Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4599

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-10-2014
Datum publicatie
07-11-2014
Zaaknummer
200.138.903-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg van een overeenkomst met betrekking tot een door BP van X gehuurd maar (in verband met de aanleg van een door BP in de buurt te vestigen nieuw tankstation) te sluiten tankstation, mede in verband met een aantal gewijzigde toekomstige omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.138.903/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/518128/HA ZA 12-657

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 oktober 2014

inzake

de vennootschap naar Duits recht BP EUROPA SE,

handelend onder de naam BP Europa SE-BP Nederland,

gevestigd te Hamburg (Duitsland),

appellante,

advocaat: mr. M.G. Costers te Haarlem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X] & ZN BV,

gevestigd te [plaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.A.F. Corten te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna BP en [X] genoemd.

BP is bij dagvaarding van 30 augustus 2013 in hoger beroep gekomen van vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 5 december 2012 (het tussenvonnis) en 12 juni 2013 (het eindvonnis), onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [X] als eiseres in conventie/verweerster in reconventie en BP als gedaagde in conventie/ eiseres in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Ten slotte is arrest gevraagd.

BP heeft geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest de bestreden vonnissen zal vernietigen, de vordering van [X] in conventie alsnog zal afwijzen en de vordering van BP in reconventie alsnog zal toewijzen, een en ander met veroordeling van [X] in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.

[X] heeft geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, kort gezegd, de bestreden vonnissen zal bekrachtigen, met veroordeling van BP in de kosten van - begrijpt het hof - het hoger beroep.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 De ontvankelijkheid van het hoger beroep

Bij het tussenvonnis heeft de rechtbank de incidentele vordering van BP tot verwijzing van de zaak naar de sector kanton afgewezen. Ingevolge artikel 71 lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat tegen het achterwege laten van verwijzing geen hogere voorziening open. Om die reden is BP in haar beroep tegen het tussenvonnis niet-ontvankelijk. Ten overvloede overweegt het hof dat de rechtbank in het eindvonnis van 12 juni 2013 (opnieuw) de feiten heeft vermeld waarvan zij bij de beoordeling is uitgegaan en in dat vonnis niet heeft voortgebouwd op het tussenvonnis. Om die reden heeft BP geen belang bij bespreking van haar tegen laatstbedoeld vonnis gerichte grief 1.

3 Feiten

3.1.

De rechtbank heeft in de overwegingen 2.1 tot en met 2.11 van het eindvonnis een aantal feiten vermeld die zij tot uitgangspunt heeft genomen.

3.2.

Met grief 2 betoogt BP allereerst dat de rechtbank meer feiten als vaststaand had moeten aanmerken dan zij heeft gedaan. Dit onderdeel van de grief faalt, omdat de rechtbank niet gehouden was alle vaststaande feiten te vermelden. Bovendien zijn meerdere in de toelichting op de grief gepresenteerde feiten door [X] betwist, zodat zij niet tussen partijen vaststaan. Dit neemt niet weg dat het hof bij de beoordeling met alle stellingen van BP rekening zal houden.

3.3.

Met grief 2 stelt BP tevens dat de rechtbank in overweging 2.6 van het eindvonnis ten onrechte heeft vastgesteld dat BP in 2001 de hierna te noemen huurovereenkomst met [X] heeft opgezegd. Dit feit staat inderdaad niet tussen partijen vast, zodat de grief in zoverre gegrond is. Ook stelt BP dat zij de in die overweging bedoelde vergoeding weliswaar heeft betaald maar zulks per abuis heeft gedaan. Het hof zal later aan deze stelling, die overigens door [X] wordt betwist, aandacht besteden.

3.4.

Omdat de overige door de rechtbank vastgestelde feiten tussen partijen niet in geschil zijn, zal ook het hof daarvan uitgaan.

4. Beoordeling

4.1.

In deze zaak gaat het om het volgende.

( a) [X] is eigenares van een perceel aan de [adres] te [plaats] waarop door BP (en haar rechtsvoorgangster Mobil Oil B.V.) op basis van een met [X] per 1 januari 1987 voor de duur van tien jaar gesloten huurovereenkomst, voor tien jaar verlengd per 1 januari 1997, een tankstation (verder ook: tankstation Transformatorweg) is geëxploiteerd.

( b) Een brief van Mobil Oil aan [X] van 13 juni 1996, geschreven na gesprekken tussen beide ondernemingen, luidt als volgt:

“(…) Het is u bekend, dat wij thans met het Stadsdeel Westerpark onderhandelen over een nieuw tankstation verderop langs de hoofdbaan van de Transformatorweg, enkele honderden meters van het huidige tankstation verwijderd. Mocht de realisatie van dit nieuwe verkooppunt doorgaan, dan zal de huurovereenkomst tussen u en ons worden beëindigd. Het huidige tankstation zal worden gesloten. U zult ter plekke ook geen tankstation meer exploiteren of laten exploiteren. Ter compensatie van de huursom, die dan zal vervallen, zullen wij u een jaarlijkse vergoeding toekennen (…)”.

( c) Bij brief van 6 november 1997 (verder: de overeenkomst) schrijft BP Nederland V.O.F. (kennelijk een rechtsvoorgangster van BP, hierna eveneens: BP) [X] - onder verwijzing naar een gesprek op 1 september 1997 - het volgende:

“(…) De vergoeding die wij aan u zullen betalen zodra het nieuwe BP tankstation aan de Transformatorweg gereed is, zal bestaan uit de volgende elementen:
1. Een vast bedrag van ƒ 25.000,= per jaar, excl. BTW.

2. De jaarlijks te indexeren huur die u thans voor het bestaande tankstation ook ontvangt; op dit moment bedraagt deze ƒ 27.483,29 excl. BTW.

3. Een vast bedrag van ƒ 22.500,= per jaar, excl. BTW. Deze vergoeding komt in de plaats van de variabele vergoeding van 1,0 cent per liter die u thans ontvangt.

De overige afspraken zijn:

• Bovenstaande vergoeding zal ingaan op het moment waarop het nieuwe tankstation wordt geopend.

• Bovenstaande vergoeding wordt toegekend op voorwaarde dat uw huidige tankstation zal worden gesloten zodra het nieuwe station wordt geopend, en dat er in de toekomst nimmer meer een tankstation op de huidige locatie wordt gevestigd. (…)

• Bovenstaande vergoeding wordt aan u uitgekeerd gedurende een periode welke gelijkloopt met de nieuwe huurovereenkomst die wij met de gemeente Amsterdam dienen te sluiten. Deze periode is 20 jaar.

• Tot de opening van het nieuwe station zullen wij u voor de huur van het huidige station de huurprijs betalen die tot heden gebruikelijk is.

Het spreekt uiteraard voor zich, dat alle afspraken ten aanzien van de vergoeding voor het nieuwe station slechts gelden als dit station ook daadwerkelijk door ons wordt gerealiseerd.”

( d) Sinds 1992 huurde BP van de gemeente Amsterdam (verder: de gemeente) het perceel Spaarndammerdijk 218 te Amsterdam, alwaar zij een tankstation (verder ook: tankstation Houthaven) exploiteerde. Naar aanleiding van een door BP op 10 september 1999 gedaan verzoek gebruik te mogen maken van het in die huurovereenkomst omschreven optierecht voor een volgende huurtermijn van tien jaar heeft het stadsdeel Westerpark BP bij brief van 5 oktober 1999 laten weten dat verzoek niet te kunnen inwilligen omdat tankstation Houthaven in verband met planologische ontwikkelingen niet kon worden gehandhaafd en dat de huurovereenkomst per 30 juni 2001 zou worden beëindigd. BP heeft echter de exploitatie van tankstation Houthaven mogen voortzetten, uiteindelijk tot de opening van haar (later te noemen) nieuwe tankstation.

( e) Bij overeenkomst van 3 juli 2001 heeft de gemeente per 1 oktober 2001 voor de duur van twintig jaar aan BP verhuurd een terrein aan de Transformatorweg met als bestemming de exploitatie van, kort gezegd, een tankstation (verder ook: tankstation Transformatorweg Nieuw). In 2001/2002 heeft BP de hiervoor benodigde bouw- en milieuvergunning verkregen.

( f) Bij gedoogbeschikking van 29 mei 2000 heeft de Milieudienst Amsterdam, onderdeel van de gemeente, besloten, voor zover thans relevant, dat tankstation Transformatorweg voor 31 maart 2001 buiten werking moet zijn gesteld en aansluitend moet worden ontmanteld. De tanks dienden te worden verwijderd en bodem en grondwater moesten worden gesaneerd. In verband met de vergevorderde ontwikkeling van tankstation Transformatorweg Nieuw heeft BP na overleg met [X] besloten het van haar gehuurde tankstation te sluiten voordat tankstation Transformatorweg Nieuw operationeel was. Die sluiting heeft vervolgens in april 2001 plaatsgevonden, waarna de tanks zijn verwijderd, het tankstation is gesloopt en de grond is gesaneerd. Tussen partijen staat niet ter discussie dat indertijd ter plaatse een nieuw tankstation had kunnen worden opgericht.

( g) Vanaf 2002 tot en met 2011 heeft BP [X] de in de overeenkomst bedoelde bedragen steeds op facturen van [X] betaald, met dien verstande dat over 2002 niet het onder 1 van die overeenkomst bedoelde vaste bedrag van ƒ 25.000,= is gefactureerd en betaald maar slechts ƒ 20.000,=. Volgens BP heeft zij per abuis betaald, volgens [X] heeft BP betaald - kort gezegd - omdat de verschuldigdheid van die bedragen uit die overeenkomst voortvloeide.

( h) De aanleg van tankstation Transformatorweg Nieuw is als gevolg van bezwaren van omwonenden uitgesteld. In 2011 werd duidelijk dat die aanleg definitief niet doorging.

( i) In de zomer van 2010 heeft de gemeente (het Havenbedrijf) met ingang van 1 januari 2011 aan BP voor de duur van vijftien jaar een terrein aan de Nieuwe Hemweg te Amsterdam verhuurd met als bestemming de exploitatie van, kort gezegd, een tankstation. In de considerans van deze overeenkomst wordt het gehuurde “een alternatieve locatie” genoemd voor tankstation Houthaven. In oktober 2011 is dit nieuwe tankstation (verder ook: tankstation Nieuwe Hemweg) geopend.

( j) In de eerste aanleg van dit geding vorderde [X] in conventie, voor zover thans van belang, de betaling door BP van een bedrag van € 47.450,64, met rente, zijnde dit bedrag volgens [X] de haar op grond van de overeenkomst toekomende vergoeding over 2012, alsmede een verklaring voor recht dat BP gehouden is de overeenkomst na te komen en de jaarlijkse vergoeding tot en met 2031, althans een in goede justitie te bepalen tijdstip, te voldoen. In reconventie vorderde BP de betaling door [X] van een bedrag van € 214.179,22, met rente, zulks op grond van onverschuldigde betaling ter zake van onderdelen van de door haar aan [X] over 2002 tot en met 2011 betaalde vergoedingen. Bij het eindvonnis heeft de rechtbank de vorderingen van [X] toegewezen, met dien verstande dat de einddatum in de verklaring voor recht is gesteld op 31 december 2021, en de vorderingen van BP afgewezen, een en ander met veroordeling van BP in de proceskosten, met nakosten.

4.2.

Grief 3 houdt in dat de rechtbank de stellingen van BP onvolledig heeft weerge-geven. Wat daarvan zij, bij een bespreking van deze grief heeft BP geen belang, omdat de eventuele gegrondheid ervan niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kan leiden. Van belang is slechts of de gegeven beslissingen juist zijn.

4.3.

De overige nog niet behandelde grieven kunnen gezamenlijk worden besproken, omdat zij alle de juistheid van de door de rechtbank ten nadele van BP gegeven beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen ter discussie stellen.

4.4.

Het hof stelt voorop dat duidelijk is dat de zaken anders zijn gelopen dan beide partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond. Immers, tankstation Transformatorweg is (in april 2001) gesloten op een moment dat het in de overeenkomst voorziene tankstation Transformatorweg Nieuw nog niet was geopend. Bovendien is laatstbedoeld tankstation er uiteindelijk niet gekomen, maar wel (per 1 oktober 2011) het tankstation Nieuwe Hemweg.

4.5.

In het eindvonnis (onder 4.3) heeft de rechtbank als volgt overwogen:

“Alle vorderingen zijn afhankelijk van de vraag welke verplichtingen al dan niet uit de overeenkomst voortvloeien. Hierbij wordt vooropgesteld dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.”

Omdat BP tegen die overweging (terecht) geen grief heeft gericht, zal ook het hof dit criterium (het zogeheten Haviltexcriterium) toepassen. Hierbij wordt opgemerkt dat aan feitelijke gedragingen van partijen of een hunner na het sluiten van de overeenkomst aanwijzingen voor de uitleg van de overeenkomst kunnen worden ontleend.

4.6.

Vaststaat dat BP, als onder 4.1 (g) vermeld, vanaf 2002 tot en met 2011 de in de overeenkomst bedoelde bedragen na door [X] verzonden facturen heeft betaald, zulks met uitzondering van, als gezegd, eenmalig een bedrag van ƒ 5.000,=. Verder staat vast dat tankstation Transformatorweg in 2001 is gesloten en gesloopt, dat BP noch [X] aldaar een nieuw tankstation is gaan exploiteren en dat geen van partijen met de ander is begonnen over een voortzetting van de huur per 1 januari 2007, of beëindiging daarvan, totdat BP de huur, voor zover nodig, bij brief van 26 maart 2012, voor zover vereist, heeft opgezegd tegen 1 april 2013. Op dat moment echter was het verschil van mening tussen partijen over de uitleg van de overeenkomst al lang en breed gerezen. In het licht van deze feiten acht het hof het verweer van BP dat zij de facturen van [X] in de periode van 2002 tot en met 2011 telkens per abuis heeft betaald onvoldoende gemotiveerd, zodat daaraan wordt voorbijgegaan en aan bewijslevering op dit punt niet kan worden toegekomen. Met de rechtbank is het hof (dan ook) van oordeel dat partijen vanaf 2002 aan de overeenkomst uitvoering zijn gaan geven, [X] door ter plaatse geen nieuw tankstation te (doen) exploiteren, BP door de in de overeenkomst genoemde vergoedingen aan [X] te betalen, zulks overigens in de veronderstelling dat tankstation Transformatorweg Nieuw op zeker moment zou worden opgericht en geëxploiteerd. Dit oordeel wordt niet anders doordat R. de Boom van BP [X] op 17 maart 2001 telefonisch heeft laten weten dat “de betalingen (…) gewoon (zullen) doorgaan”, reeds omdat deze verklaring niet per se op de op grond van de huurovereenkomst van partijen verschuldigde huur maar zeer wel op de in de overeenkomst bedoelde vergoedingen betrekking kan hebben. Het hof trekt uit een en ander de conclusie dat partijen met de overeenkomst hebben beoogd dat [X] BP (ter plaatse) geen concurrentie zou aandoen en dat BP [X] daarvoor zou belonen met de in de overeenkomst vastgelegde vergoedingen.

4.7.1.

Vervolgens rijst de vraag wat rechtens de betekenis is van het feit dat in 2011 bekend werd dat tankstation Transformatorweg Nieuw niet zou doorgaan.

4.7.2.

Het hof is allereerst van oordeel dat tegen de achtergrond van wat onder 4.6 is overwogen niet valt in te zien waarom deze (pas) in 2011 opgetreden omstandigheid zou nopen tot het oordeel dat BP over de periode 2002 tot en met 2011 aan [X] betaalde vergoedingen als onverschuldigd betaald zou kunnen terugvorderen. [X] is immers die gehele periode haar verplichtingen uit de overeenkomst nagekomen en BP heeft de in de overeenkomst bedoelde vergoedingen steeds - naar als gezegd moet worden aangenomen: bewust - als tegenprestatie daarvoor betaald, zulks ondanks het feit dat - naar haar bekend was - tankstation Transformatorweg Nieuw nog niet in werking was. De reconventionele vordering is derhalve terecht afgewezen. Voor zover BP (ook) met het oog op deze vordering een beroep doet op dwaling, op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid en op onvoorziene omstandigheden (vgl. respectievelijk artikel 6:228, artikel 6:248 lid 2 en artikel 258 van het Burgerlijk Wetboek (BW)), wordt dat beroep, gezien al het voorgaande, als onvoldoende toegelicht verworpen.

4.7.3.

Het hof wil, in het bijzonder gezien i) de considerans van de onder 4.1 (i) vermelde overeenkomst tussen de gemeente (het Havenbedrijf) en BP en ii) de tweede alinea van de door [X] zelf bij inleidende dagvaarding overgelegde brief van het Stadsdeel West van de gemeente van 19 april 2011, wel aannemen dat BP heeft beoogd met tankstation Nieuwe Hemweg tankstation Houthaven te vervangen. Het hof acht dit echter niet van belang vanwege het volgende. Tankstation Nieuwe Hemweg is nog geen kilometer verwijderd van tankstation Transformator-weg. Er liggen namelijk “enkele honderden meters” tussen laatstgenoemd tankstation en tankstation Transformatorweg Nieuw (zie de onder 4.1 (b) vermelde brief van Mobil Oil van 13 juni 1996) alsmede – volgens BP – 500 meter tussen dat laatste tankstation en tankstation Nieuwe Hemweg. Omdat bovendien niet is gesteld of gebleken dat zich tussen tankstation Transformatorweg en tankstation Nieuwe Hemweg nog een ander tankstation bevindt, had het, gezien de in de laatste volzin van overweging 4.6 omschreven bedoeling van partijen met de overeenkomst, op de weg van BP gelegen in hoger beroep gemotiveerd aan te voeren dat en waarom zij van een eventueel door [X] geëxploiteerd tankstation op haar terrein aan de Transformatorweg geen concurrentie zou hebben ondervonden. Nu BP dit heeft nagelaten, acht het hof de omstandigheid dat het in de overeenkomst genoemde tankstation Transformatorweg Nieuw niet is opgericht niet relevant: het gaat er om dat BP in de buurt van tankstation Transformatorweg een nieuw tankstation heeft opgericht en daarbij van [X], als zij ter plaatse een tankstation zou zijn blijven exploiteren, concurrentie zou hebben ondervonden. Dit betekent dat BP ook na oktober 2011 tot betaling van de in de overeenkomst omschreven vergoedingen gehouden is. Niet ter zake doet of [X] na 2001 (substantiële) inkomsten uit de verhuur van haar onderhavige terrein heeft gegenereerd en/of nog genereert. Het betreft hier immers een nakomings- en niet een schadevergoedingsvordering.

4.7.4.

Het door BP te dezen gedane beroep op dwaling, op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid en op onvoorziene omstandigheden, wordt, voor zover nog niet besproken, gezien al het voorgaande, als onvoldoende toegelicht verworpen. Het hof merkt in dit verband ten aanzien van het beroep op dwaling op dat de daartoe door BP aangevoerde omstandigheid, te weten dat tankstation Transformatorweg Nieuw anders dan partijen verwachtten niet is opgericht, een uitsluitend toekomstige omstandigheid betreft en daarom niet tot vernietiging op grond van dwaling kan leiden (art. 6:228 lid 3 BW). BP heeft, ten slotte, in hoger beroep geen voldoende specifieke stellingen geponeerd op grond waarvan het hof de door de rechtbank aangenomen duur van de betalingsverplichting van BP (te weten: tot en met 31 december 2021) zou moeten bekorten.

4.8.

Het bewijsaanbod, voor zover nog niet besproken, wordt als niet ter zake dienend verworpen, omdat BP geen concrete stellingen heeft geponeerd die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.

4.9.

Het moge zo zijn dat de rechtbank zonder motivering het eindvonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard, BP heeft geen argumenten aangedragen op grond waarvan het hof deze beslissing zou moeten vernietigen.

4.10.

De slotsom is dat de grieven falen en dat het eindvonnis moet worden bekrachtigd. BP zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

5 Beslissing

Het hof:

verklaart BP niet-ontvankelijk in haar beroep tegen het bestreden tussenvonnis van 5 december 2012;

bekrachtigt het bestreden eindvonnis van 12 juni 2013, wat betreft zowel de conventie als de reconventie;

veroordeelt BP in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [X] gevallen en tot op heden begroot op € 1.862,= voor verschotten en € 3.263,= voor salaris advocaat;

verklaart dit arrest ten aanzien van deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.F. Thiessen, R.J.M. Smit en J.C.W. Rang en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2014.