Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4589

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-11-2014
Datum publicatie
21-11-2014
Zaaknummer
200.133.684-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Consumentenkoop kreupele pony. Ontbinding koopovereenkomst. Schadevergoedingsplicht. Toerekening tekortkomingen aan verkoper.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.133.684/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 413605 CV EXPL 12-3385

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 november 2014

inzake

1 [appellante ] en

2. [appellant ],

beiden wonend te [woonplaats 1], gemeente [gemeente 1],

appellanten in principaal appel,

tevens incidenteel geïntimeerden,

advocaat: mr. K. Dirlik te Alkmaar,

tegen

[geïntimeerde] ,

(mede) handelend onder de naam Stal [X],

wonend te [woonplaats 2], gemeente [gemeente 2],

geïntimeerde in principaal appel,

tevens incidenteel appellant,

advocaat: mr. J.P Schrale-Oranje te Roden.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellanten]en [geïntimeerde] genoemd.

[appellanten]zijn bij dagvaarding van 30 juli 2013 in hoger beroep gekomen van vonnissen van de rechtbank Noord-Holland, Afdeling Privaatrecht, Sectie Kanton, locatie Hoorn, hierna: de kantonrechter, van 4 maart 2013 (hierna: het tussenvonnis) en 13 mei 2013 (hierna: het eindvonnis), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellanten]als eisers en [geïntimeerde] als gedaagde. Bij tussenarrest van 24 september 2009 is een comparitie van partijen gelast die op 18 november 2013 heeft plaatsgevonden. Een minnelijke regeling is niet tot stand gekomen.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, tevens akte houdende wijziging eis, met producties;

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellanten]hebben in principaal appel hun eis gewijzigd en geconcludeerd dat het hof het bestreden eindvonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 5.446,89 (althans een door het hof vast te stellen bedrag) te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de respectieve data van betaling van de in het desbetreffende schadeoverzicht en de bankafschriften genoemde bedragen (subsidiair vanaf een door het hof vast te stellen dag) tot de dag der voldoening, met beslissing over de proceskosten.

[geïntimeerde] heeft in principaal appel geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen, met beslissing over de proceskosten, en in incidenteel appel tot vernietiging van het eindvonnis en tot alsnog afwijzing van (het hof begrijpt:) de door [appellanten]gevorderde verklaring voor recht dat de overeenkomst tussen partijen is ontbonden en veroordeling van [appellanten] mee te werken aan de gevolgen van het terugdraaien van die ontbinding, met beslissing over de proceskosten.

In het incidenteel appel hebben [appellanten]geconcludeerd – kort gezegd – tot verwerping daarvan, andermaal met beslissing over de proceskosten.

[appellanten]hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Beoordeling

2.1

Het gaat in deze zaak om het volgende.

( i) [geïntimeerde] staat in het handelsregister ingeschreven als eigenaar van een onderneming die onder meer een paardenpension en –rusthuis drijft. Incidenteel verkoopt hij in het kader van die onderneming paarden of koopt ze in. Het bedrijf heeft een website ([Y]). De website kent een kopje “te koop”. Onder dit kopje werd, voor zover van belang, op enig moment in 2012 een pony genaamd [A] (hierna: de pony) te koop aangeboden.

(ii) [appellanten]hebben op 27 maart 2012 [geïntimeerde] aangeschreven via het op de website vermelde e-mailadres [Z] met de vraag of de pony nog te koop was, of deze geschikt was om wedstrijden mee te rijden door een meisje van 8 jaar met reuma (hof: hun dochter) en wat de vraagprijs was.

(iii) [geïntimeerde] heeft daarop geantwoord dat [appellanten]met hun dochter welkom waren ten behoeve van het berijden van de pony in de rijhal van [geïntimeerde] en dat de vraagprijs € 1.750,- bedroeg.

(iv) [appellanten]zijn enige dagen later naar het bedrijf van [geïntimeerde] toegereden en appellant sub 1, [appellant ], heeft toen in het kantoor van [geïntimeerde] met [geïntimeerde] onderhandeld over de prijs voor de pony, die vervolgens is bepaald op € 1.400,-.

( v) De koopsom is betaald en de pony is nadien door [appellanten]meegenomen.

(vi) Na per e-mail aan [geïntimeerde] kenbaar te hebben gemaakt dat de pony afwijkingen bij het lopen vertoonde, hebben [appellanten]bij brief van 3 mei 2012 van hun gemachtigde aan [geïntimeerde] te kennen gegeven dat de pony kort na aankoop tekenen van kreupelheid vertoonde en dat de pony niet geschikt was om te worden bereden door hun dochter. Zij hebben in die brief de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden, om reden dat de pony niet voldeed aan de verwachtingen die [appellanten]op grond van de overeenkomst mochten hebben en blijvend ongeschikt was voor het doel waarvoor zij was gekocht. [appellanten]hebben daarbij tevens aanspraak gemaakt op terugbetaling van de koopprijs van de pony en op schadevergoeding, bestaande uit onder meer kosten voor stalling, dierenarts en extra lesgeld voor de dochter.

(vii) [geïntimeerde] is niet tot (terug)betaling van die bedragen overgegaan.

2.2

In eerste aanleg hebben [appellanten]gevorderd dat de kantonrechter voor recht zou verklaren dat de overeenkomst op goede gronden was ontbonden en [geïntimeerde] zou veroordelen aan hen de koopsom van de pony terug te betalen alsmede hun schade te vergoeden, alsmede tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure.

2.3

De kantonrechter heeft bij eindvonnis de gevorderde verklaring voor recht gegeven en [geïntimeerde] veroordeeld tot terugbetaling aan [appellanten]van de koopsom van de pony. Tevens heeft hij [geïntimeerde] veroordeeld om aan [appellanten]buitengerechtelijke incassokosten tot een bedrag van € 210,- te betalen en [geïntimeerde] in de proceskosten veroordeeld. De vordering van [appellanten]tot vergoeding van hun schade heeft de kantonrechter afgewezen omdat hij onvoldoende grondslag aanwezig achtte om te oordelen dat te dezen sprake was van een tekortkoming die aan [geïntimeerde] moest worden toegerekend.

2.4

Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen [appellanten]in principaal appel en [geïntimeerde] in incidenteel appel met hun grieven op. Partijen hebben geen grieven gericht tegen het tussenvonnis, noch tot vernietiging daarvan geconcludeerd, zodat het hof begrijpt dat zij beoogd hebben het hoger beroep te beperken tot het eindvonnis.

2.5

Het hof ziet aanleiding eerst de grieven in incidenteel appel te bespreken. [geïntimeerde] betoogt ten eerste dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat er sprake is van een consumentenkoop, nu - volgens [geïntimeerde] - zijn dochter [B] eigenaar en verkoper van de pony is geweest. Als daar al anders over moet worden gedacht, dan nog is er geen sprake van professionele verkoop omdat [geïntimeerde] zich niet professioneel bezig houdt met de handel in paarden, aldus [geïntimeerde].

2.6

De vraag tussen welke partijen de overeenkomst tot stand is gekomen moet worden beantwoord aan de hand van de zin die [appellanten]en [geïntimeerde] in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen aan elkaars verklaringen en gedragingen en aan de hand van hetgeen zij te dien aandien over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In dit verband kunnen ook gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst van belang zijn voor de betekenis die daaraan moet worden gegeven.

2.7

Toepassing van bovenstaande maatstaf leidt tot de gevolgtrekking dat de grief faalt. Hiertoe is het volgende bepalend. [geïntimeerde] heeft een paardenpension en – rusthuis. Op de website van zijn bedrijf worden, zij het mogelijk incidenteel, paarden te koop aangeboden. Ook de pony is via een annonce op die website te koop aangeboden. Nadat [appellanten]met [geïntimeerde] via het e-mailadres van diens bedrijf contact over de pony hadden opgenomen is [geïntimeerde] met [appellanten]via dat e-mail adres blijven communiceren over de aankoop daarvan en over de vraagprijs. Hij heeft [appellanten]en hun dochter op zijn bedrijf uitgenodigd voor een bezichtiging van de pony en een proefrit daarmee. Die hebben aldaar ook daadwerkelijk plaatsgehad. [geïntimeerde] heeft ten kantore aldaar tevens de onderhandelingen met [appellant ] over de uiteindelijk te betalen koopprijs gevoerd. Uit al deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien volgt dat [appellanten]redelijkerwijs hebben mogen begrijpen de overeenkomst te sluiten met [geïntimeerde], handelend in het kader van zijn onderneming, en niet met diens dochter, zoals zij ook hebben gesteld. Aanwijzingen die het voorgaande bevestigen zijn verder dat nadat [appellanten]tegenover [geïntimeerde] klachten hadden geventileerd over de pony (via eerdergenoemd e-mailadres), [geïntimeerde] ook toen via dat adres met [appellanten]is blijven communiceren en hen een concept “terugkoopovereenkomst” heeft toegezonden met daarop vermeld Stal [X] en familie [appellanten] als partijen. Aan het voorgaande doet niet af dat [geïntimeerde] tegen [appellanten]heeft gezegd, zoals hij onderbouwt met verklaringen van zijn dochter [B], [C] en [D], dat de pony van zijn dochter [B] was en dat zij deze verkocht (welke laatste stelling overigens door [appellanten]is betwist), nu hij in dit verband verder niet heeft onderbouwd dat niet hij, maar zijn dochter (juridisch) eigenaar van de pony was noch heeft aangevoerd dat hij bij de desbetreffende verkoop als wettelijk vertegenwoordiger van zijn toen 14-jarige dochter betrokken was en zich aldus heeft gepresenteerd. Indien de dochter [B] immers daadwerkelijk eigenaar en verkoopster van de pony was geweest, had dat gelet op haar (uit haar minderjarigheid voortvloeiende) handelingsonbekwaamheid ter zake voor de hand gelegen. [appellanten]hebben gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden uit dergelijke uitlatingen in elk geval niet moeten of kunnen afleiden dat zij de koopovereenkomst niet met [geïntimeerde] maar met zijn dochter sloten. Dit leidt tot de conclusie dat [geïntimeerde] de pony heeft verkocht in de uitoefening van zijn bedrijf, ook al hield hij zich niet uitsluitend of overwegend met de handel in paarden bezig, en dat [appellanten], zijnde natuurlijke personen die niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelden, daarop ook mochten vertrouwen. De bepalingen van consumentenkoop (artikel 7:5 BW ev.) zijn derhalve op de koopovereenkomst van toepassing.

2.8

Verder richt [geïntimeerde] zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat er sprake is van non-conformiteit van de pony. Immers, de oorzaak van de klachten met betrekking tot de pony staat niet vast, noch of deze van blijvende aard zijn, zo voert hij aan. [geïntimeerde] betwist dat sprake is van een gebrek en dat een eventueel gebrek is ontstaan vóór de levering. Een en ander neemt de kantonrechter, het bewijsvermoeden hanterend dat geldt bij consumentenkoop, volgens hem ten onrechte aan. [appellanten]zijn bovendien tekort geschoten in hun onderzoeksplicht en kunnen zich daarom niet meer op de ontbinding beroepen, aldus steeds [geïntimeerde].

2.9

[geïntimeerde] heeft op zichzelf de juistheid van de klachten van [appellanten]omtrent de pony niet dan wel onvoldoende bestreden. Deze klachten worden ook aangeduid in een door [appellanten]overgelegde verklaring van de dierenarts [E] van

1 mei 2012, waaruit volgt dat de pony korte tijd na de aankoop extreme pijn had in de rug en ongeschikt was als rijpony voor een beginnend ruiter. Ook volgt dit uit de verklaring van [F], instructrice van de manege waar de dochter van [appellanten]de pony op stal heeft gezet en haar eerste les daarmee heeft gereden. [F] spreekt zelfs over kreupelheid. Op 8 juni 2012 heeft de dierenarts [I] de pony onderzocht. Ook hij constateert in zijn verklaring van 25 juni 2012 dat de pony dergelijke klachten vertoont. Hij schrijft deze toe aan ernstige darm- en nierproblemen die al langere tijd aanwezig zijn. De stelling van [geïntimeerde] in dit verband dat bij gebreke van deugdelijke identificatie niet blijkt dat daadwerkelijk de pony [A] is onderzocht, hoewel de arts deze naam noemt in zijn verklaring - welke stelling de onwaarschijnlijkheid impliceert dat [appellanten]valselijk en in strijd met de waarheid een andere pony met soortgelijke klachten door deze arts hebben doen onderzoeken -, moet als onvoldoende onderbouwd van de hand worden gewezen. Dat de dierenarts [H] volgens zijn verklaring van 11 februari 2014 op 17 oktober 2013 een bloedonderzoek heeft gedaan en heeft geconcludeerd dat de daaruit gebleken waardes wijzen op een parasitaire infectie, opgelopen in dat jaar of het jaar daarvoor, is in dit verband evenmin voldoende om aan de conclusies van voornoemde [E], [F] en [I] af te kunnen doen. Niet in geschil is verder dat voor [geïntimeerde] duidelijk was dat de pony door [appellanten]is gekocht om door hun 8-jarige, aan reuma lijdende, dochter te worden bereden. In zoverre moet dan ook worden geoordeeld dat sprake is van een gebrek bij de pony omdat deze daarvoor niet geschikt was. Volgens artikel 7:18 lid 2 BW wordt bij een consumentenkoop vermoed dat de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord, indien de afwijking van het overeengekomene zich binnen een termijn van zes maanden na aflevering openbaart, tenzij de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich daartegen verzetten. Dat de aard van de zaak of de afwijking zich verzet tegen dit vermoeden, is onvoldoende onderbouwd. Dat de oorzaak van de klachten niet duidelijk is en of die oorzaak vóór de levering van de pony is ontstaan, is in dit verband dus niet relevant, nog daargelaten dat op grond van voornoemde verklaring van [I] voldoende aannemelijk is welke oorzaak de klachten hadden en dat deze zijn ontstaan vóór de koop. De conclusie is dan ook dat de pony bij aflevering niet heeft beantwoord aan de overeenkomst.

2.10

Dat [appellanten]een onderzoeksplicht hadden, ertoe strekkend dat van hen gevergd kon worden bij de aankoop van de pony een (klinische) aankoopkeuring te laten verrichten is een onterechte aanname van [geïntimeerde]. Bij een consumentenkoop geldt een dergelijke verplichting om naar niet zichtbare gebreken onderzoek te doen, in zijn algemeenheid niet, nog daargelaten dat de gestelde onderzoeksplicht niet afdoet aan de eigen tekortkoming van [geïntimeerde].

2.11

De slotsom is dat [appellanten]terecht de koopovereenkomst hebben ontbonden. [geïntimeerde] had aan die ontbinding onvoorwaardelijk dienen mee te werken. Dat hij dat heeft nagelaten moet voor zijn rekening en risico komen.

2.12

[geïntimeerde] heeft verder gegriefd tegen de toewijzing door de kantonrechter van de door [appellanten]gevorderde buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 210,-. Volgens hem heeft de gemachtigde van [appellanten]maar twee brieven geschreven die dienden ter voorbereiding van het dossier en om te kijken of een schikking mogelijk was en hebben [appellanten]bovendien een rechtsbijstandverzekering. Het hof stelt vast dat [appellanten]al in eerste aanleg hebben duidelijk gemaakt dat meer kosten zijn gemaakt dan [geïntimeerde] stelt, te weten kosten ten behoeve van correspondentie, telefoongesprekken, besprekingen en het bestuderen van stukken om tot een oplossing buiten rechte te komen. Dat deze werkzaamheden hebben plaatsgevonden blijkt genoegzaam uit het dossier. De omstandigheid dat [appellanten]voor rechtsbijstand zijn verzekerd staat niet aan toewijzing van de vordering ter zake buitengerechtelijke kosten in de weg. De incidentele grieven falen.

2.13

[appellanten]richten zich in principaal appel met twee grieven tegen het oordeel van de kantonrechter dat hun vordering tot schadevergoeding moet worden afgewezen omdat hij onvoldoende grond ziet dat de tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst aan [geïntimeerde] moet worden toegerekend.

2.14

Nu vaststaat dat [geïntimeerde] is tekort gekomen in de nakoming van de overeenkomst dient hij de daardoor opgetreden schade aan [appellanten]te vergoeden, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. Anders dan [geïntimeerde] meent rust op hem de stelplicht en bewijslast dat van toerekenbaarheid van de tekortkoming geen sprake is, omdat hij zich op de rechtsgevolgen van een dergelijke uitzonderingssituatie beroept. [geïntimeerde] heeft in dat verband - voor zover hier relevant - naar voren gebracht dat hij geen onjuiste informatie over de pony heeft verschaft, hij niet bekend was met kreupelheidsproblemen van de pony en dat zulke problemen tijdens het proefrijden ook niet aan het licht zijn gekomen, terwijl voorts uit de verklaring van de dierenarts [H] van 11 februari 2014 evenmin is gebleken dat de pony toen, op een niet relevante worminfectie na, niet gezond was.

Met betrekking tot de verklaring van [H] is hiervoor al overwogen dat deze onvoldoende is om af te doen aan de constateringen van [E], [F] en [I]. Deze omstandigheden brengen gelet hierop, maar ook overigens, noch op zichzelf, noch in samenhang met elkaar beschouwd, mee dat volgens geldende verkeersopvattingen de tekortkoming niet aan [geïntimeerde] zou kunnen worden toegerekend. [geïntimeerde] dient dan ook de schade die [appellanten]ten gevolge van de tekortkoming hebben geleden te vergoeden. De kantonrechter heeft dit, zoals [appellanten]terecht betogen, miskend. De grieven in principaal appel slagen in zoverre en het vonnis waarvan beroep dient mitsdien op dit onderdeel te worden vernietigd.

2.15

[appellanten] hebben vergoeding gevorderd van € 5.446,89 aan schade bestaande uit in de periode van april 2012 tot en met juni 2013 (toen de pony weer door [geïntimeerde] is opgehaald) betaalde kosten voor

-stalling;

-eigen landje;

-toeslag rijlessen;

-dierenarts en entingen;

-hoefsmid;

-gebruik pony van derde.

[geïntimeerde] heeft de schade betwist. Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat [appellanten]niet hebben willen meewerken aan de voorwaarden die hij stelde voor zijn medewerking aan de ontbinding van de overeenkomst, zodat de kosten zijn opgelopen. [appellanten]hebben om die reden niet aan hun schadebeperkingsplicht voldaan, aldus [geïntimeerde]. Hiervoor is echter al overwogen dat het niet aan [geïntimeerde] was om op dit punt voorwaarden te stellen, zodat deze argumenten niet opgaan. Verder heeft hij aangevoerd dat diverse kosten ook gemaakt zouden zijn indien [appellanten]een andere pony hadden aangeschaft. Nu [appellanten] geen andere pony hebben gekocht en daarvan dus geen sprake is, snijdt dit argument evenmin hout. Zulks geldt temeer nu [appellanten], als ze een andere pony gekocht zouden hebben, die pony zouden hebben kunnen gebruiken als rijpony voor hun dochter, terwijl [A], zoals hiervoor is overwogen, onbruikbaar was. De omstandigheid dat het schadebedrag beduidend hoger is dan de aankoopprijs van de pony is evenmin redengevend om niet tot toewijzing over te kunnen gaan, zeker in het onderhavige geval waar het de koop van levende have betreft en de schadeposten onder meer kosten van stalling en kosten van een dierenarts betreffen. Voor zover [geïntimeerde] bezwaar maakt tegen de kosten van de dierenarts [I] en [E] op de grond dat niet vaststaat dat de pony [A] is onderzocht is hiervoor daarover genoeg gezegd (het zijn niet onderbouwde stellingen) om ook dit bezwaar van de hand te wijzen. Wel is terecht bezwaar gemaakt tegen de posten “toeslag rijles” en “gebruik pony derde” omdat [appellanten]deze kosten ook had moeten maken indien zij de pony ([A]) niet hadden gekocht. Het hof zal deze posten in mindering brengen op het gevorderde schadebedrag. Voor het overige

(€ 4.177,89) is de vordering tot schadevergoeding voldoende onderbouwd, onvoldoende betwist en mitsdien toewijsbaar.

3 Slotsom en conclusie

De grieven in incidenteel appel falen en die in principaal appel slagen (grotendeels). Voor bewijslevering is geen plaats omdat geen bewijs is aangeboden van concrete feiten en omstandigheden die - indien bewezen - tot een ander dan het voorgaande oordeel kunnen leiden. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd voor zover de gevorderde schadevergoeding is afgewezen en voor het overige worden bekrachtigd. De wettelijke rente over de te betalen schadevergoeding zal worden toegekend vanaf de dag van de dagvaarding in eerste aanleg tot aan de dag van voldoening over € 1.074,18 (het op die datum gevorderde en thans toegewezen bedrag) en vanaf de dag van de dagvaarding in hoger beroep tot de dag van voldoening over het restant van € 3.103,71 (het op die datum in hoger beroep meer gevorderde en daarvan toegewezen bedrag). [geïntimeerde] zal als voor het grootste deel in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in principaal en incidenteel appel.

4 Beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel appel:

vernietigt het (eind)vonnis waarvan beroep - uitsluitend - voor zover daarbij de vordering van [appellanten]tot vergoeding van schade is afgewezen

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] aan [appellanten]te betalen een bedrag van in totaal € 4.177,89, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 september 2012 tot de dag van de voldoening over € 1074,18 en vanaf 30 juli 2013 tot de dag van voldoening over

€ 3.103,71;

bekrachtigt het (eind)vonnis waarvan beroep voor het overige;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in principaal en incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellanten]begroot in principaal appel op € 377,34 aan verschotten en € 1.264,- voor salaris en in incidenteel appel op € 316,- voor salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordelingen is voldaan;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.M.A. Verscheure, W.H.F.M. Cortenraad en L.A.J. Dun en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 4 november 2014.