Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4596

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-10-2014
Datum publicatie
19-02-2015
Zaaknummer
200.102.537-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarrest 27 augustus 2013. Afstand tussen erfgrens en ramen is minder dan 2 meter. Voor zover de ramen boven ooghoogte zijn geplaatst is art 5:50 lid 1 BW niet toepasselijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.102.537/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam: 1277694 CV 11-28227

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 oktober 2014

inzake

1 [appellant],

2. [appellante],

beiden wonend te [woonplaats],

APPELLANTEN,

advocaat: mr. R.H.J. Koopmans te Amsterdam,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. J.H.H. Baljet te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna ook [appellant] (in mannelijk enkelvoud) en [geïntimeerde] genoemd.

In het tussenarrest van 27 augustus 2013 heeft het hof een deskundigenonderzoek bevolen. De deskundige heeft op 2 oktober 2013 zijn rapportage uitgebracht. [appellant] en [geïntimeerde] hebben daarop ieder bij akte gereageerd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Beoordeling

2.1.

Het hof heeft in het tussenarrest deskundige [X] (hierna: de deskundige) benoemd teneinde de deskundige te laten uitmeten waar de erfgrens tussen perceel 429 en 450 ligt en te laten uitmeten hoe groot de afstand is tussen de erfgrens en de ramen op de benedenverdieping en op de bovenverdieping van het gebouw op perceel 450. De deskundige heeft de betreffende afstanden gemeten en weergegeven in de bijlage “schets B” bij zijn relaas van bevindingen. De afstanden die door de deskundige zijn gemeten vanaf de erfgrens tot de ramen in het gebouw op van [appellant] op perceel 450 zijn zowel voor de benedenverdieping als op de bovenverdieping minder dan twee meter vanaf de erfgrens. [geïntimeerde] heeft de uitkomst van het deskundigenonderzoek aanvaard. [appellant] heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

2.2.

Op basis van het deskundigenonderzoek concludeert het hof dat de afstand van de ramen in het gebouw van [geïntimeerde] tot de erfgrens minder dan twee meter bedraagt, zodat de stelling van [appellant] dat die afstand groter is dan twee meter onjuist is. Grief 2 faalt daarom. In beginsel betekent deze vaststelling dat de ramen in het gebouw vaststaand en ondoorzichtig dienen te zijn. Het hof zal hierna beoordelen of de overige grieven van [appellant] tot een andere conclusie nopen.

2.3.

Grief 1 richt zich onder meer tegen de feitenvaststelling door de rechtbank. Daar waar het hof de betreffende feiten relevant acht, wordt hierna het door [appellant] in het kader van deze grief gestelde bij de beoordeling betrokken.

2.4.

[appellant] beroept zich er met grief 3 op dat de sloot tussen de percelen van partijen een openbaar water is, zodat op grond van artikel 50 lid 2 boek 3 BW de aangebrachte vensters geoorloofd zijn. [geïntimeerde] heeft die stelling gemotiveerd betwist. [appellant] heeft stukken overgelegd waaruit zou moeten blijken dat de sloot tussen beide percelen tot 2003 openbaar water was. Wat er ook zij van die stukken, naar het oordeel van het hof heeft [appellant] zijn stelling dat ook na 2003 sprake is van een openbaar water onvoldoende onderbouwd. De juistheid van de feitelijke omstandigheden die de rechtbank onder 6. heeft genoemd is onvoldoende gemotiveerd bestreden. Nu [appellant] van zijn stelling bovendien onvoldoende specifiek bewijs heeft aangeboden, verwerpt het hof dit verweer en faalt grief 3.

2.5.

[appellant] beroept zich met grief 4 op verjaring van de vorderingen van [geïntimeerde], door te stellen dat, nu hij gedurende een periode van tien jaar te goeder trouw de betreffende ramen in zijn gebouw heeft gehandhaafd, een erfdienstbaarheid heeft verkregen om de ramen te handhaven. [appellant] heeft echter onvoldoende weersproken dat de ramen in 2003 zijn geplaatst zodat, gelet op de binnen tien jaar daarna verrichte stuitingshandelingen, een eventuele verjaring niet is voltooid. Dit brengt mee dat grief 4 faalt, Grief 5 faalt nu deze eveneens is gebaseerd op de stelling dat een verjaringstermijn van tien jaar is voltooid.

2.6.

[appellant] betoogt met zijn grief tegen de feitenvaststelling sub 9 dat de ramen op de begane grond zich boven ooghoogte bevinden, zodat, zo begrijpt het hof de grief, deze geen uitzicht op het perceel van [geïntimeerde] geven en artikel 5:50 lid 1 BW niet van toepassing is. [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord erkend dat de oorspronkelijke ramen op de begane grond (tot 2003) boven ooghoogte waren geplaatst. [appellant] heeft gesteld dat de ramen in 2003 niet zijn veranderd. [geïntimeerde] heeft dat betwist met de stelling dat in 2003 alles radicaal is veranderd, doordat de ramen doorzichtig zijn gemaakt en open kunnen worden gezet. Daarmee is echter onvoldoende betwist dat de ramen zich ook na 2003 boven ooghoogte bevinden. Van uitzicht als bedoeld in art. 5:50 lid 1 BW is daarom geen sprake, zodat geen grond bestaat voor toewijzing van het door [geïntimeerde] gevorderde met betrekking tot de bovenverdieping. De grief slaagt daarom in zoverre, dat de veroordeling tot het ondoorzichtig en vaststaand maken van de ramen in het gebouw zal worden beperkt tot de bovenverdieping.

2.7.

Met grief 6 voert [appellant] aan dat [geïntimeerde] misbruik zou maken van bevoegdheid indien zij zou verlangen dat de ramen vast en ondoorzichtig worden gemaakt. Het hof acht in de door [appellant] aangevoerde omstandigheden onvoldoende grondslag aanwezig om op de voet van art. 3:13 BW te concluderen dat [geïntimeerde] van haar uit art. 5:50 BW voortvloeiende bevoegdheid misbruik maakt.

2.8.

De conclusie is dat de grieven van [appellant] in zoverre slagen, dat de in eerste aanleg uitgesproken veroordeling zal worden beperkt tot de ramen op de eerste verdieping. Gelet op deze uitkomst, waarbij beide partijen deels in het gelijk worden gesteld, zullen de kosten van beide instanties worden gecompenseerd als hierna te bepalen.

4 Beslissing

Het hof:

- vernietigt het bestreden vonnis;

en opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt [appellant] en [appellante] hoofdelijk binnen één maand na betekening van dit arrest alle ramen op de bovenverdieping aan de achterkant van het gebouw gelegen op het perceel W450 ondoorzichtig en vaststaand te maken;

- bepaalt dat [appellant] en [appellante] voor iedere dag dat zij in strijd handelen met het hierboven bepaalde, aan [geïntimeerde] een dwangsom verbeuren van € 500,-- per dag, tot een maximum van € 50.000,--;

- bepaalt dat ieder der partijen de eigen kosten draagt, zowel van de eerste aanleg als van het hoger beroep;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Huijzer, J.C. Toorman en E.M. Polak en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2014.