Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4568

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-11-2014
Datum publicatie
05-11-2014
Zaaknummer
200.135.908-01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht tegen een notaris. Klager heeft de klacht ingediend vanuit zijn rol als officier van justitie en wil getoetst hebben hoe een notaris dient te handelen als hij een kenbaar vermoeden heeft dat er geld wordt witgewassen. De kamer heeft de klacht van klager ongegrond verklaard. Het hof vernietigt de bestreden beslissing en verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klacht wegens gebrek aan belang.

Wetsverwijzingen
Wet op het notarisambt, geldigheid: 2014-11-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.135.908/01 NOT

nummer eerste aanleg : 517357/NT 12-25 J

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 4 november 2014

inzake

[klager],

officier van justitie, verbonden aan het arrondissementsparket te Amsterdam,

appellant,

tegen

[notaris],

notaris te [plaatsnaam],

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. B. Rol, advocaat te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant (hierna: klager) heeft op 22 oktober 2013 een beroepschrift bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Amsterdam (hierna: de kamer) van 24 september 2013 (ECLI:NL:TNOKAMS:2013:16). De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen geïntimeerde (hierna: de notaris) ongegrond verklaard.

1.2.

De notaris heeft geen verweerschrift bij het hof ingediend.

1.3.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 26 juni 2014. Klager, vergezeld van [X], jurist bij de civiele afdeling van het Openbaar Ministerie, en de notaris, vergezeld van mr. Rol zijn verschenen en hebben het woord gevoerd.

1.4.

Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt .

2 De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 De feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

3.2.

Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende.

3.2.1.

Klager is officier van justitie, verbonden aan het parket in Amsterdam (hierna: klager). Op 22 oktober 2010 heeft de deurwaarder op verzoek van klager ingevolge artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering twee registergoederen (hierna: de registergoederen) in beslag genomen.

3.2.2.

Bij vonnis van 28 juni 2011 heeft de Amsterdamse voorzieningenrechter beslist dat [B.V.] de registergoederen conform de in die procedure overgelegde akten dient te leveren aan [B.V.] (indirect bestuurder: [Y]). De voorzieningenrechter heeft (onder meer) overwogen:

“2.4. Desgevraagd heeft de officier van justitie de voorzieningenrechter bij e-mail van 20 juni 2011 laten weten dat het beslag van het Openbaar Ministerie er op is gericht om te zijner tijd tot verbeurdverklaring van het pand te komen. Voorts heeft de officier van justitie laten weten dat aan [Y] is medegedeeld dat van de zijde van het Openbaar Ministerie het vermoeden bestaat dat dit pand afkomstig is uit enig misdrijf en dat hij een risico van strafvervolging ter zake van opzet- of schuldwitwassen loopt wanneer hij dit pand (en de merkenrechten) voorhanden heeft of krijgt. Dit komt echter voor rekening en risico van [B.V.] en staat niet aan toewijzing van de vordering in de weg.”

3.2.3.

Bij brief van 4 juli 2011 verzoekt klager de notaris (onder meer) zijn “positie als (bijzondere) beslaglegger in ogenschouw te nemen” en hem “op de hoogte te houden omtrent het eventuele voornemen tot levering” van de registergoederen. Bij brief van 30 november 2011 vraagt klager de notaris (onder andere) of hij de onroerendgoedtransactie “nog in portefeuille heeft”.

3.2.4.

De levering van de registergoederen heeft op 15 december 2011 plaatsgevonden ten overstaan van de notaris.

3.2.5.

Bij brief van 4 januari 2012 heeft klager het volgende aan de notaris geschreven, voor zover hier van belang:

“Bij raadpleging van de Openbare Registers werd ik bekend van een door u op 15 december 2011 verleden “Akte van levering onder voorwaarden zonder kwijting” m.b.t. de registergoederen [adres] en [adres] te [plaatsnaam].

(…)

Indachtig vorenstaande meen ik dan ook dat ik belanghebbende ben bij de voornoemde door u verleden akte. Vanuit die positie verzoek ik u mij onderbouwd te informeren:

1) Vanuit welke redenatie u als notaris betrokken bent bij deze akte, naar uw mening mijn bijzondere positie als beslaglegger ten titel van verbeurdverklaring in voldoende mate heeft gewaarborgd; en

2) In hoeverre aan de verkoper enige zekerheid (in welke vorm en door wie en hoe dan ook) is verstrekt dat betaling door de koper zal plaatsvinden.

En voor zover daarvan geen sprake is:

3) In hoeverre het gebrek hieraan naar uw visie mijn positie als belanghebbende bij deze transactie niet aantast.”

3.2.6.

Bij brief van 30 januari 2012 heeft de notaris op de brief van klager van 4 januari 2012 gereageerd en kort gezegd aangegeven dat er naar zijn mening geen beslag is gelegd ten titel van verbeurdverklaring en dat hij in dat verband de door klager geschetste bijzondere positie als beslaglegger niet ziet.

4 Het standpunt van klager

4.1.

Klager verwijt de notaris dat hij zich onvoldoende heeft gerealiseerd wat de betekenis is van het door klager gelegd strafrechtelijk beslag, waardoor de notaris, gezien zijn onderzoeksplicht, niet zijn ministerie had mogen verlenen aan het passeren van de akte van 15 december 2011.

4.2.

De notaris heeft niet gereageerd op de brieven van klager van 4 juli 2011 en 30 november 2011.

4.3.

Klager meent dat de notaris met het welbewust medewerking verlenen aan het verlijden van de akte van 15 december 2011 in strijd heeft gehandeld met artikel 21 van de Wet op het notarisambt (Wna).

5 Het standpunt van de notaris

De notaris heeft verweer gevoerd. Het standpunt van de notaris wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

6 De beoordeling

6.1.

Het hof zal eerst ingaan op de vraag of klager kan worden ontvangen in zijn klacht. Het hof stelt daartoe het volgende voorop. Gelet op het tijdstip van indiening van de klacht (15 mei 2012) moet de ontvankelijkheid van klager worden beoordeeld naar het recht van vóór 1 januari 2013. Het hof verwijst naar zijn beslissingen van 12 november 2013 (ECLI:NL:GHAMS: 2013:4115) en 25 maart 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:922) en 15 juli 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:2763).

6.2.

Onder het begrip belanghebbenden als bedoeld in artikel 99 (oud) Wna (zoals dit artikel luidde ten tijde van de indiening van de klacht) moeten volgens de geldende jurisprudentie allereerst de partijen en rechthebbenden, zoals genoemd in de artikelen 49 en 49b (oud) Wna, worden begrepen. Vast staat dat klager geen partij is bij de onroerendgoedtransactie in 2011 noch aangemerkt kan worden als (rechts)persoon die een recht kan ontlenen aan de desbetreffende transportakte in de zin van laatstgenoemde artikelen. Er zijn echter situaties denkbaar waarin ook iemand die niet met zoveel woorden valt onder de categorieën genoemd in de artikelen 49 en 49b Wna bevoegd kan zijn tot het indienen van een tuchtrechtelijke klacht. Of een dergelijke situatie zich voordoet is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van de vraag of iemand, hoewel niet genoemd in bedoelde artikelen toch een (tot het indienen van een klacht bevoegde) belanghebbende is, speelt een doorslaggevende rol in hoeverre deze door het handelen of nalaten van een notaris zodanig in een eigen belang kan zijn getroffen dat deze, ter bescherming van dat belang de mogelijkheid moet hebben te klagen, of dat deze anderszins zo nauw betrokken is geweest bij het onderwerp dat in de klachtprocedure wordt behandeld dat daarin een belang is gelegen om in die procedure te verschijnen.

6.3.

Klager heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd geantwoord dat hij de klacht heeft ingediend vanuit zijn rol als officier van justitie en dat hij getoetst wil hebben hoe een notaris dient te handelen als hij een kenbaar vermoeden heeft dat er geld wordt witgewassen. Het gaat om het algemeen belang dat hier speelt. Naar de visie van het Openbaar Ministerie dient een notaris een rol te spelen om witwassen van geld tegen te gaan.

6.4.

De stelling van klager dat het de taak is van het notariaat om witwassen van geld tegen te gaan, is op zichzelf niet onjuist, maar naar het oordeel van het hof staat dit algemeen belang in een te ver verwijderd verband om van een eigen belang van klager bij het handelen van deze notaris te spreken. Het hof is dan ook van oordeel dat klager door het handelen van de notaris niet in een eigen belang is getroffen. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat klager zo nauw betrokken is (geweest) bij de handelwijze waar zijn klacht op ziet dat daarin reeds voldoende belang is gelegen om in zijn klacht te kunnen worden ontvangen. De stelling van klager dat zijn positie als beslaglegger door de onroerendgoedtransactie aanzienlijk is verslechterd, maakt, ook indien zij juist zou zijn, dit niet anders.

6.5.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof van oordeel is dat klager niet in zijn klacht kan worden ontvangen vanwege gebrek aan belang. Aangezien het hof tot een andere beslissing komt dan de kamer, zal het hof de beslissing van de kamer vernietigen.

6.6.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

6.7.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 De beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing;

en, opnieuw beslissende:

- verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klacht.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, J. Blokland en C.P. Boodt en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2014 door de rolraadsheer.