Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4608

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-11-2014
Datum publicatie
07-11-2014
Zaaknummer
23-000647-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderzoek “Passage”. Beslissing voorzitter over plaats van publiek en pers in zittingszaal op vordering advocaat-generaal.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 269
Wetboek van Strafvordering 272
Wetboek van Strafvordering 290
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2014/295
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Amsterdam

Afdeling strafrecht

Strafzaak Passage

Voorzitter van het hof beslist over plaats van publiek en pers in de zittingszaal

Beslissing op een vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat alle ter zitting aanwezige personen (publiek en vertegenwoordigers van de media), de verdachten en hun raadslieden uitgezonderd, op bevel van de voorzitter, plaats zullen nemen in het uitsluitend voor publiek bestemde deel van de zittingszaal (de publieke tribune).

Deze vordering strekt ertoe te voorkomen dat anderen dan de procesdeelnemers zicht hebben op de persoon van de getuige. De getuige bevindt zich in een getuigenbeschermingsprogramma en de kring van personen die zicht kunnen hebben op de getuige dient zo klein mogelijk te worden gehouden, aldus de advocaat-generaal.

Namens enkele verdachten hebben de raadslieden zich tegen toewijzing van de vordering verzet.

De vordering wordt zo opgevat dat de voorzitter een bevel zal geven als bedoeld in artikel 272, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

De voorzitter heeft daartoe beraadslaagd met de raadsheren van de zittingscombinatie.

In het kader van de onderbouwing van de vordering en het weerspreken daarvan zijn argumenten naar voren gebracht die door de voorzitter worden samengebracht tot de volgende aspecten.

  • -

    Het belang van de openbaarheid van de rechtspraak;

  • -

    Het vertrouwen dat in het publiek – in het bijzonder de pers – moet kunnen worden gesteld, in die zin dat de gedragsregels worden nageleefd, in het bijzonder dat geen foto’s zullen worden gemaakt van de getuige;

  • -

    Belangen die samenhangen met het waarborgen van de persoonlijke veiligheid van de getuige;

  • -

    De wijze waarop eerdere verhoren in het kader van dit proces (Passage) zijn uitgevoerd waarbij getuigen zijn gehoord die in een beschermingsprogramma zijn opgenomen.

Tot slot is er nog op gewezen dat tijdens een eerdere terechtzitting waarop het onderzoek is onderbroken, te weten op 4 november 2014, het publiek, in het bijzonder vertegenwoordigers van de pers, kennis hebben kunnen nemen van het uiterlijk, waaronder het gegrimeerde gezicht, van de getuige.

Welke aspecten zijn bij de beoordeling van de vordering van belang?

Bij de beoordeling van de vordering beschouwt de voorzitter de volgende aspecten relevant en van belang.

Het Wetboek van Strafvordering bevat bepalingen waarin het onderzoek ter terechtzitting wordt geregeld. Deze wettelijke regeling gaat in artikel 269 Sv uit van de aanwezigheid van de voorzitter en het rechterlijk college, alsmede van het openbaar ministerie, van de verdachte en andere procesdeelnemers en van toehoorders (artikel 269 Sv). In de bewoordingen van deze bepaling zijn het de toehoorders die de terechtzitting bijwonen.

Een tweede aspect dat van belang is, is dat behandeling van een strafgeding op grond van deze bepaling in het openbaar plaatsvindt. Dit belangrijke beginsel waarborgt maatschappelijke controle op de werkzaamheden van de justitiële autoriteiten. En daarbij is de rol van vertegenwoordigers van de pers een wezenlijke. Daarnaast wordt hiermee het belang gediend dat de verdachte zich in het openbaar verantwoordt.

Het door de advocaat-generaal aangeroepen belang, ten slotte, van veiligheid van de getuige dient gewicht in de schaal te leggen. Het gaat in dit geval om een getuige ten aanzien van wie een programma is ontwikkeld dat tot doel heeft zijn bescherming, nu en in de toekomst.

Het bijwonen van een strafzaak door toehoorders veronderstelt dat deze in de zaal op enige plek de behandeling van de strafzaak kunnen volgen. Dat bijwonen houdt in de regel niet in dat toehoorders, getuigen bijvoorbeeld ook in het gezicht moeten kunnen kijken. Integendeel zelfs. Ook in het veronderstelde geval dat de getuige [getuige] op reguliere wijze – niet afgeschermd in een getuigencabine– zou zijn gehoord, zouden de toehoorders, waaronder de vertegenwoordigers van de pers hem tijdens het afleggen van zijn verklaring slechts op de rug hebben kunnen zien.

In dat verband verdient nog opmerking dat het enkele feit dat in de zittingszaal een beeldscherm is aangebracht een voorziening is, die samenhangt met de plaats van de getuige in de cabine en de opstelling van de cabine. Het venster hiervan is immers uitsluitend op de tafel van het hof gericht. Deze voorziening is aangebracht ten behoeve van de procesdeelnemers en niet ten behoeve van de toehoorders.

Zijn er termen om de plaats van de toehoorders in de zittingzaal nader te bepalen, op de wijze zoals gevorderd door de advocaat-generaal?

Bij de beoordeling daarvan komt allereerst betekenis toe aan het door de advocaat-generaal benadrukte belang van de veiligheid van de getuige.

Door de advocaat-generaal is meegedeeld dat ten aanzien van deze getuige een beschermingsprogramma is ontwikkeld en wordt uitgevoerd. Tegen deze achtergrond heeft het hof op 4 november 2014 de vordering toegewezen tot het doen plaatsnemen van die getuige in die cabine, terwijl hij gegrimeerd en/of vermomd is, zulks op de voet van het bepaalde in artikel 290, derde lid, Sv.

De omstandigheid dat ten aanzien van die getuige dat programma is ontwikkeld en wordt uitgevoerd vormt voor de voorzitter een vast gegeven. Immers, vormgeving en invulling van dat programma onttrekken zich gezien de aard van dat programma en de daarmee nagestreefde doelen aan waarneming en beoordeling door de strafrechter.

Kortom, de hiervoor beschreven positie van de getuige, die haar weerslag heeft gekregen op de ruimtelijke positie van de getuige in de zittingszaal, heeft voor de voorzitter als vertrekpunt te gelden.

Het door de advocaat-generaal ingeroepen veiligheidsbelang rechtvaardigt tegen deze achtergrond een precisering van de door de voorzitter te bepalen plaats van toehoorders in de zittingszaal. Dit is niet wezenlijk anders dan in de vele andere gevallen waarin de voorzitter op tal van momenten om tal van redenen kan bepalen, dat een of meer van de toehoorders een andere plaats in de zittingszaal innemen, in concreto het uitsluitend voor publiek bestemde deel van de zittingszaal.

Het door de raadslieden sterk benadrukte belang van openbaarheid van de behandeling brengt de voorzitter nog tot het doen van de volgende vaststelling.

Toehoorders, waaronder de vertegenwoordigers van de pers, worden niet in de uitoefening van enig aan de wet te ontlenen recht tot bijwoning van de openbare terechtzitting beperkt, als dat beeldscherm voor hen niet (meer) zichtbaar is. Dit, ondanks het feit dat zij op de zitting van 4 november 2014 volledig zicht op dit scherm hebben gehad.

De voorzitter betrekt daarbij dat het zeer invoelbaar is dat publiek en pers van de behandeling van deze zaak en in het bijzonder het verhoor van deze kroongetuige zo veel mogelijk willen meekrijgen, wellicht meer dan het geval is bij de behandeling van een meer alledaagse strafzaak.

Voorts dient in dit verband te worden benadrukt dat bij de afweging waarin hiervoor inzicht in is gegeven het abstract geformuleerde en gepresenteerde belang van de veiligheid van de getuige doorslaggevend is geweest. De voorzitter kan en mag hier niet ‘achter kijken”.

Dit brengt met zich dat de voorzitter ook de plaats van toehoorders in de zittingszaal in abstracto heeft beoordeeld, dat wil zeggen ontdaan van enige veronderstelling of aanname over het mogelijke gedrag van toehoorders.

Het verloop van het onderzoek tot dusver

Ter terechtzitting van 4 november 2014 heeft het hof op vordering van de advocaat-generaal bepaald dat de getuige gegrimeerd en vermomd in de daartoe bestemde cabine zal plaatsnemen, hetgeen ook is geschied.

Op enig moment is gebleken dat de advocaat-generaal minder gelukkig was met de zichtbaarheid van de getuige op het beeldscherm, ook voor toehoorders; desgevraagd heeft de AG het hof bij die gelegenheid gewezen op de mogelijkheid van het maken van foto’s van dat scherm door toehoorders en de daarmee samenhangende risico’s voor de getuige, bijvoorbeeld in het geval van publicatie daarvan.

Een op dat argument gegronde vordering gericht is op die terechtzitting door de voorzitter afgewezen, onder verwijzing naar de inhoud van persrichtlijn en ervan uitgaand dat vertegenwoordigers van de pers de daarin opgenomen regels naleven.

Thans is er een andere vordering gedaan, voorzien van een bredere onderbouwing.

Voor procesdeelnemers volgt nog de volgende overweging ten overvloede, waarbij de voorzitter zich uitdrukkelijk richt tot de toehoorders. Deze beslissing is niet ingegeven door enig wantrouwen dat geen sprake zal zijn van naleving van de persrichtlijn. Dat moge blijken uit hetgeen de voorzitter hiervoor heeft overwogen ten aanzien van het abstracte karakter van de beoordeling van de vordering.

Deze beslissing houdt evenmin in het sluiten van de deuren, hetgeen immers zou inhouden dat op enigerlei wijze de openbaarheid van de behandeling dan wel de toegang tot de zittingszaal zou worden beperkt.

Deze beslissing is gegeven door de voorzitter van de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, mr. R. Veldhuisen, in aanwezigheid van mr. R.P.P. Hoekstra en mr. R.M. Steinhaus, raadsheren en van mr. A. Binken en mr. M. Rasterhoff, griffiers, en is gegeven op de openbare terechtzitting van 6 november 2014.