Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4556

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-10-2014
Datum publicatie
17-02-2015
Zaaknummer
200.140.420-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Incidentele vordering tot zekerheidstelling op de voet van art 224 lid 1 Rv. Onvoldoende onderbouwd dat de appellante geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.140.420/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/530750/HA ZA 12-1401

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 oktober 2014

inzake

[appellante] ,

wonend te [woonplaats],

appellante in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. K. Roderburg te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats],

geïntimeerde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat: mr. D.G. Peters te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna weer [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.

Op 15 juni 2014 heeft het hof een tussenarrest (in een eerder incident ex artikel 351 Rv) gewezen, waarnaar het hof verwijst.

Daarna hebben partijen de volgende stukken ingediend:

  • -

    akte houdende (nieuwe) incidentele vordering (ex artikel 224 Rv) met producties van de zijde van [geïntimeerde];

  • -

    memorie van grieven met een productie;

  • -

    antwoordconclusie in het incident van de zijde van [appellante].

Vervolgens is arrest gevraagd in het incident.

[geïntimeerde] heeft in het incident gevorderd dat [appellante] zekerheid zal stellen voor de - bij een bekrachtiging van het bestreden vonnis - te verwachten proceskosten, die tezamen met de reeds gemaakte proceskosten in eerste aanleg en ter zake van een gevoerd kort geding in totaal € 7.103,37 bedragen, althans voor een ander door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, in de vorm van een depotstorting op de derdengeldenrekening van de advocaat van [geïntimeerde], binnen 14 dagen na het in deze te wijzen arrest, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten in het incident, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

[appellante] heeft geantwoord in het incident en geconcludeerd dat het hof [geïntimeerde] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn incidentele vordering, althans deze zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in het incident, uitvoerbaar bij voorraad.

2 Beoordeling

in het incident

2.1.

Ter onderbouwing van zijn incidentele vordering heeft [geïntimeerde] gesteld dat

[appellante] zich na het tussenarrest van 15 juli 2014 heeft uitgeschreven uit de Gemeentelijke Basisadministratie, dat zij in korte tijd verschillende keren (buiten Nederland) is verhuisd en dat zij op dit moment in Spanje woont. Daardoor heeft de aangekondigde beslaglegging op haar inboedel in Nederland geen doorgang kunnen vinden. Daarnaast heeft [appellante] tot op heden niet aan het bestreden vonnis voldaan noch heeft zij de proceskosten van een daarmee verband houdend executiegeschil betaald. Gelet op voornoemde omstandigheden is duidelijk dat [appellante] geen bekende woon- of verblijfplaats heeft binnen en buiten Nederland, en dat gegronde vrees bestaat dat zij aan een eventuele proceskostenveroordeling in hoger beroep niet zal voldoen, aldus [geïntimeerde].

2.2.

[appellante] heeft verweer gevoerd en heeft daarbij (onder meer) gesteld dat

zij thans (nog steeds) woonplaats heeft in Nederland, aan de [adres] te [woonplaats].

2.3.

Bij de beoordeling van de onderhavige incidentele vordering neemt het hof tot

uitgangspunt dat op grond van artikel 224 lid 1 Rv - in beginsel - degene die zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland bij een Nederlandse rechter een vordering instelt, op vordering van de wederpartij zekerheid dient te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan hij in die procedure veroordeeld zou kunnen worden. Artikel 353 lid 2 juncto 224 Rv bepaalt dat de oorspronkelijk gedaagde, eiser wordende in hoger beroep, niet is gehouden tot de in artikel 224 Rv bedoelde zekerheidsstelling.

2.4.

[geïntimeerde] is oorspronkelijk eiser in conventie. Uit het vorenstaande volgt

dat artikel 224 Rv toepassing mist ten aanzien van de gevorderde zekerheidsstelling voor zover dat de vordering in conventie betreft.

2.5.

In het door [geïntimeerde] overgelegde uittreksel van het kadaster van

23 juni 2014 is het hiervoor in 2.2. genoemde adres vermeld als het adres van [appellante], waarbij tevens is vermeld dat de persoonsgegevens “conform GBA” zijn. Bij gebreke van een uittreksel van de Gemeentelijke Basisadministratie van een latere datum en/of andere stukken waaruit het tegendeel voldoende blijkt, heeft [geïntimeerde] onvoldoende concreet onderbouwd dat [appellante] geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Het enkele e-mailbericht van de door [geïntimeerde] ingeschakelde gerechtsdeurwaarder van 21 juli 2014 (productie 1 bij de akte houdende incidentele vordering) waarin staat dat [appellante] op 8 juli 2014 is verhuisd naar Spanje, is in het licht van het vorenstaande onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Dit betekent dat de incidentele vordering ook voor zover het de vordering in reconventie betreft zal worden afgewezen.

2.6.

[geïntimeerde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, bij het eindarrest worden

veroordeeld in de kosten van het incident.

2.7.

De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van een

memorie van antwoord door [geïntimeerde].

3 Beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst de vordering af;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 9 december 2014 voor het nemen van een memorie van antwoord door [geïntimeerde];

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.M.A. Verscheure, L.A.J. Dun en M.L.D. Akkaya en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2014.