Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4544

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-09-2014
Datum publicatie
04-03-2015
Zaaknummer
200.141.816-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bindende vaststelling omvang te verrekenen vermogen o.g.v. vaststellingsovereenkomst. Vordering tot vernietiging wegens dwaling/bedrog/misbruik van omstandigheden, althans tot wijziging wegens onaanvaardbaarheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer : 200.141.816/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/526028/ HAZA 12-1140

arrest van de meervoudige familiekamer van 16 september 2014

inzake

[…],

wonend te […],

APPELLANTE,

advocaat: mr. A.A. den Hollander te Middelharnis,

tegen:

de gezamenlijke erven van […], overleden op 23 januari 2014,

gewoond hebbend te […],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. S. van der Hart te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 19 december 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 september 2013, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

[appellante] concludeert dat het hof met vernietiging van het bestreden vonnis alsnog

a. a) met toepassing van art. 6:230 lid 2 BW wegens dwaling althans misbruik van omstandigheden de gevolgen van de dadingsovereenkomst van 9 april 2001 zal wijzigen en zal bepalen dat [geïntimeerde] ter opheffing van het door haar geleden nadeel een bedrag van € 1.527.202,61 dient te betalen, met veroordeling van [geïntimeerde] bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, tot betaling aan [appellante] van een bedrag van € 1.527.202,61 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2001 respectievelijk 10 april 2002 respectievelijk 10 april 2003 althans vanaf 20 juli 2012, telkens na afloop van een jaar te vermeerderen met de over dat jaar verschuldigde rente;

b) [geïntimeerde] wegens bedrog althans onrechtmatige daad zal veroordelen tot betaling aan [appellante] van een bedrag van € 1.527.202,61 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2001 respectievelijk 10 april 2002 respectievelijk 10 april 2003 althans vanaf 20 juli 2012, telkens na afloop van een jaar te vermeerderen met de over dat jaar verschuldigde rente;

c) [geïntimeerde] zal gebieden de in nr. 12.5 onder c) van de memorie van grieven omschreven stukken over te leggen ter berekening van de schade ten gevolge van de onjuiste toepassing van het percentage van de vennootschapsbelastinglatentie, met veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente;

d) met beslissing over de proceskosten, waar onder begrepen de wettelijke rente berekend vanaf 14 dagen na de datum van het arrest en de nakosten.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en tot afwijzing van de – zo begrijpt het hof in hoger beroep ingestelde nieuwe – vorderingen van [appellante], met beslissing over de proceskosten.

Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.5 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

a. [appellante] en [geïntimeerde] zijn gehuwd geweest. Het huwelijk is in mei 2001 ontbonden.

b. Op grond van de huwelijks voorwaarden kwam aan [appellante] 40% van het gezamenlijke vermogen bij ontbinding van het huwelijk toe, waarvan een vierde gedeelte binnen één jaar werd uitgekeerd en het restant opeisbaar was bij overlijden van [geïntimeerde].

c. In een op 9 april 2011 gesloten dadingsovereenkomst hebben partijen afgesproken dat [geïntimeerde] aan [appellante] in drie jaarlijkse termijnen in totaal 25% van het gezamenlijke vermogen per 31 december 2000 diende uit te keren en dat mr. E. Bos RA het gezamenlijke vermogen op 1 januari 2001 zou vaststellen.

d. Bos RA heeft in de brief van 5 februari 2002 het gezamenlijke vermogen vastgesteld op een bedrag van NLG 187.287.873,- rekening houdende met een AB-latentie van NLG 18.122.312,- en het aandeel van [appellante] bepaald op een bedrag van NLG 46.821.968,- .

e. [geïntimeerde] heeft aan [appellante] het bedrag van NLG 46.821.968,- (€ 21.245.882,76) betaald.

f. [appellante] heeft in 2010 fiscaal advies verkregen inhoudende dat bij de waardering van het gezamenlijke vermogen in 2001 is uitgegaan van te hoge fiscale latenties, zowel voor de AB-heffing als voor de Vpb-heffing (in het bijzonder aangaande de waarde van een pand aan [adres] en van een ligplaats te [land]).

3.2.

[appellante] heeft [geïntimeerde] op 20 juli 2012 gedagvaard en heeft gevorderd 1) de dadingsovereenkomst van 9 april 2001 te wijzigen en [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van € 1.527.202,61 met rente en 2) [geïntimeerde] te gebieden administratieve stukken ter vaststelling van de fiscale boekwaarde van een pand aan [adres] en van een ligplaats in [land] vast te stellen.

3.3.

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen. Hiertegen komt [appellante] in hoger beroep op.

3.4.

De grieven stellen de vraag aan de orde of de dadingsovereenkomst van 9 april 2001 en – zo begrijpt het hof - de vaststelling (in de brief van Bos RA van 5 februari 2002) van het gezamenlijke vermogen per 1 januari 2001 op een bedrag van NLG 187.287.873,- en van het aandeel van [appellante] daarin op een bedrag van NLG 46.821.968,- in stand kunnen blijven dan wel of deze vaststelling gecorrigeerd dient te worden door een lagere AB-latentie en een lagere Vpb-latentie in aanmerking te nemen. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.5.

Bij de beoordeling van het geschil dient onderscheid te worden gemaakt tussen de dadingsovereenkomst van 9 april 2001 en de vaststelling van het gezamenlijke vermogen door Bos RA in de brief van 5 februari 2002. De dadingsovereenkomst bevat geen nadere bepaling van de waarderingsgrondslagen (waaronder de waardering van de fiscale latenties). [appellante] heeft geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die nopen tot de niet door de tekst van de dadingsovereenkomst ondersteunde uitleg dat Bos RA in het kader van de aan hem opgedragen (bindende) vaststelling van het gezamenlijke vermogen, waaronder de waardering van een aanmerkelijk belang in een aantal vennootschappen, aan een bepaalde wijze van waardering van fiscale latenties voor de AB-heffing en de Vpb-heffing was gebonden. Integendeel, volgens haar eigen stellingen is bij het aangaan van de dadingsovereenkomst de kwestie van de waardering van de fiscale latenties in het geheel niet aan de orde gekomen. Een redelijke uitleg van de dadingsovereenkomst brengt dan mee dat aan Bos RA is overgelaten bij de (bindende) vaststelling van het gezamenlijke vermogen tevens een beslissing te nemen over de toe te passen waarderingsgrondslagen. In deze uitleg ligt besloten dat de dadingsovereenkomst tevens strekt ter voorkoming of beëindiging van onzekerheid of geschil over de bij de waardering toe te passen grondslagen. Het beroep op dwaling bij het aangaan van de dadingsovereenkomst stuit hierop af.

3.6.

[appellante] heeft evenmin feiten en omstandigheden aangevoerd die tot het oordeel kunnen leiden dat [geïntimeerde] bij het aangaan van de dadingsovereenkomst bedrog heeft gepleegd, misbruik van omstandigheden heeft gemaakt of anderszins onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. In het bijzonder is niet met feiten onderbouwd dat [geïntimeerde] invloed heeft uitgeoefend op de door Bos RA in zijn vaststelling gekozen waarderingsgrondslagen of dat [geïntimeerde] in april 2001 wel wist dat Bos RA bij zijn waardering uit zou gaan van de nominale waarde van deze latenties en dat [appellante] dat niet wist. Evenmin is voldoende onderbouwd gesteld dat [appellante] door overspannenheid tot het aangaan van deze overeenkomst is bewogen en dat [geïntimeerde] dit heeft moeten begrijpen. Het hof komt niet aan bewijslevering toe op dit punt.

3.7.

[appellante] betoogt voorts dat de het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij is gebonden aan de (bindende) vaststelling door Bos RA van het gezamenlijke vermogen aangezien Bos RA daarbij (volgens [appellante]) van een in de fiscale praktijk volstrekt ongebruikelijke waardering van fiscale latenties tegen nominale waarde is uitgegaan. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Hiervoor is de dadingsovereenkomst aldus uitgelegd dat partijen ook de beslissing over de toe te passen waarderingsgrondslagen aan Bos RA hebben opgedragen. Van onaanvaardbaarheid kan eerst sprake zijn als de grenzen waarbinnen redelijk denkende vakgenoten over de waardering van de fiscale latenties van mening kunnen verschillen, zijn overschreden. [appellante] stelt dat in 2002 in de praktijk een algemeen gedeelde opvatting bestond dat bij de waardering van aandelen steeds niet de nominale maar de contante waarde van toekomstige belastingheffing in aanmerking diende te worden genomen, en wel naar een percentage van 6,25% voor wat de AB-claim betreft en gemiddeld 17,5% voor wat de Vpb-claim betreft. [geïntimeerde] heeft hiertegen aangevoerd dat in de praktijk verschillende opvattingen bestaan en bestonden over de waardering van fiscale latenties en dat de door Bos RA gehanteerde waardering tegen nominale waarde (in elk geval in 2002) niet ongebruikelijk was. Tegenover deze betwisting heeft [appellante] met de opinie van prof. Mr. H.M.N. Schonis en de notities van F. Stam en M. Bakker onvoldoende onderbouwd dat in 2002 redelijk denkende vakgenoten niet van mening konden verschillen over de waardering van fiscale latenties. Uit deze stukken kan dit niet immers worden afgeleid. De beslissing van Bos RA deze latenties naar de nominale waarde te waarderen is onder deze omstandigheden niet onaanvaardbaar. Het bewijsaanbod op dit punt mist relevantie althans onvoldoende is geconcretiseerd dat en welke relevante feiten en omstandigheden ten bewijze worden aangeboden.

3.8.

De vordering tot afgifte van stukken is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen wegens gebrek aan belang niet toewijsbaar.

Slotsom en kosten

3.9.

De grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. De in hoger beroep wederom ingestelde vordering tot afgifte van stukken zal worden afgewezen. De proceskosten in hoger beroep zullen tussen partijen worden gecompenseerd gelet op de partnerrelatie die tussen hen heeft bestaan.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde;

compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. Kleene-Eijk, G.J. Driessen-Poortvliet en W.J. van den Bergh, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 september 2014.