Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4574

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-11-2014
Datum publicatie
05-08-2016
Zaaknummer
23-002430-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestigt vonnis waarvan beroep, met dien verstande dat aanvullende overweging is opgenomen voor wat betreft de overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-002430-10

datum uitspraak: 4 november 2014

TEGENSPRAAK (na aanhouding raadsvrouw niet langer gemachtigd)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 mei 2010 in de strafzaak onder parketnummer 13-477001-05 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Dominicaanse Republiek) op [geboortedag] 1964,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 januari 2013 en 21 oktober 2014, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met dien verstande dat het hof de opgelegde straf met drie maanden zal verminderen, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof een aanvullende overweging opneemt ten aanzien van de motivering van de straf voor wat betreft de overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof constateert dat ook in de fase van het hoger beroep (opnieuw) sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Na de instelling van het hoger beroep op 1 juni 2010 is de appelschriftuur op 5 september 2012 ingediend en vond de eerste terechtzitting in hoger beroep op 15 januari 2013 plaats, waarbij in totaal ruim 31 maanden zijn verstreken. Vervolgens zijn op die zitting nadere onderzoeken bevolen welke op 4 november 2013 waren afgerond, waarna de behandeling van deze zaak is hervat op 21 oktober 2014. Het hof constateert dat hiermee sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn na het instellen van het hoger beroep tot de einduitspraak van dit hof van ruim 28 maanden.

Met de halvering van de passend geachte straf door de rechtbank, mede in verband met de in eerste aanleg geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn (naast het ontbreken van de GVO stukken in het dossier, waarvoor ook strafvermindering heeft plaats gevonden) acht het hof ook de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep voldoende verdisconteerd, zodat het hof volstaat met de constatering van deze overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, mr. H.W.J. de Groot en mr. L.C. Winkel, in tegenwoordigheid van mr. M. Boelens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 november 2014.