Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4475

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-10-2014
Datum publicatie
31-10-2014
Zaaknummer
13/00407 t.m. 13/00411
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:1675
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De klachten aangaande de zorgvuldigheid van de besluitvorming en de onvoldoende motivering van de besluiten worden verworpen. Aan de onderhavige beschikkingen en naheffingsaanslagen ligt een langdurig boekenonderzoek ten grondslag. De controlerend ambtenaren hebben hun bevindingen neergelegd in een omvangrijk controlerapport waarop belanghebbende voor- en nadien heeft kunnen reageren. Reeds daarom kan niet worden gezegd dat de inspecteur bij zijn voorbereiding niet de nodige kennis heeft vergaard omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Het Hof is van oordeel dat de inspecteur op grond van de normale regels van stelplicht en bewijslast, aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende geen (deugdelijke) uren-/ kas-/ bank/- en WID-administratie (Wet op de identificatieplicht) heeft bijgehouden. De geconstateerde tekortkomingen zijn, naar de eisen van een bedrijf dat naar eigen zeggen regelmatig personeel inhuurde en de uitlener in contanten betaalde, van dien aard dat de administratie van belanghebbende niet voldoet aan de in artikel 52 van de AWR geformuleerde eisen. Omkering en verzwaring van de bewijslast is dan ook, anders dan door de rechtbank is geoordeeld, gerechtvaardigd. Hierbij zij opgemerkt dat de jurisprudentie waaraan de rechtbank in r.o. 4.8. van haar uitspraak refereert, betrekking heeft op de informatieverplichting ex artikel 47 AWR en niet op een geval, zoals hier, waarin niet wordt voldaan aan de administratieverplichting. Het voorgaande houdt in dat het op de weg van belanghebbende ligt om te doen blijken - aannemelijk maken is dus niet toereikend - dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Belanghebbende is hierin niet geslaagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 13/00407 tot en met 13/00411

16 oktober 2014

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op de hoger beroepen van

[A] , wonende te [B], belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaken met kenmerk AWB 11/2223 tot en met 11/2227 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

(Hofkenmerk 13/00407)

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 30 juni 2010 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd over het tijdvak 1 september 2006 tot en met 31 december 2006 ten bedrage van € 1.122. Bij gelijktijdig genomen beschikking heeft hij een vergrijpboete opgelegd van € 280. Eveneens bij gelijktijdig genomen beschikking heeft hij heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van € 167.

(Hofkenmerk 13/00408)

1.2.

De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 30 juni 2010 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd over het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 ten bedrage van € 61.740. Bij gelijktijdig genomen beschikking heeft hij een vergrijpboete opgelegd van € 14.815. Eveneens bij gelijktijdig genomen beschikking heeft hij heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van € 6.065.

(Hofkenmerk 13/00409)

1.3.

De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 30 juni 2010 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 ten bedrage van € 24.567. Bij gelijktijdig genomen beschikking heeft hij een vergrijpboete opgelegd van € 6.079. Eveneens bij gelijktijdig genomen beschikking heeft hij heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van € 1.145.

(Hofkenmerk 13/00410)

1.4.

De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 27 april 2010 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd over het tijdvak 1 januari 2009 tot en met 30 juni 2009 ten bedrage van € 7.643. Bij gelijktijdig genomen beschikking heeft hij een vergrijpboete opgelegd van € 764. Eveneens bij gelijktijdig genomen beschikking heeft hij heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van € 62.

(Hofkenmerk 13/00411)

1.5.

De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 27 mei 2010 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 maart 2010 ten bedrage van € 900. Bij gelijktijdig genomen beschikking heeft hij een vergrijpboete opgelegd van € 106.

1.6.

Belanghebbende heeft bezwaarschriften ingediend tegen de in 1.1 tot en met 1.5 vermelde naheffingsaanslagen, beschikkingen vergrijpboeten en beschikkingen heffingsrente.

1.7.

Bij uitspraak, gedagtekend 11 maart 2011, heeft de inspecteur de sub 1.1 tot en met 1.3 vermelde naheffingsaanslagen omzetbelasting en de beschikkingen vergrijpboeten en heffingsrente gehandhaafd.

1.8.

Bij uitspraak, gedagtekend 11 maart 2011, heeft de inspecteur het bezwaar tegen de sub 1.4 en 1.5 vermelde naheffingsaanslagen omzetbelasting en de beschikkingen vergrijpboeten en heffingsrente niet-ontvankelijk verklaard.

1.9.

Na daartegen ingesteld beroep (het beroepschrift inzake de sub 1.1 vermelde naheffingsaanslag omzetbelasting is door de rechtbank ingeschreven onder nr. AWB 11/2223; het beroepschrift inzake de sub 1.2 vermelde naheffingsaanslag omzetbelasting onder nr. AWB 11/2224; het beroepschrift inzake de sub 1.3 vermelde naheffingsaanslag omzetbelasting onder nr. AWB 11/2225; het beroepschrift inzake de sub 1.4 vermelde naheffingsaanslag omzetbelasting onder nr. AWB 11/2226; het beroepschrift inzake de sub 1.5 vermelde naheffingsaanslag omzetbelasting onder nr. AWB 11/2227) heeft de rechtbank bij uitspraak van 4 juni 2013 de beroepen ongegrond verklaard.

1.10.

De door belanghebbende tegen deze uitspraak ingestelde hogere beroepen zijn bij het Hof ingekomen op 16 juli 2013, (het beroepschrift inzake de sub 1.1 vermelde naheffingsaanslag omzetbelasting is door het Hof ingeschreven onder nr. 13/00407; het beroepschrift inzake de sub 1.2 vermelde naheffingsaanslag omzetbelasting onder nr. 13/00408; het beroepschrift inzake de sub 1.3 vermelde naheffingsaanslag omzetbelasting onder nr. 13/00409; het beroepschrift inzake de sub 1.4 vermelde naheffingsaanslag omzetbelasting onder nr. 13/00410; het beroepschrift inzake de sub 1.5 vermelde naheffingsaanslag omzetbelasting onder nr. 13/00411). De inspecteur heeft zich in één geschrift tegen de hoger beroepen verweerd.

1.11.

De gemachtigde van belanghebbende heeft op de avond van 22 september 2014 per faxbericht medegedeeld dat belanghebbende niet aanwezig zal zijn bij de mondelinge behandeling. Daarbij heeft hij een een stuk ingediend, door hem aangeduid als ‘pleitnota’. De gemachtigde is niet ter zitting verschenen. Het Hof heeft aan de inspecteur een afschrift van het ingediende stuk verstrekt en in de gelegenheid gesteld zich over het stuk uit te laten.

1.12.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2014. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin (evenals in de overige hierna te citeren onderdelen van de uitspraak van de rechtbank) aangeduid als “eiseres” en de inspecteur als “verweerder”.

1.1.

Eiseres drijft vanaf 1 september 2006 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak handelend onder de naam [C]. De bedrijfsactiviteiten bestaan uit het verrichten van horeca-, evenementen-, persoons- en objectbeveiliging.

2.2.

Op 15 oktober 2008 is een boekenonderzoek aangekondigd. De reikwijdte van het onderzoek was onder andere de aanvaardbaarheid vast te stellen van de aangiften omzetbelasting en loonheffingen over het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007. Bij brief van 18 december 2008 is het tijdvak van het onderzoek uitgebreid van 1 september 2006 tot en met 18 december 2008. Het definitief rapport van het boekenonderzoek is op 24 maart 2010 vastgesteld. Verweerder heeft de naheffingsaanslagen opgelegd naar aanleiding van het boekenonderzoek.

2.3.1.

Eiseres heeft voor het jaar 2006 geen aangifte omzetbelasting gedaan noch omzetbelasting voldaan. Verweerder heeft naar aanleiding van het voormelde boekenonderzoek de onder 1.1.1 vermelde naheffingsaanslag van € 1.122 vastgesteld en is daarbij uitgegaan van een omzet van € 5.096,50. De omzet heeft verweerder afgeleid uit een door eiseres overgelegde auditfile 2007, waarin een post debiteuren is opgenomen met een bedrag van € 7.028,74.

2.3.2.

Eiseres heeft voor het jaar 2007 uitsluitend nihilaangiften omzetbelasting gedaan. Verweerder heeft naar aanleiding van het voormelde boekenonderzoek en een nadien op 13 januari 2009 door eiseres ingediende zogenoemde suppletieaangifte de onder 1.1.2 vermelde naheffingsaanslag van € 61.740 vastgesteld. Verweerder is daarbij uitgegaan van de suppletieaangifte en de door eiseres overgelegde facturen. Daarnaast heeft verweerder geen rekening gehouden met de voorbelasting op horeca-, telefoon- en autokosten en “werk derden”.

2.3.3.

Verweerder heeft bij het vaststellen van de onder 1.1.3 vermelde naheffingsaanslag van € 24.567 de door eiseres ingediende aangiften omzetbelasting voor 2008 gecorrigeerd, waarbij hij geen rekening heeft gehouden met de voorbelasting op horeca-, telefoon- en autokosten en “werk derden”.

2.4.

Bij brief, binnengekomen bij verweerder op 9 augustus 2011, stelt eiseres bezwaar in tegen de naheffingsaanslagen en beschikkingen. Het bezwaar tegen de onder 1.1.5 vermelde naheffingsaanslag van 27 mei 2010 heeft verweerder reeds ontvangen op 27 juli 2010, omdat eiseres een als bezwaarschrift aangemerkte nadere aangifte heeft gedaan. Bij uitspraken van 11 maart 2011 heeft verweerder de bezwaren tegen de onder 1.1.4 en 1.1.5 vermelde naheffingsaanslagen wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

2.2.1.

Nu tegen de feitenvaststelling door de rechtbank, als hiervoor vermeld, door partijen geen bezwaren zijn ingebracht, gaat ook het Hof van die feiten uit.

In aanvulling hierop stelt het Hof de volgende feiten vast:

2.2.

In het rapport dat is opgesteld naar aanleiding van het boekenonderzoek van 24 maart 2010 is onder meer vermeld:

“2.10.1. Kasadministratie

Uit de feiten en omstandigheden blijkt dat de kasadministratie als ondeugdelijk moet worden beschouwd. De conclusie luidt dat de kasadministratie daarom niet kan dienen als betrouwbaar middel voor de kostenverantwoording waaronder de loonadministratie.

2.10.2

Bankadministratie

De volledigheid van de bankadministratie kan door het ontbreken van afschriften niet worden vastgesteld. De conclusie luidt dat de bankadministratie daarom niet kan dienen als betrouwbaar middel voor de kostenverantwoording en volledigheid van de omzet.

2.10.3

Verkoopadministratie

De conclusie luidt dat de uitgereikte facturen niet voldoen aan de bij wet gestelde eisen. Het is in verband met de ontbrekende en dubbele gebruikte factuurnummers niet mogelijk na te gaan welke omzet is behaald. Mede door het ontbreken van een kasadministratie en het ontbreken van diverse bankafschriften kan geen volledigheid van de omzet worden geconstateerd.

2.10.4

Loonadministratie

De conclusie luidt dat de urenadministratie op een onvolledige manier is bijgehouden. Het is niet mogelijk na te gaan welke werknemer wanneer, waar en hoe lang gewerkt heeft, omdat de inhoudingsplichtige niet van alle projecten een urenadministratie bijhoudt. Het is dan ook niet mogelijk om na te gaan of alle gefactureerde uren overeenkomen met de verloonde/ingeleende uren.

2.10.5

WID-administratieplicht (Wet op de identificatieplicht)

De conclusie luidt dat de WID-administratie niet is bijgehouden. Het is niet mogelijk na te gaan welke werknemers gewerkt hebben. Het is dan ook niet mogelijk om bij de berekening van de loonheffingen te individualiseren.”

(….)

3.4.

Aansluiting gefactureerde uren met de verloonde/ingeleende uren over de periode 1 januari 2007 t/m 31 december 2007

Er is door belastingplichtige in 2007 personeel ingeleend bij [D], [E 1][F 1], [G], [H] en [I 1]. De door [E, F en G] uitgereikte facturen zouden alle contant zijn betaald.

Er zijn echter geen betalingsbewijzen aanwezig van [E en F 1]. Er is geen kasadministratie bijgehouden door belastingplichtige.

Daarnaast zijn facturen aangetroffen afkomstig van [F 2]waarop verschillende factuurnummers staan vermeld. (…)

Op 18 december 2008 is een fax binnengekomen van administratiekantoor [J]. Het betreft een verklaring van [F 3] (dagtekening 29 oktober 2008) dat de incasso voor [I 2] kan worden beëindigd. Alle facturen zijn voldaan. De verklaring is ondertekend door [X]. De verklaring is ondertekend door een persoon die niet de eigenaar is van [F 4] en derhalve niet bevoegd dergelijke verklaringen te verstrekken. Op 10 februari 2009 is wederom een verklaring opgesteld met als inhoud dat[F 5] alle loonheffing heeft betaald voor de mensen die gedetacheerd waren bij [I 3]. Verder staat er vermeld dat [I 4] niet verantwoordelijk is voor belastingschulden aan de belastingdienst. Deze verklaring is ondertekend door de eigenaar van de onderneming [F 6]. [F 7]is op 16 januari 2008 failliet verklaard en derhalve niet bevoegd dergelijke verklaringen te verstrekken. Een dergelijke verklaring mag niet zonder tussenkomst van de curator worden afgegeven. Artikel 23 Faillissementswet vermeld dat door de faillietverklaring de schuldenaar zijn beschikkingsbevoegdheid verliest.

In de administratie bevinden zich facturen afkomstig van Politie [… 1]. De factuur was uitgereikt voor het aanvragen van legitimatiebewijzen. Deze legitimatiebewijzen worden aangevraagd door de werkgever. Van de navolgende personen zijn legitimatiebewijzen aangevraagd door werkgever [I 5]:

(…)

Uit de aanvraag van bovenstaande legitimatiebewijzen door werkgever [I 6] trekken wij de conclusie dat deze zijn aangevraagd voor eigen personeelsleden van [I 7]. Daarnaast is in de administratie niet terug te vinden hoeveel en welke personeelsleden naar welke opdracht zijn gezonden. De belastingplichtige hield geen urenadministratie en projectadministratie bij c.q. heeft deze niet overgelegd.

Op 17 april 2009 zijn een aantal urenoverzichten voor het jaar 2007 aangeboden door belastingplichtige, [… 2]. Volgens de begeleidende brief betreffen dit uren die zijn gewerkt door personeel van [F 8].

Uit de urenstaten is niet op te maken wie gewerkt hebben. Er wordt namelijk herhaaldelijk alleen een voornaam vermeld. Daarnaast valt uit de urenstaten niet op te maken of de gewerkte uren betrekking hebben op ingeleend personeel door [I 8].

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden stellen wij ons op het standpunt dat de op de facturen vermelde diensten van [E en F 2]niet hebben plaatsgevonden. Er is gebruik gemaakt van eigen personeelsleden die niet in de loonheffingen zijn betrokken.

(…)”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of aan belanghebbende terecht de sub 1.1. tot en met 1.5. vermelde naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen zijn opgelegd. Met betrekking tot de naheffingsaanslagen over het tijdvak 1 januari 2009 tot en met 30 juni 2009 (kenmerk: 13/00410) en 1 januari 2010 tot en met 31 maart 2010 (kenmerk: 13/00411), is primair in geschil het antwoord op de vraag of de bezwaarschriften van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard door de inspecteur.

3.2.

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding waaronder het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting.

4 Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil het volgende overwogen.

“Beroepen 11/2226 en 11/2227

4.1.

Eiseres heeft erover geklaagd dat zij niet is gehoord en dat verweerder haar bezwaarschriften ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verweerder verwerpt dit standpunt. De bezwaarschriften zijn te laat ingediend.

4.2.1.

De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt op grond van artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zes weken. De bezwaartermijn vangt op grond van artikel 6:8, eerste lid, Awb in verbinding met artikel 22j, aanhef en onderdeel a, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) aan met ingang van de dag na die van de dagtekening van de (naheffings)aanslag, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van bekendmaking van de (naheffings)aanslag. Een na afloop van de termijn ingediend

bezwaar is niet-ontvankelijk. De niet-ontvankelijkverklaring blijft op grond van artikel 6:11 Awb evenwel achterwege indien redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is geweest.

4.2.2.

Uit artikel 7:2 Awb jo. artikel 25, vierde lid, Awr volgt dat een belanghebbende, indien deze daarom verzoekt, in de gelegenheid moet worden gesteld te worden gehoord alvorens de inspecteur op het bezwaar beslist. In artikel 7:3 Awb is bepaald wanneer van het horen kan worden afgezien.

4.2.3.

De naheffingsaanslagen zijn gedagtekend 27 april 2010 en 27 mei 2010. Niet gesteld of gebleken is dat de dagtekening is gelegen vóór de dag van bekendmaking, zodat de bezwaartermijnen zijn aangevangen op respectievelijk 28 april 2010 en 28 mei 2010 en geëindigd op respectievelijk 8 juni 2010 en 9 juli2010.

4.2.4.

De bezwaarschriften van eiseres zijn ontvangen op respectievelijk 9 augustus 2010 en 27 juli 2010. De bezwaarschriften zijn dus niet binnen de daarvoor geldende termijnen ingediend.

4.2.5.

Een buiten de wettelijke termijn ingediend bezwaarschrift is op grond van artikel 6:11 Awb niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is geweest (verschoonbare termijnoverschrijding).

4.3.

Uit de brief van eiseres van 28 december 2011 leidt de rechtbank af, dat eiseres zich eerst pas bij gemachtigde heeft gemeld op een tijdstip dat het probleem al uit de hand was gelopen en de termijnen al in gevaar waren. Gelet op het tijdverloop tussen het opleggen van de naheffingsaanslagen en het indienen van de bezwaarschriften en gelet op het feit dat geen omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken zijn gesteld of gebleken, heeft verweerder de bezwaren tegen de naheffingsaanslagen over de tijdvakken 1 januari

2009 tot en met 30 juni 2009 en het eerste kwartaal 2010 terecht niet-ontvankelijk verklaard. Nu in de bezwaarschriften geen enkele aanwijzing is te vinden die nader onderzoek naar eventuele oorzaken van verschoonbaarheid oproept, heeft verweerder de bezwaren bovendien terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

4.4.

Voor zover eiseres een beroep doet op schending van de hoorplicht overweegt de rechtbank dat de indiener van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaarschrift als het onderhavige op basis van artikel 7:3 Awb niet gehoord hoeft te worden.

4.5.

Gelet op het voorgaande zullen de beroepen geregistreerd onder nummers 11/2226 en 11/2227 ongegrond worden verklaard.

Beroepen 11/2223, 11/2224 en 11/2225

4.6.1.

Eiseres voert aan dat de uitspraken op bezwaar onzorgvuldig zijn genomen en ondeugdelijk zijn gemotiveerd. Gelet op de vergaande gevolgen voor eiseres had van verweerder mogen worden verwacht dat hij nader onderzoek zou instellen naar aanleiding van de door gemachtigde na de controle opgestelde en herziene administratie. Bovendien heeft eiseres van twee betrokken leveranciers gecorrigeerde facturen ontvangen. Verweerder weigert deze administratie echter in ontvangst te nemen, terwijl eiseres met deze administratie heeft voldaan aan alle door de belastingdienst gestelde onderzoekspunten.

4.6.2.

Verweerder bestrijdt dat hij onzorgvuldig is geweest en is van oordeel dat hij de correcties als ook zijn besluiten steeds voldoende heeft gemotiveerd. Eiseres is in alle fasen voldoende in de gelegenheid gesteld haar standpunt kenbaar te maken en verweerder heeft daarop sommige correcties laten vallen. Verweerder begrijpt het standpunt van eiseres dan ook niet. Ook thans in de beroepsfase heeft verweerder de bij de controle aangebrachte

correctie voor het jaar 2008 deels nog hersteld.

4.7.

Uit de stukken van het geding en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht is aannemelijk geworden dat eiseres voldoende gelegenheid heeft gehad om op de (voorgestelde) correcties van verweerder te reageren. Uit het controlerapport leidt de rechtbank af dat verweerder hoor en wederhoor heeft toegepast en steeds inhoudelijk heeft gereageerd op het standpunt van eiseres en de door haar overgelegde stukken. Verweerder is, anders dan eiseres bepleit, niet verplicht om een na aanvang of afloop van de administratieve controle aangepaste en herziene administratie/boekhouding als uitgangspunt te nemen bij het vaststellen van de uit de controle te trekken conclusies indien verweerder heeft vastgesteld dat de administratie ten tijde van de controle niet voldoet aan de in wet gestelde eisen. Dit klemt temeer nu in de door eiseres overgelegde nadere stukken ook onvolkomenheden zijn aangetroffen, bijvoorbeeld de later opgemaakte (“nieuwe”) facturen.

4.8.

Als op een belastingplichtige de bewijslast rust met betrekking tot feitelijke omstandigheden die, indien aannemelijk, tot een teruggaaf van belasting voor die belastingplichtige zouden leiden, heeft het niet voldoen aan de administratieverplichting ex artikel 52 Awr — anders dan verweerder meent — geen gevolg voor de bewijslastverdeling op dat punt. De bewijslast van die omstandigheden rust immers al op de belastingplichtige. Van een verzwaring van de op eiseres rustende bewijslast is dan ook geen sprake. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Hoge Raad van 3 februari 2006 (BNB 2006/204).

Beroep 11/2223

4.9.

Uit vorenvermeld controlerapport blijkt dat verweerder uit de door eiseres overgelegde auditfile 2007 en bankgegevens heeft afgeleid dat eiseres in 2006 heeft gewerkt voor diverse opdrachtgevers. Er is een debiteurenpost opgenomen tot een bedrag van € 7.028,74 (inclusief omzetbelasting). Aangezien eiseres voor 2006 geen dan wel een nihilaangifte heeft gedaan, heeft verweerder in verband met deze bevinding de naheffingsaanslag 2006 opgelegd. Nu eiseres voormelde bevinding van de belastingdienst niet, althans onvoldoende, heeft weersproken, heeft verweerder met het controlerapport zijn standpunt voldoende aannemelijk gemaakt en de naheffingsaanslag 2006 terecht opgelegd. Het beroep met het nummer 11/2223 dient ongegrond te worden verklaard.

Beroep 11/2224

4.10.1.

Verweerder heeft de correctie voor het belastingjaar 2007 als volgt berekend:

Suppletie eiseres € 2.170,00

Meer omzet € 12.302,00

Geen aftrek voorbelasting

- horeca/auto/telefoonkosten € 2.332,00

Geen aftrek werk derden

- [F 9] € 43.203,61

- [E 2] € 1.732,38

Totaal € 61.740,00

4.10.2.

Eiseres heeft geen gronden aangevoerd tegen de correcties die voortvloeien uit de eigen suppletie en de verhoging van de omzet. De rechtbank ziet geen gronden om deze correcties ambtshalve te vernietigen of te matigen en zal daarom uitsluitend de overige correcties beoordelen.

4.11.

Artikel 15, vijfde lid, Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) bepaalt dat geen aftrek plaatsvindt van belasting welke in rekening is gebracht ter zake van het verstrekken van spijzen en dranken voor gebruik ter plaatse binnen het kader van het hotel-, café-, restaurant-, pension- en aanverwant bedrijf aan personen die daar slechts voor een korte periode verblijf houden. De door eiseres op dergelijke uitgaven in aftrek gebrachte

voorbelasting is dus niet aftrekbaar, ongeacht de aard van de uitgaven (zakelijk of niet).

Verweerder heeft deze correctie terecht aangebracht.

4.12.

Eiseres mag de voorbelasting slechts aftrekken indien zij beschikt over een haar geadresseerde factuur die aan alle wettelijke vereisten voldoet en die betrekking heeft op een prestatie die eiseres voor belaste doeleinden gebruikt. Voor wat betreft de auto- en de telefoonkosten geldt dat eiseres niet over de vereiste facturen beschikt om voorbelasting in aftrek te brengen. De facturen voor de telefoonkosten zijn niet aan eiseres gericht maar aan

mevrouw [Y]. Eiseres beschikt niet over een auto en er is geen rittenadministratie

aanwezig waaruit kan worden afgeleid dat en in hoeverre zakelijke autokosten zijn gemaakt.

Verweerder heeft de correctie op de autokosten en telefoonkosten terecht aangebracht.

4.13.1.

Verweerder heeft de correctie voor werk derden aangebracht omdat:

- er geen bewijzen van betaling aanwezig zijn;

- in de administratie een factuur van de Politie is aangetroffen voor de aanvraag van

legitimatiebewijzen voor 15 personen door eiseres; derhalve worden deze personen

als eigen (en niet ingeleend) personeel van eiseres beschouwd; en

- eiseres geen urenadministratie of projectadministratie bijhield.

4.13.2.

Eiseres bestrijdt de correctie. Er is geen sprake van eigen personeel, alle uren zijn ingeleend. Eiseres verwijst voorts naar de nieuw ingebrachte stukken. De betalingen hebben in contanten plaatsgevonden.

4.14.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aftrek van de voorbelasting van € 1.732,38 op de facturen van [E 3] ten onrechte heeft geweigerd. Ter zitting heeft verweerder erkend dat de aftrek is geweigerd omdat het btw-nummer van [E 4] ontbreekt en omdat twijfel bestaat of eiseres de facturen wel heeft voldaan. De rechtbank is van oordeel dat het ontbreken van het btw-nummer van de leverancier of dienstverrichter weliswaar een formeel gebrek is, maar wel een van onvoldoende gewicht om tot weigering

van de aftrek te leiden. De identiteit van de leverancier of dienstverrichter kan immers worden vastgesteld aan de hand van de naam- en adresgegevens op de factuur. Twijfel aan de betaling kan in het algemeen geen reden zijn om het recht op aftrek in het tijdvak van ontvangst van de desbetreffende factuur te weigeren. Verschuldigdheid ontstaat op grond van artikel 29, tweede lid, Wet OB wanneer redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de

ondernemer die de aftrek genoten heeft de vergoeding niet of niet geheel zal betalen of uiterlijk twee jaren na de opeisbaarheid van de vergoeding. Verweerder heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zich in het onderhavige tijdvak een dergelijke situatie voordeed.

4.15.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aftrek van de voorbelasting op de facturen van [F 10] terecht heeft geweigerd. De van [F 11] afkomstige facturen die eiseres bij de nadere stukken heeft overgelegd verschillen aanzienlijk van de facturen die zich ten tijde van de controle in de administratie van eiseres bevonden. Voorts zijn de facturen van [F 12] die zich ten tijde van de controle in de administratie van eiseres bevonden op verschillende wijzen genummerd en hebben diverse

facturen hetzelfde nummer. Voorts is het de controleurs niet gelukt om een aansluiting te maken tussen de urenadministratie en de facturen van [F 13]. In combinatie met het aanvragen van legitimatiebewijzen en de twijfel over de betaling van de facturen is voldoende twijfel gerezen omtrent de aftrekbaarheid van de omzetbelasting op de facturen van [F 14]. De rechtbank slaat in dit verband geen acht op de nadere gegevens die eiseres heeft ingediend, te meer daar[F 15] inmiddels failliet is en niet langer aan de verplichtingen jegens de belastingdienst kan voldoen.

4.16.

De slotsom luidt dat de naheffingsaanslag voor het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 dient te worden verminderd met € 1.733 (afgerond).

Beroep 11/2226

4.17.

Verweerder heeft de correctie voor het belastingjaar 2008 als volgt berekend:

Geen aftrek voorbelasting

- horeca/auto/telefoonkosten € 409,00

Geen aftrek werk derden

- [O] € 14.015,67

- [P 1] € 8.394,06

- [R 1] € 839,75

- [S]€ 908,70

Totaal € 24.567,00

4.18.

Verweerder heeft zich in het verweerschrift nader op het standpunt gesteld dat de voorbelasting op de facturen van [P 2] toch aftrekbaar is. De rechtbank zal de naheffingsaanslag voor 2008 op die grond met € 8.394,06 verminderen.

4.19.

Voor de correcties voor horeca-, auto- en telefoonkosten verwijst de rechtbank naar 4.11 en 4.12. Verweerder heeft deze correcties terecht aangebracht.

4.20.

De aftrek van de voorbelasting van € 839,75 op de facturen van [R 2] is om dezelfde redenen geweigerd als de voorbelasting op de facturen van [E 5] (zie 4.14). Verweerder heeft deze correctie ten onrechte aangebracht.

4.21.

De correcties voor de facturen van [O en S 1] zijn terecht aangebracht. Verweerder heeft aangevoerd dat op deze facturen het btw-nummer en de NAW-gegevens van de dienstverrichter ontbreken. De rechtbank acht het ontbreken van de naam- en adresgegevens fataal, omdat het hierdoor niet mogelijk is om de dienstverrichter te identificeren teneinde de in rekening gebrachte omzetbelasting van deze persoon na te

heffen. De nadere gegevens die eiseres heeft overgelegd kunnen dit fatale gebrek niet helen, omdat de desbetreffende dienstverrichters inmiddels failliet zijn verklaard of anderszins niet in staat om (alsnog) aan hun verplichtingen jegens de belastingdienst te voldoen. Dit laatste dient voor rekening van eiseres te komen, omdat eiseres door beter op te letten had kunnen voorkomen dat zij gebrekkige facturen accepteerde waarvan de voorbelasting niet in aftrek kan komen.

4.22.

De slotsom luidt dat de naheffingsaanslag voor het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 dient te worden verminderd met € 9.234 (afgerond).

Vergrijpboetes

4.23.

Verweerder heeft op grond van artikel 67f Awr, in samenhang met de paragrafen 25 en 28 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 vergrijpboeten opgelegd. Op verweerder rust dan de bewijslast aannemelijk te maken dat het aan grove schuld van eiseres te wijten is dat te lage voldoeningen op de aangiften omzetbelasting zijn gedaan en dus te weinig belasting is geheven.

4.24.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres, door haar administratie gebrekkig te voeren, met in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid gehandeld. Eiseres had redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat haar gedrag tot gevolg kon hebben dat te weinig belasting zou worden voldaan. Hierbij heeft de rechtbank meegewogen dat eiseres niet uit eigen beweging over haar ontvangsten omzetbelasting heeft aangegeven. In dit geval is het aan grove schuld van eiseres te wijten dat te lage voldoeningen op de aangiften

omzetbelasting zijn gedaan en dus te weinig belasting is geheven. In de administratie van eiseres ontbreken facturen, er komen facturen voor met dubbele nummers en facturen welke bij derdenonderzoek zijn aangetroffen komen niet overeen met de facturen in de administratie en facturen worden contant betaald terwijl geen kasadministratie wordt gevoerd. Voorts heeft eiseres de voorbelasting in aftrek gebracht die is vermeld op facturen die niet aan de wettelijke vereisten voldoen. Eiseres had als ondernemer moeten weten dat de voorbelasting niet aftrekbaar is die op een factuur is vermeld waarop essentiële gegevens ontbreken, zoals de naam en het adres van de presterende ondernemer. Door deze belasting toch in aftrek te brengen heeft eiseres laakbaar slordig gehandeld. Eiseres heeft voorts nihilaangiften over 2006 en 2007 gedaan terwijl zij wel omzet heeft gegenereerd. Verweerder heeft daarmee aan zijn bewijslast voldaan.

4.25.

De rechtbank is van oordeel dat de vergrijpboeten van 25 procent van de na te heffen belasting in een juiste verhouding staan tot de ernst van het gepleegde vergrijp en de omstandigheden van het geval. De boetes voor de jaren 2007 en 2008 dienen wel te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de bijbehorende naheffingsaanslag.

4.26.

De rechtbank zal verweerder opdragen de heffingsrente voor de jaren 2007 en 2008 te verminderen overeenkomstig de vermindering van de desbetreffende naheffingsaanslag.

4.27.

Gelet op het voorgaande dienen de beroepen 11/2224 en 11/2225 gegrond te worden verklaard en dienen de beroepen 11/2223, 11/2226 en 11/2227 ongegrond te worden verklaard.”

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Belanghebbende geeft het Hof in een door haar als pleitnota aangeduid stuk van 22 september 2014 in overweging om een deskundige te benoemen ter beoordeling van de door haar in de (hoger)beroepsfase ingediende nadere stukken en gecorrigeerde facturen. Het Hof ziet daartoe evenwel geen aanleiding.

Met betrekking tot de naheffingsaanslagen OB over het tijdvak 1 januari 2009 tot en met 30 juni 2009 en 1 januari 2010 tot en met 31 maart 2010

5.2.

Het Hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de bezwaarschriften tegen de naheffingsaanslagen over de tijdvakken 1 januari 2009 tot en met 30 juni 2009 en 1 januari 2010 tot en met 31 maart 2010, terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard wegens termijnoverschrijding. Het Hof neemt deze beslissing over en maakt de gebruikte overwegingen tot de zijne, nu ook in hoger beroep feiten noch omstandigheden zijn gesteld of gebleken die nopen tot het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

Met betrekking tot de naheffingsaanslagen OB over het tijdvak 1 september 2006 tot en met 31 december 2006, 2007 en 2008

5.3.

In hoger beroep herhaalt belanghebbende dat de besluiten onzorgvuldig tot stand zijn gekomen en ontoereikend zijn gemotiveerd. Belanghebbende heeft bovendien, zo stelt zij, onvoldoende gelegenheid gehad om zich te verweren. De tekortkomingen in haar administratie zijn door de naderhand overgelegde stukken en (gecorrigeerde) facturen geheeld, nu daaruit genoegzaam blijkt dat zij beveiligingspersoneel van derden heeft ingehuurd. Deze gecorrigeerde facturen zijn ten onrechte niet in de beoordeling betrokken. Belanghebbende is te goeder trouw; van grove schuld harerzijds is geen sprake, de boetebeschikkingen dienen dan ook te worden vernietigd.

5.4.

De klachten aangaande de zorgvuldigheid van de besluitvorming en de onvoldoende motivering van de besluiten worden verworpen. Aan de onderhavige beschikkingen en naheffingsaanslagen ligt een langdurig boekenonderzoek ten grondslag. De controlerend ambtenaren hebben hun bevindingen neergelegd in een omvangrijk controlerapport waarop belanghebbende voor- en nadien heeft kunnen reageren. Reeds daarom kan niet worden gezegd dat de inspecteur bij zijn voorbereiding niet de nodige kennis heeft vergaard omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Evenmin kan, gelet op de stukken van het geding, worden gezegd dat hij de beschikkingen, de naheffingsaanslagen of de uitspraken op bezwaar, onvoldoende heeft gemotiveerd.

5.5.

De klacht aangaande de schending van het verdedigingsbeginsel is door de rechtbank terecht en op goede gronden in r.o. 4.7 van haar uitspraak verworpen. Het Hof neemt dit oordeel, alsmede de gronden waarop het rust, over en maakt de gebruikte overwegingen tot de zijne.

Omkering bewijslast

5.6.1.

In zijn verweerschrift in hoger beroep heeft de inspecteur volstaan met een verwijzing naar het door hem in eerste aanleg gevoerde verweer. Onder verwijzing naar paragraaf 2.10.1 t/m 2.10.5 van het controlerapport heeft de inspecteur zich in zijn verweerschrift in eerste aanleg op het standpunt gesteld dat belanghebbende niet aan haar verplichtingen, voortvloeiend uit artikel 52 van de AWR, heeft voldaan.

5.6.2.

In artikel 52 van de AWR is, voor zover hier van belang, bepaald dat administratieplichtigen gehouden zijn van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf, naar de eisen van dat bedrijf, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken. De administratie dient zodanig te zijn ingericht en te worden gevoerd en de gegevensdragers dienen zodanig te worden bewaard, dat controle daarvan door de inspecteur binnen een redelijke termijn mogelijk is.

5.6.3.

Artikel 27e, aanhef en onderdeel b, van de AWR (tekst tot 1 juli 2011) bepaalt, voor zover van belang, dat het beroep van de belastingplichtige ongegrond wordt verklaard indien niet volledig is voldaan aan de verplichtingen van artikel 52 van de AWR, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

5.6.4.

Het Hof is van oordeel dat de inspecteur op grond van de normale regels van stelplicht en bewijslast, aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende geen (deugdelijke) uren-/ kas-/ bank/- en WID-administratie (Wet op de identificatieplicht) heeft bijgehouden. De geconstateerde tekortkomingen zijn, naar de eisen van een bedrijf dat naar eigen zeggen regelmatig personeel inhuurde en de uitlener in contanten betaalde, van dien aard dat de administratie van belanghebbende niet voldoet aan de in artikel 52 van de AWR geformuleerde eisen. Omkering en verzwaring van de bewijslast is dan ook, anders dan door de rechtbank is geoordeeld, gerechtvaardigd. Hierbij zij opgemerkt dat de jurisprudentie waaraan de rechtbank in r.o. 4.8. van haar uitspraak refereert, betrekking heeft op de informatieverplichting ex artikel 47 AWR en niet op een geval, zoals hier, waarin niet wordt voldaan aan de administratieverplichting. Het voorgaande houdt in dat het op de weg van belanghebbende ligt om te doen blijken - aannemelijk maken is dus niet toereikend - dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

Met betrekking tot de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 september 2006 tot en met 31 december 2006

5.7.

Belanghebbende heeft over dit tijdvak geen omzet op aangifte voldaan en/of aangegeven. Uit de door belanghebbende tijdens het boekenonderzoek overgelegde auditfile volgt evenwel een debiteurenpost ten bedrage van € 7.028,74 (incl. omzetbelasting). Daarop is de naheffingsaanslag gebaseerd.

5.8.

Op basis van de hem ter beschikking staande gegevens, de auditfile, heeft de inspecteur zich in alle redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bij de naheffingsaanslag in aanmerking genomen omzet op een reële schatting berust.

Belanghebbende heeft het van hem vereiste (zware) tegenbewijs niet geleverd. Met name heeft zij niet overtuigend aangetoond dat de door haar aan de inspecteur ter beschikking gestelde gegevens onjuist zijn.

Met betrekking tot de naheffingsaanslagen OB over het tijdvak 2007

5.9.

Bij zijn beoordeling zal het Hof aansluiten bij het door de rechtbank in 4.10.1 van haar uitspraak gegeven overzicht van de correcties. De correctie [E 6] is in hoger beroep niet in geschil. De correcties ‘suppletie’ en ‘meer omzet’, zijn in hoger beroep niet bestreden. Belanghebbende heeft in zoverre dan ook niet het van hem vereiste (zware) tegenbewijs geleverd. Ten aanzien van de correctie ‘horeca/auto/telefoonkosten’ is het Hof van oordeel dat de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Het Hof neemt deze beslissing over en maakt de gebruikte overwegingen tot de zijne.

5.10.

Ten aanzien van de correctie ‘geen aftrek werk derden’ [F 16]ad

€ 43.023,61, stelt het Hof voorop dat wanneer is voldaan aan alle materiële vereisten voor het recht op aftrek van voorbelasting en de belanghebbende de inspecteur een gecorrigeerde factuur bezorgt vóórdat de inspecteur een beslissing neemt, dit recht de belanghebbende in beginsel niet kan worden geweigerd op grond dat de oorspronkelijke facturen een fout bevatte. Echter, als de gegevens die nodig zijn om de facturen te vervolledigen en te corrigeren worden verstrekt nadat de inspecteur heeft beslist om het recht op btw-aftrek te weigeren, zoals in deze zaak, kan het recht op aftrek worden geweigerd, ook als uit de gecorrigeerde facturen mogelijkerwijs blijkt dat de gefactureerde handelingen daadwerkelijk zijn verricht (vgl. HvJ EU 8 mei 2013, “Petroma Transports SA” e.a., C-271/12). Nog daargelaten de betrouwbaarheid van de nadien overgelegde gecorrigeerde facturen, heeft de rechtbank deze reeds daarom terecht niet in haar oordeelsvorming betrokken.

5.11.

Uitgaande van de oorspronkelijk facturen, zoals die door de inspecteur zijn aangetroffen tijdens het door hem uitgevoerde boekenonderzoek, zal het Hof beoordelen of voldaan is aan de materiële vereisten voor het recht op btw-aftrek, te weten dat de diensten zijn verricht en dat de belanghebbende in bezit is van de vereiste facturen.

Voor wat betreft de correctie [F 17]heeft de inspecteur, onder verwijzing naar paragraaf 3.4 van het controlerapport, betwist dat de diensten daadwerkelijk zijn verricht omdat: corresponderende betalingsbewijzen niet in de administratie zijn aangetroffen; facturen zijn aangetroffen met verschillende factuurnummers; belanghebbende (vijftien) legitimatiebewijzen bij de politie [… 3] heeft aangevraagd hetgeen duidt op (inzet) van eigen personeel; inlening van personeel evenmin blijkt uit haar urenadministratie waarin herhaaldelijk is volstaan met de vermelding van voornamen en waarin geen onderscheid is aangebracht tussen eigen en ingehuurd personeel. De inspecteur heeft voorts aangevoerd dat[F 18] in 2008 failliet is gegaan en dat in haar administratie, die zich bij de curator bevond, niets is aangetroffen waaruit blijkt dat zij in 2007 diensten aan belanghebbende heeft verleend tegen betaling van (in totaal) € 235.000.

Belanghebbende heeft noch aan de hand van urenstaten, noch aan de hand van haar kasadministratie, noch op andere wijze het van haar vereiste (zware) tegenbewijs geleverd. De tot de gedingstukken behorende verklaring van [W] uit naam van[F 19]van 10 februari 2009 (zie paragraaf 3.4. van het controlerapport), inhoudende dat door belanghebbende ‘alle facturen zijn voldaan’ is in dit kader ontoereikend, omdat die verklaring, daargelaten of zij bevoegdelijk is afgelegd, zonder nadere toelichting over de aard en de omvang van de verrichte prestaties, die ontbreekt, bewijskracht ontbeert. Ook het feit dat met derden, waaronder[F 20], algemene raamovereenkomsten zijn gesloten doet aan dit oordeel niet af, omdat daaruit niet blijkt of deze overeenkomsten tot concrete projectopdrachten hebben geleid.

Het aftrekrecht van belanghebbende stuit in zoverre derhalve reeds af op het feit dat niet aannemelijk is geworden dat [F 21] in het onderwerpelijke tijdvak daadwerkelijk diensten aan belanghebbende heeft verricht. De vraag of de facturen aan de daaraan te stellen eisen voldoen behoeft in dat licht geen beoordeling.

Met betrekking tot de naheffingsaanslagen OB over het tijdvak 2008

5.12.

Bij zijn beoordeling zal het Hof aansluiten bij het door de rechtbank in 4.17 van haar uitspraak gegeven overzicht van de correcties. In hoger beroep zijn enkel de correcties[O en S 2]in geschil. Deze correcties zijn door de rechtbank in stand gelaten, omdat de inspecteur heeft aangevoerd dat op deze facturen het btw-nummer en de naam- en adresgegevens van de dienstverrichter ontbreken.

De rechtbank acht het ontbreken van de naam- en adresgegevens fataal. Dit oordeel is juist. Het Hof overweegt ter zake als volgt.

5.13.

Artikel 35, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet OB verplicht de ondernemer ter zake van zijn leveringen en diensten aan een andere ondernemer, een genummerde en gedagtekende factuur uit te reiken, waarin op duidelijke en overzichtelijke wijze onder meer zijn naam en adres zijn vermeld. Indien die gegevens op de factuur ontbreken dan wel onjuist of onvolledig zijn, kan niet gesproken worden van een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur in de zin van artikel 15, lid 1, van de Wet OB. In beginsel moet onder het op duidelijke en overzichtelijke wijze vermelden van de naam en het adres in de zin van artikel 35, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet worden verstaan het vermelden van de volledige naam van de ondernemer en diens volledige adres. Van belang hierbij is dat aan de hand van deze gegevens de ondernemer die de op de factuur vermelde prestatie heeft verricht, is te identificeren en te traceren. Aan de vereisten van artikel 35, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet OB is daarom alleen voldaan indien de ondernemer aan de hand van de op de factuur vermelde naam en het op de factuur vermelde adres kan worden geïdentificeerd en getraceerd (vgl. HR 8 maart 2013, nr. 11/01594).

5.14.

Het Hof kan zich verenigen met het (impliciete) oordeel van de rechtbank dat de inspecteur geloofwaardig heeft verklaard dat hij tijdens de controle in de administratie van belanghebbende enkel facturen heeft aangetroffen waarop geen dan wel onjuiste naam- en adresgegevenswaren waren vermeld, zodat identificatie van de dienstverrichter onmogelijk is. Voor het antwoord op de vraag of een dergelijk gebrek nog kan worden hersteld door het op een later moment overleggen van gecorrigeerde facturen verwijst het Hof naar het reeds aangehaalde arrest “Petroma Transports SA”. Dit arrest leidt het Hof tot het oordeel dat de in de beroepsfase door belanghebbende overgelegde gecorrigeerde facturen op naam van [O en S 3], niet tot het gewenste herstel en daarmee tot aftrek van voorbelasting kunnen leiden.

Ten aanzien van de boete

5.15.

Het Hof stelt voorop dat de inspecteur ingevolge artikel 67f, eerste lid, van de AWR - voor zover hier van belang - een vergrijpboete kan opleggen van ten hoogste 100 procent van de grondslag, indien het aan opzet of grove schuld van de belanghebbende is te wijten dat de belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, niet is betaald. Ingevolge het tweede lid van dat artikel wordt de grondslag gevormd door het bedrag van de belasting dat niet is betaald, voor zover dat bedrag als gevolg van opzet of grove schuld van de belastingplichtige niet is betaald. De inspecteur verwijt belanghebbende ‘grove schuld’, en heeft in alle hier aan de orde zijnde zaken een boete opgelegd van 25%.

5.16.

Indien een belanghebbende de bewijslast van een bepaald door hem gesteld feit heeft en hij er, indien een geschil ontstaat over de vraag of dat feit zich heeft voorgedaan, niet slaagt in het bewijs van dat feit, brengt dat op zichzelf niet mee dat hij opzet of grove schuld zou hebben aan het niet betalen van de verschuldigde belasting.

5.17.

Van grove schuld is alleen dan sprake - en de inspecteur heeft op dit punt de bewijslast - indien in rechte komt vast te staan dat het verwijt dat de betrokkenen kan worden gemaakt dermate groot is dat het in laakbaarheid aan opzet grenst.

Het Hof is met de rechtbank van oordeel dat belanghebbende een dergelijk groot verwijt treft. Gelet op de aard van haar bedrijfsvoering kwalificeert met name het ontbreken van een deugdelijke uren- en kasadministratie als aan opzet grenzende laakbaarheid. Ook heeft belanghebbende onvoldoende acht geslagen op de inhoud van de facturen die haar zijn uitgereikt door de door haar ingehuurde bedrijven. Ondanks daaraan klevende fatale gebreken, zoals het ontbreken van naam- en adresgegevens, heeft zij de daarop vermelde voorbelasting zonder meer in aftrek gebracht. Dit een en ander is zodanig laakbaar dat het aan opzet grenst.

5.18.

Het Hof onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank dat de vergrijpboeten van 25 procent van de na te heffen belasting in een juiste verhouding staan tot de ernst van het gepleegde vergrijp en de omstandigheden van het geval.

Door uit te gaan van een boete van 25% van de nageheven belasting, is naar het oordeel van het Hof genoegzaam rekening gehouden met de omstandigheid dat met betrekking tot de vaststelling van de belastingschuld sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast. In zoverre ziet het Hof, anders dan belanghebbende bepleit, geen aanleiding voor een verdere vermindering van de boete. Het Hof acht de boete ook passend en geboden.

Slotsom

5.19.

Het vorenstaande voert het Hof tot de conclusie dat het hoger beroep ongegrond is, zodat de bestreden uitspraak dient te worden bevestigd.

6 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. A. Bijlsma, voorzitter, C.J. Hummel en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van [de] als griffier. De beslissing is op 16 oktober 2014 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.