nabije toekomst wel zal doen.

2.5

Het hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat - zoals in het bijzonder blijkt uit artikel 350, derde lid, Fw - vergaande verplichtingen rusten op de schuldenaar op wie de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is. Deze verplichtingen vinden hun grond in de doelstelling van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Die komt erop neer, dat natuurlijke personen die in een uitzichtloze financiële situatie terecht zijn gekomen, de kans moeten krijgen weer met een schone lei verder te gaan. Daar staat echter tegenover dat van de schuldenaar een actieve medewerking wordt verwacht aan de doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling.

2.6

Op [X] rust de verplichting om zich in te spannen zo veel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Daarom dient [X] - zoals herhaaldelijk aan hem is medegedeeld - ten minste gemiddeld viermaal per maand te solliciteren naar betaald werk. Gebleken is - mede gelet op het door de bewindvoerder ten behoeve van het hoger beroep overgelegde verslag - dat [X] vanaf de aanvang van de schuldsanering onvoldoende aantoonbaar heeft gesolliciteerd. [X] heeft slechts één sollicitatie overgelegd. Ook na het verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris op 24 maart 2014, waarin met [X] is afgesproken dat hij aantoonbaar zou gaan solliciteren naar betaald werk, is op dit punt geen verbetering opgetreden. Derhalve is niet gebleken dat [X] zich maximaal heeft ingespannen ten behoeve van zijn schuldeisers. Aan de stelling van [X] dat hij van de sollicitatieverplichting is vrijgesteld gaat het hof voorbij nu van een vrijstelling, buiten die van de DWI geldend tot juli 2013, niet is gebleken.

2.7

Op [X] rust voorts onder meer de verplichting de bewindvoerder van alle informatie te voorzien die nodig is voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsanering. Vast staat dat [X] ook hierin is tekortgeschoten. Hij heeft niet alleen onvoldoende gegevens betreffende zijn inspanningen om werk te vinden dan wel aangaande de hoor hem gestelde arbeidsongeschiktheid verstrekt, maar ook is de bewindvoerder sedert het opzeggen van het budgetbeheer niet meer op de hoogte gehouden van de financiële situatie van [X].

2.8

Anders dan [X] heeft betoogd kunnen bovenomschreven tekort-komingen aan hem worden toegerekend. Gebleken is dat [X] zichzelf in een situatie heeft gebracht dat hij vanaf oktober 2013 weer alcohol is gaan drinken met alle negatieve gevolgen voor hem van dien. Dit valt hem dan ook te verwijten. Verder is van belang dat de overgelegde verklaringen van medisch specialisten onvoldoende aanknopingspunten bieden om daaruit de gevolgtrekking te maken dat [X] - vanwege medische beperkingen - niet in staat moet worden geacht aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen te voldoen. Een aantal verklaringen van medisch specialisten dateert uit 2012 en is daarom voor de huidige situatie niet direct relevant. Verder blijkt uit de recente verklaring van 7 oktober 2014 niet of onvoldoende dat de bovenomschreven tekortkomingen hem niet kunnen worden toegerekend. Uit de verklaring van 7 oktober 2014 blijkt dat [X] een ernstig drankprobleem heeft. Ter zitting heeft hij desgevraagd verklaard nog steeds een sterke drang te hebben naar het nuttigen van alcohol. [X] heeft zich in verband met deze alcoholverslaving aangemeld bij de Jellinekkliniek, waar hij -zoals ter zitting is gemeld – op 10 november 2014 opgenomen zal worden op de detox-afdeling voor een week en dat daarna een nabehandeling zal volgen. Onder deze omstandigheden acht het hof de toestand waarin [X] thans verkeert dusdanig instabiel dat onvoldoende vertrouwen bestaat dat hij de verplichtingen in de schuldsanering zal nakomen. Hierbij speelt ook mee dat [X] het vrijwillige budgetbeheer heeft opgezegd waardoor de controle op de financiële situatie van [X] niet is gewaarborgd.

2.9

De tekortkomingen zijn zodanig ernstig dat deze dienen te leiden tot tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Het vonnis waarvan beroep wordt dan ook bekrachtigd.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, M.M.M. Tillema en R.J.Q. Klomp en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.