Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4623

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-05-2014
Datum publicatie
05-12-2014
Zaaknummer
23-004105-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anonieme getuige en vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-004105-12

datum uitspraak: 20 mei 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van

de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 23 april 2012 in de strafzaak onder parketnummer

13-738336-11 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 6 mei 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 21 juni 2011 te Amsterdam zich op en/of aan de weg, te weten de Warmoesstraat heeft opgehouden, terwijl aannemelijk is, dat zulks gebeurde om middelen als bedoeld in art. 2 of 3 van de Opiumwet althans daarop gelijkende waar, en/of slaapmiddelen en/of kalmeringsmiddelen en/of stimulerende middelen of daarop gelijkende waar te kopen en/of te koop aan te bieden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf van twintig uren, subsidiair tien dagen hechtenis, en twee weken hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Volgens het eerste lid van art. 344a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend of in beslissende mate worden gegrond op schriftelijke bescheiden houdende verklaringen van personen wier identiteit niet blijkt. Volgens het derde lid van artikel 344a Sv mag een dergelijke anonieme getuigenverklaring niet tot het bewijs worden gebruikt tenzij:

  • -

    de bewijsbeslissing in belangrijke mate steun vindt in andersoortig bewijsmateriaal en

  • -

    de verdediging niet op enig moment te kennen heeft gegeven de persoon wiens identiteit niet blijkt te (doen) ondervragen.

Het bovenstaande geldt eveneens in de situatie dat verklaringen van anonieme getuigen zijn opgenomen in een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar.

Uit (de strekking van) artikel 360, tweede lid, Sv leidt het hof af dat een verklaring als hierboven bedoeld slechts kan worden gebezigd wanneer de betrouwbaarheid daarvan door de rechter is onderzocht.

In de onderhavige zaak heeft een anoniem gebleven getuige tegen de verbalisant (op straat) verklaard dat de verdachte hem vroeg of hij cocaïne wilde kopen. In deze situatie, mede gelet op de omstandigheid dat de personalia van deze personen niet zijn te achterhalen, zijn er onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat deze verklaring voldoende betrouwbaar is om voor het bewijs te gebruiken, terwijl de verdachte heeft ontkent het tenlastegelegde feit te hebben begaan.

Nu de eigen waarnemingen van de verbalisant die was belast met cameratoezicht onvoldoende concreet en specifiek zijn om daaruit de conclusie te trekken dat de verdachte de in de tenlastelegging bedoelde gedragingen heeft verricht en de verklaring van de anonieme getuige niet in beschouwing kan worden genomen, dient de verdachte van het ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. H.W.J. de Groot en mr. R.A.F. Gerding, in tegenwoordigheid van

mr. M.A.T. van Willigen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 mei 2014.