Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4588

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-11-2014
Datum publicatie
21-11-2014
Zaaknummer
200.110.340-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding na energiegebruik buiten meter om i.v.m. hennepteelt. Vaststelling aantal oogsten. Omvang dwingend bewijs van strafrechtelijk vonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.110.340/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 1285197 CV EXPL 11-31518

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 november 2014

inzake

[appellant],

wonend te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. M.R.P. Hoppenbrouwers te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap LIANDER N.V.,

gevestigd te Arnhem,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.G. Keizer te Amersfoort.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Liander genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 5 juli 2012 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 6 april 2012, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen Liander als eiseres en [appellant] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 17 september 2014 doen bepleiten door hun in de aanhef van dit arrest genoemde advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Liander heeft bij die gelegenheid nog producties in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vordering van Liander zal afwijzen, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten.

Liander heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met

- uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.14 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1

Het gaat in deze zaak om het volgende:

a. Tussen Liander en [appellant] is een overeenkomst gesloten op grond waarvan elektriciteit is getransporteerd naar de door [appellant] bewoonde woning.

b. Op 7 april 2011 heeft de politie een hennepplantage in de woning van [appellant] aangetroffen.

c. Een fraudespecialist van of namens Liander heeft op verzoek van en in samenwerking met de politie een onderzoek ingesteld naar de meetinrichting in de woning van [appellant]. Hieruit is gebleken dat energiefraude heeft plaatsgevonden.

d. Er is een “opnameformulier energiefraude” opgemaakt. Hierin is onder meer vermeld: “Eerdere oogsten: in overleg met [X], politieambtenaar, zijn wij tot de slotsom gekomen dat hier vermoedelijk tenminste 3keer eerder is geoogst. Dit is gebaseerd op: zeer vuil kweekruimet, vuilkoolstoffilter (doek reeds vervangen), knipschaartjes met dikke laag hennep aanslag, zeer vuil rotorbladen van ventilator, dikke laag stof in deursponning.”

3.2

De kantonrechter heeft op vordering van Liander [appellant] in eerste aanleg veroordeeld tot betaling van € 3.889,50 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2011 tot aan de dag van de voldoening, € 600,- aan buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. Hij heeft daartoe overwogen dat Liander schade heeft geleden doordat [appellant] in strijd met de transportovereenkomst tussen partijen heeft gehandeld, te weten door het buiten de meter om betrekken van energie ten behoeve van het telen van hennep. De kantonrechter is bij het bepalen van de hoogte van de schade uitgegaan van een aangetroffen kweek van 50 dagen oud en drie eerdere oogsten. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zijn grieven op.

3.3

Grief I strekt ten betoge dat in tegenstelling tot hetgeen de kantonrechter heeft aangenomen, uitgangspunt bij de beoordeling van de vordering van Liander dient te zijn dat naast de aangetroffen oogst (van 50 dagen oud) slechts één eerdere oogst heeft plaatsgevonden. [appellant] stelt ter toelichting op dit standpunt dat hij in deze kwestie door de politierechter - overeenkomstig de ter zitting door de officier van justitie gewijzigde tenlastelegging waarin de periode waarover de diefstal van elektriciteit zou hebben plaatsgevonden is beperkt - is veroordeeld voor diefstal van elektriciteit in de periode van 1 december 2010 tot en met 7 april 2011. Nu het vonnis van de politierechter in kracht van gewijsde is gegaan en ingevolge artikel 161 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) dwingende bewijskracht heeft, kan gelet op de bewezenverklaarde periode geen sprake zijn van drie oogsten voorafgaande aan de aangetroffen kweek, zodat het bestreden vonnis reeds daarom niet in stand kan blijven. Uitgaande van het vonnis van de politierechter kan slechts sprake zijn van de aangetroffen kweek en één eerdere oogst, aldus [appellant].

3.4

Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 161 Rv levert het vonnis van de politierechter van 6 april 2012 dwingend bewijs op van hetgeen hij heeft bewezen verklaard, nu het vonnis op tegenspraak is gewezen en in kracht van gewijsde is gegaan. De politierechter heeft echter, zoals Liander ook aanvoert, niets vastgesteld over de vraag of [appellant] gedurende een langere periode dan de bewezen verklaarde (te weten een periode die daaraan vooraf ging) zich ook aan dergelijke diefstal heeft schuldig gemaakt. Zoals [appellant] opmerkt, maakte die periode immers geen onderdeel uit van de tenlastelegging op basis waarvan de politierechter had te oordelen. Het uitgangspunt van [appellant] dat op grond van het vonnis vaststaat dat hij slechts gedurende de bewezen verklaarde periode elektriciteit heeft gestolen, berust dan ook op een verkeerde uitleg van het door hem aangehaalde artikel 161 Rv.

3.5

Liander heeft haar stellingen dat [appellant] ook in de periode die voorafging aan de door de politierechter bewezen verklaarde periode - te weten vanaf juli 2010 - wanprestatie heeft gepleegd, onderbouwd, onder meer door verwijzing naar de aangifte die zij bij de politie heeft gedaan en de bij deze aangifte behorende bijlage, alsmede naar voormeld opnameformulier energiefraude. In dit formulier is gemotiveerd waarom de rapporteur in samenspraak met een politieambtenaar tot de conclusie is gekomen dat sprake is van ten minste drie eerdere oogsten, hetgeen volgens Liander tot de conclusie leidt dat de hennepkwekerij vanaf juli 2010 actief moet zijn geweest. Deze stellingen van Liander worden ondersteund door hetgeen [appellant] in zijn conclusie van antwoord naar voren heeft gebracht, te weten dat hij in de zomer van 2010 door derden is benaderd met het verzoek een hennepplantage in zijn huis te mogen onderbrengen en dat hij daarin heeft toegestemd. Gelet op de conclusies uit het opnameformulier is niet aannemelijk dat, zoals [appellant] stelt, pas in december 2010 voor de eerste maal hennep is geoogst. [appellant] heeft deze stelling verder ook niet onderbouwd, hetgeen tegenover het gemotiveerde standpunt van Liander wel op zijn weg had gelegen. In de kern betoogt [appellant] immers niet anders dan dat de stellingen van Liander moeten worden verworpen gelet op de beperkte duur van de bewezen verklaarde periode. Op grond van het voorgaande moet, anders dan [appellant] meent, worden geoordeeld dat hij in de periode van juli 2010 tot en met

7 april 2011 buiten de meter om elektriciteit heeft weggenomen en in zoverre is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen voortvloeiende uit de tussen partijen gesloten overeenkomst. De aard van dit tekortschieten brengt mee dat de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, zodat zij overeenkomstig artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dient te worden geschat. Liander heeft ter onderbouwing van haar stelling dat ten minste sprake is geweest van drie eerdere oogsten naast de hiervoor onder 3.1 onder d genoemde omstandigheden gewezen op het aantreffen van hennepafval van een eerdere oogst in vuilniszakken op de grond, aarde-afval die ontstaat doordat bij een nieuwe kweek de aarde vervangen moet worden, lege voedingsflessen en 340 lege gebruikte plantenpotten waarin eerder hennepplanten moeten zijn gekweekt. Volgens Liander blijkt uit deze aangetroffen omstandigheden - in het bijzonder de aanwezigheid van 340 lege gebruikte plantenpotten terwijl de aangetroffen kweek 106 planten telde - dat ten minste drie eerdere oogsten zijn gekweekt. [appellant] heeft deze door Liander aan de berekening van haar vordering ten grondslag gelegde uitgangspunten onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat het hof - bij wijze van schatting - de door Liander gemaakte berekening zal volgen. Dit leidt ertoe dat grief I faalt.

3.6

Voor zover grief II zich richt tegen de veroordeling tot betaling van de hoofdsom faalt de grief op grond van het hiervoor overwogene. Voor zover de grief klaagt over de veroordeling tot betaling van de buitengerechtelijke kosten faalt deze eveneens omdat die klacht niet van een toelichting is voorzien.

3.7

Voor bewijslevering is geen plaats omdat geen bewijs is aangeboden van concrete feiten en omstandigheden die - indien bewezen - tot een ander oordeel kunnen leiden.

3.8

De slotsom is dat de grieven falen en dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Liander begroot op € 666,-aan verschotten en € 1896,- voor salaris;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.F. Thiessen, L.A.J. Dun en M.L.D. Akkaya en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 4 november 2014.