Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4620

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
16-06-2015
Zaaknummer
200.136.575-01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2014:376
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

gebruik echtelijke woning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 1 juli 2014

Zaaknummer: 200.136.575/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/529174 / FA RK 12-8860

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. Z. Taşpinar te Amsterdam,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. R.M. Boesjes te Haarlem.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

Op 14 januari 2014 heeft het hof in deze zaak een beschikking gegeven. Het hof verwijst naar en neemt over hetgeen in die beschikking omtrent het geding in hoger beroep is vermeld. Bij die beschikking is de man ontvankelijk verklaard in het door hem op 4 november 2013 ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van 17 april 2013 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/529174 / FA RK 12-8860.

1.3.

De vrouw heeft op 6 maart 2014 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4.

De man heeft op 4 april 2014 een verweerschrift in het hoger beroep van de vrouw ingediend.

1.5.

De vrouw heeft op 7 april 2014 nadere stukken ingediend.

1.6.

De zaak is op 16 april 2014 ter terechtzitting behandeld, alwaar zijn verschenen:

  • -

    de advocaat van de man;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn, na een relatie van meerdere jaren, [in] 2007 een geregistreerd partnerschap aangegaan. Bij de bestreden beschikking is de ontbinding hiervan uitgesproken. Het geregistreerd partnerschap is op 20 december 2013 ontbonden door inschrijving van die beschikking in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Bij beschikking van 28 november 2012 van de rechtbank Amsterdam is bepaald dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] (hierna: de woning) met bevel dat de man die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden.

Bij beschikking van 27 november 2013 van de rechtbank Amsterdam is het verzoek van de man de beschikking van 28 november 2012 te wijzigen in die zin dat hij bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de woning, afgewezen.

2.3.

Bij vonnis in kort geding van 27 november 2013 is de man door de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering te bepalen dat hij met uitsluiting van de vrouw gerechtigd is tot het gebruik van de woning en de vrouw te veroordelen tot ontruiming van de woning.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.4.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1967.

Hij is sinds 10 juli 2012 100% arbeidsongeschikt verklaard. Hij ontvangt een WIA-uitkering. Deze bedroeg volgens de betaalspecificatie over januari 2014 € 1.190,- bruto per maand.

2.5.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1975. Zij is alleenstaand.

Zij is werkzaam in loondienst bij [B.V.] (hierna: [bedrijf]). Haar salaris bedroeg volgens de salarisspecificaties over november en december 2013 en januari 2014 € 2.300,- bruto per maand, exclusief kost en inwoning, gewerkte zondagen en vakantietoeslag.

Zij is woonachtig in de woning. Aan huur/en enige servicekosten voor de woning betaalt zij € 450,- per maand.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt zij € 97,- per maand.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is – voor zover thans van belang – op het daartoe strekkende verzoek van vrouw bepaald dat zij met ingang van de dag van inschrijving van de uitspraak van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap huurster zal zijn van de woning.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre,

I. de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek tot toewijzing van het volledige huurrecht van de woning, althans haar verzoek af te wijzen;

II. te bepalen dat het volledig huurrecht van de woning aan hem wordt toegekend;

III. de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure;

IV. een door de vrouw te betalen uitkering tot zijn levensonderhoud te bepalen van € 1.000,- per maand.

3.3.

De vrouw verzoekt het verzoek in principaal appel van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. In incidenteel appel verzoekt zij, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:

  • -

    een door de man te betalen uitkering tot haar levensonderhoud te bepalen van € 500,- per maand;

  • -

    de man te veroordelen in de kosten van deze procedure, te weten de griffiekosten en de kosten voor de rechtsbijstand.

3.4.

De man verzoekt het verzoek in incidenteel appel van de vrouw af te wijzen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

Huurrecht van de woning

4.1.

In geschil is aan wie van partijen het huurrecht van de woning toekomt.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. De man is vanaf 26 mei 1994 huurder van de woning. Volgens de vrouw is zij reeds in 1996 bij hem ingetrokken, terwijl volgens de man zij eerst in 2004 bij hem is komen wonen. Het hof stelt vast dat, wat er ook zij van die verschillende standpunten, de duur van het gebruik van de woning door ieder der partijen aanzienlijk is. De man is op 7 oktober 2012 naar de Dominicaanse Republiek vertrokken en heeft daar tot eind september 2013 verbleven. Anders dan de man heeft betoogd, is uit de stukken niet gebleken dat hij ten tijde van zijn vertrek de intentie had, op een wijze die voor de vrouw kenbaar was, om slechts voor een korte periode buiten Nederland te verblijven. Uit de door de vrouw in het geding gebrachte chatberichten tussen de man en zijn toenmalige vriendin, die door de man niet zijn betwist, blijkt juist dat hij van plan was om zich definitief te vestigen in de Dominicaanse Republiek. De man heeft erkend dat hij voorafgaand aan zijn vertrek naar de Dominicaanse Republiek een brief van de advocaat van de vrouw heeft ontvangen, waarin zij haar wens kenbaar heeft gemaakt het geregistreerd partnerschap te verbreken. De man heeft hierop niet gereageerd, net zo min als op verscheidene door de vrouw tijdens zijn verblijf in de Dominicaanse Republiek aan hem gezonden e-mailberichten, waarin zij heeft aangekondigd hem te zullen uitschrijven van het adres van de woning en waarin zij hem heeft verzocht mee te betalen op hun gemeenschappelijke schulden. Op deze schulden, waaronder een reeds bestaande huurschuld, heeft hij na zijn vertrek uit Nederland niets betaald. Evenmin heeft hij sindsdien nog meebetaald aan de huur en overige periodieke lasten die aan de woning zijn verbonden. Deze zijn steeds door de vrouw voldaan. De man heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw, zijn stelling dat hij vanuit de Dominicaanse Republiek contact met haar heeft onderhouden met betrekking tot de woning, onvoldoende aannemelijk gemaakt, zodat het er, mede gelet op de hierboven omschreven omstandigheden, voor gehouden dient te worden dat de man niet langer de bedoeling had om – na zijn vertrek naar de Dominicaanse Republiek – in de woning te verblijven. Onder deze omstandigheden zou het in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid het huurrecht van de woning, waarin de vrouw na het vertrek van de man is blijven wonen en waarvan zij al die tijd alle lasten heeft voldaan, aan de man toe te wijzen. Daar komt bij dat aan de zijde van de man onvoldoende omstandigheden zijn gebleken die maken dat zijn belang om huurder van de woning te zijn zwaarder weegt dan het belang van de vrouw. De man heeft aangevoerd dat hij dakloos is en geen familieleden of vrienden heeft bij wie hij langdurig kan verblijven. Dit in combinatie met zijn gezondheidsklachten, maakt het volgens hem noodzakelijk dat hij in de woning kan wonen, die over een lift beschikt. Het hof kan van deze omstandigheden echter niet uitgaan, nu deze door de vrouw gemotiveerd zijn bestreden en de man niet nader heeft onderbouwd dat zijn klachten zodanig ernstig zijn dat hij van een lift afhankelijk is. Niet aannemelijk is geworden dat, zoals de man heeft gesteld, de vrouw vanwege haar werk weinig aanwezig is in de woning of dat zij voor alternatieve woonruimte terecht kan bij familieleden of vrienden. Het hof acht de stelling van de vrouw, die afkomstig is uit Slowakije, dat zij geen familie heeft in Nederland en een minder groot sociaal netwerk dan de man, aannemelijk. Bovendien is niet gebleken dat zij, ondanks haar werk op riviercruiseschepen, niet veelvuldig thuis is. Het voorgaande leidt het hof ertoe te oordelen dat de vrouw meer belang heeft dan de man om huurder te zijn van de woning. Het verzoek van de man dient derhalve te worden afgewezen en de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

Onderhoudsbijdrage

4.2.

Partijen hebben beiden verzocht een uitkering tot zijn/haar levensonderhoud te bepalen. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Zowel de man als de vrouw heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt behoefte te hebben aan een uitkering, terwijl het gelet op de gemotiveerde betwisting door de wederpartij op ieders weg had gelegen die behoefte nader te onderbouwen. Daarnaast is het hof van oordeel dat de man noch de vrouw draagkracht heeft voor het voldoen van een onderhoudsbijdrage aan de ander. De vrouw heeft onvoldoende draagkracht vanwege de omvangrijke schulden waarop zij aflost naast haar overige in aanmerking te nemen lasten. Deze schulden zijn door haar voldoende inzichtelijk gemaakt. De man is gelet op de hoogte van zijn WIA-uitkering evenmin in staat een onderhoudsbijdrage te betalen. Dat de man nog “zwarte” inkomsten heeft, zoals door de vrouw is gesteld, is niet gebleken. Het hof zal de verzoeken van partijen dan ook afwijzen.

4.3.

Er is onvoldoende aanleiding om één van partijen te veroordelen in de kosten van deze procedure, zoals door de andere partij is verzocht. Deze kosten dienen op de gebruikelijke wijze te worden gecompenseerd.

4.4.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.E. Buitendijk, mr. M. Wigleven en mr. L.M. Coenraad in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2014.