Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4582

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-11-2014
Datum publicatie
02-05-2017
Zaaknummer
200.122.321-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenarrest. Zie ECLI:NL:GHAMS:2017:1045.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.122.321/011

rol- en zaaknummers rechtbank Amsterdam, sector kanton: 1370281 DX EXPL 11-363

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 november 2014

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

APPELLANTE,

advocaat: mr. I.M.C.A Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk.

1 Het geding in hoger beroep

1.1

Partijen worden hierna Dexia en [geïntimeerde] genoemd.

1.2

Dexia is bij dagvaarding van 19 december 2012 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 17 oktober 2012, in deze zaak gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en Dexia als gedaagde.

1.3

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Ten slotte is arrest gevraagd.

1.4

Dexia heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis vernietigt, de vorderingen van

[geïntimeerde] alsnog afwijst, [geïntimeerde] veroordeelt om aan Dexia terug te betalen hetgeen zij ter voldoening van het vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 november 2012 en de openstaande vorderingen van Dexia op [geïntimeerde] toewijst, vermeerderd met de wettelijke rente, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met rente en nakosten.

1.5

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd dat het hof het beroep verwerpt en Dexia veroordeelt in de kosten van het hoger beroep.

2 Feiten

Geen geschil bestaat omtrent de juistheid van de door de kantonrechter in het vonnis onder 2.1 tot en met 2.5 opgesomde feiten, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen.

3 Beoordeling

3.1

Het gaat in deze zaak om zeven leaseovereenkomsten gesloten in de jaren 1997 tot en met 2001 tussen [geïntimeerde] en (een rechtsvoorgangster van) Dexia. Daarvan zijn drie leaseovereenkomsten verlengd. Dexia heeft met betrekking tot deze leaseovereenkomsten eindafrekeningen opgesteld. Vijf leaseovereenkomsten eindigden met een restschuld en twee hadden een (klein) positief resultaat. [geïntimeerde] was ten tijde van het aangaan van de leaseovereenkomsten gehuwd met [X] . Zij heeft voor het sluiten van de overeenkomsten geen schriftelijke toestemming verleend. Bij brief van 13 juni 2005 heeft zij de leaseovereenkomsten vernietigd met een beroep op artikel 1:89 BW.

3.2

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat de leaseovereenkomsten zijn vernietigd, althans dat de kantonrechter deze vernietigt, en dat Dexia wordt veroordeeld tot terugbetaling van al hetgeen hij onder de leaseovereenkomsten heeft betaald, vermeerderd met rente, en dat een eventuele registratie bij het Bureau Kredietregistratie te Tiel ongedaan wordt gemaakt. De kantonrechter heeft deze vorderingen toegewezen.

3.3

Tegen de toewijzing van de vorderingen en de gronden waarop zij berust komt Dexia met twee grieven op.

3.4

Grief I richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat de leaseovereenkomsten zijn vernietigd door de brief van de echtgenote van [geïntimeerde] . Dexia stelt daartoe, kort samengevat:

(i) dat de twee eerste leaseovereenkomsten in haar opsomming - met de contractnummers [nummer 1] en [nummer 2] - niet in de brief van 13 juni 2005 zijn genoemd, zodat de brief die overeenkomsten niet kan hebben vernietigd, terwijl de bevoegdheid tot vernietiging van deze twee overeenkomsten, dat voor het eerst bij dagvaarding is gedaan, is verjaard,

(ii) dat de bevoegdheid tot vernietiging ten aanzien van de overige vijf leaseovereenkomsten is verjaard omdat de echtgenote van [geïntimeerde] de vernietigingsbrief heeft verstuurd meer dan drie jaar nadat zij van het bestaan van die leaseovereenkomsten op de hoogte was, en

(iii) dat de vernietigingsbrief geen effect heeft gesorteerd ten aanzien van de drie verlengingsovereenkomsten. Ten aanzien van dit laatste stelt Dexia dat deze geen overeenkomsten van koop op afbetaling zijn en dus niet onder het bereik vallen van artikel 1:89 BW. De verlengingsovereenkomsten kunnen ook niet op de voet van artikel 6:229 BW als voortbouwende overeenkomsten vernietigd worden omdat het ontbreken van de onderliggende rechtsverhoudingen voor rekening van [geïntimeerde] dient te blijven. Verder is niet binnen drie jaar een beroep op vernietiging is gedaan op grond van artikel 6:229 BW. De verlengingsovereenkomsten en de onderliggende leaseovereenkomsten zijn ook geen samenhangende overeenkomsten in de zin dat vernietiging van de leaseovereenkomsten noodzakelijkerwijs de vernietiging van de verlengingsovereenkomsten tot gevolg heeft.

3.5

Het hof ziet aanleiding om eerst de hiervoor genoemde stelling onder (iii) te behandelen.

3.6

Met de verlengingsovereenkomsten zijn (de rechtsvoorgangster van) Dexia en [geïntimeerde] overeengekomen om de betrokken leaseovereenkomsten te verlengen, in die zin dat [geïntimeerde] de verschuldigde kooprijs voor de aandelen pas op een later tijdstip behoeft te voldoen, waartegenover hij gedurende de uitgestelde periode maandelijks rente over de schuldig gebleven koopsom dient te betalen. De verlengingsovereenkomsten van de leaseovereenkomsten zijn dan ook geen zelfstandige overeenkomsten van huurkoop waarop art. 1:88 BW van toepassing is, en kunnen dus niet door de echtgenoot op grond van art. 1:89 BW worden vernietigd. Wel treft het beroep op de vernietiging van de leaseovereenkomsten mede de verlengingsovereenkomsten. In zoverre faalt deze grief dan ook.

3.7

Ten aanzien van de hiervoor genoemde stelling onder (ii) oordeelt het hof als volgt. De bevoegdheid tot vernietiging van een overeenkomst, waarvoor een echtgenoot krachtens artikel 1:88 BW de toestemming van de andere echtgenoot behoeft, wegens het ontbreken van deze toestemming verjaart door verloop van drie jaar nadat de bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan (naar volgt uit artikel 3:52, eerste lid aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89, eerste lid, BW). Voor het ten dienste komen te staan van de bevoegdheid tot vernietiging, en hiermee voor de aanvang van de verjaringstermijn, is bepalend wanneer de echtgenoot van wie de toestemming was vereist daadwerkelijk met het bestaan van de overeenkomst bekend is geworden. Na de voltooiing van de verjaringstermijn kan die echtgenoot de overeenkomst niet meer rechtsgeldig vernietigen. Het komt er dus op aan wanneer de echtgenote van [geïntimeerde] daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de leaseovereenkomsten die zij heeft bedoeld te vernietigen. [geïntimeerde] heeft betwist dat zijn echtgenote eerder dan eind 2002/begin 2003 kennis droeg van de leaseovereenkomsten.

3.8

De partij die een beroep doet op de verjaring van een bevoegdheid tot vernietiging van een overeenkomst, ten aanzien waarvan de wederpartij voldoende onderbouwd heeft aangevoerd dat een vernietigingsgrond is ingeroepen, dient feiten te stellen en, bij voldoende betwisting, te bewijzen waaruit de gegrondheid van dat beroep kan volgen. Het gaat daarbij, bij een verjaringstermijn zoals thans aan de orde, om feiten waaruit volgt dat de wederpartij met de overeenkomst bekend is geworden meer dan drie jaar voordat zij heeft gepoogd deze te vernietigen. Dexia heeft hiertoe onweersproken aangevoerd − onder meer − dat de bedragen die [geïntimeerde] op grond van de leaseovereenkomsten aan Dexia was verschuldigd, zijn betaald vanaf een gezamenlijke rekening van [geïntimeerde] en zijn echtgenote die op naam van beiden was gesteld (een zogeheten “en/of”-rekening). Het bestaan van de leaseovereenkomsten was daardoor, naar het hof voorshands van oordeel is, kenbaar uit de bankafschriften van de betrokken rekening, die mede aan de echtgenote van [geïntimeerde] waren gericht. Weliswaar heeft [geïntimeerde] gesteld dat uit deze bankafschriften niet viel op te maken "dat er overeenkomsten met Dexia waren gesloten", maar daarmee heeft hij onvoldoende concreet aangetoond dat zij daardoor niet bekend kon worden met het bestaan van de leaseovereenkomsten. Gelet op de datum waarop de eerste betaling aan Dexia op grond van de leaseovereenkomsten heeft plaatsgevonden, leidt Dexia hieruit af dat de echtgenote van [geïntimeerde] meer dan drie jaar voordat zij heeft gepoogd de leaseovereenkomsten te vernietigen met de leaseovereenkomsten bekend was.

3.9

De omstandigheden dat de betalingen aan Dexia op grond van de leaseovereenkomsten hebben plaatsgevonden vanaf een gezamenlijke rekening van [geïntimeerde] en zijn echtgenote, dat het bestaan van de leaseovereenkomsten daardoor kenbaar was uit bankafschriften van de betrokken rekening en dat de afschriften van die rekening mede aan zijn echtgenote waren gericht, maken het dusdanig aannemelijk dat zijn echtgenote met ingang van de ontvangstdatum van het oudste bankafschrift waarop een betaling ter zake van elk van de leaseovereenkomsten is vermeld met het bestaan van de leaseovereenkomsten bekend was, dat voorshands – behoudens door [geïntimeerde] te leveren tegenbewijs - moet worden geoordeeld dat Dexia is geslaagd in het bewijs van haar stelling dat de echtgenote van [geïntimeerde] meer dan drie jaar voordat zij heeft gepoogd de leaseovereenkomsten te vernietigen, met het bestaan daarvan bekend was. Het is daarom aan [geïntimeerde] om tegenbewijs te leveren van de gestelde bekendheid. Het hof zal hem hiertoe gelegenheid geven zoals hierna te melden.

3.10

In verband met het hiervoor overwogene is van belang de stelling van [geïntimeerde] dat zijn echtgenote ook al eerder, bij brief van 2 april 2003, een beroep heeft gedaan op vernietiging van een viertal leaseovereenkomsten. Deze brief heeft hij als productie 10 bij memorie van antwoord in het geding gebracht, evenals, als productie 13, het antwoord van Dexia bij brief van 8 april 2003. Nu Dexia zich nog niet heeft uitgelaten over deze producties, zal het hof haar om proceseconomische redenen daartoe in de gelegenheid stellen. Dexia heeft zich niet uitgelaten over de memorie van antwoord en de daarbij overgelegde producties. Het hof zal Dexia in de gelegenheid stellen dat alsnog te doen bij memorie na enquête, dan wel, mocht [geïntimeerde] zijn tegenbewijs niet wensen te leveren door getuigen, bij memorie houdende uitlatingen producties. Met name zijn relevant de stellingen dat [geïntimeerde] al eerder alle overeenkomsten heeft vernietigd en dat stuiting van de verjaring heeft plaats gevonden.

3.11

Bij die memorie kan Dexia zich dan tevens uitlaten over de betekenis van deze producties in verband met haar voornoemde stelling onder (i) dat de twee eerste leaseovereenkomsten niet in de brief van 13 juni 2005 zijn genoemd, alsmede over de stelling van [geïntimeerde] in alinea 3.6 van zijn memorie van antwoord, onder verwijzing naar productie 14 bij die memorie, dat de verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging door Stichting Eegalease is gestuit.

3.12

Met grief II vordert Dexia betaling door [geïntimeerde] van de restschulden waarin vijf van de leaseovereenkomsten hebben geresulteerd. Een reconventionele vordering als deze kan in hoger beroep niet voor het eerst worden ingesteld en het hof zal Dexia dan ook hierin niet ontvankelijk verklaren. Deze grief faalt derhalve.

3.13

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

laat [geïntimeerde] toe tot het leveren van tegenbewijs van het voorshands als bewezen aangenomen feit dat de echtgenote van [geïntimeerde] met het bestaan van de leaseovereenkomsten bekend is geworden meer dan drie jaar voordat zij de vernietiging bij brief van 13 juni 2005 heeft ingeroepen;

bepaalt dat als [geïntimeerde] dit bewijs wenst te leveren door getuigen een getuigenverhoor zal plaatshebben ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof, mr. D.J. Oranje, die daartoe zitting zal houden in één van de zalen van het Paleis van Justitie aan het IJdok 20 te Amsterdam op een nader te bepalen dag en uur;

verwijst de zaak naar de rol van 25 november 2014 voor opgave verhinderdata in de maanden december 2014 tot en met februari 2015;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, D.J. Oranje en H.O. Kerkmeester en in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 4 november 2014.