Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4471

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-10-2014
Datum publicatie
31-10-2014
Zaaknummer
14/00019
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Er is reden af te wijken van de standaardtermijnen en wel in die zin dat de redelijke behandelingsduur voor de bezwaarfase in het onderhavige geval wordt gesteld op anderhalf jaar en voor de behandeling in de beroepsfase op tweeëneenhalf jaar.

Het Hof wijst het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente over het bedrag aan te vergoeden immateriële schade af. Voor zover belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van rente tot aan de datum van de onderhavige uitspraak, dient dit verzoek te worden afgewezen aangezien het in de jurisprudentie ontwikkelde schadevergoedingstarief van € 500 per half jaar termijnoverschrijding naar ’s Hofs oordeel is bedoeld als een forfaitaire tegemoetkoming voor de geleden immateriële schade.

Voor zover belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van (wettelijke) rente bij (te late) uitbetaling van de immateriële schadevergoeding na de datum van de rechterlijke uitspraak, wijst het Hof op het bepaalde in artikel 8:76 Awb. Op grond van deze bepaling levert de onderhavige uitspraak een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten uitvoer kan worden gelegd. Gelet hierop bestaat evenmin aanleiding tot vergoeding van wettelijke rente vanaf de datum van de gecasseerde uitspraak van het gerechtshof ’s-Gravenhage, aangezien deze uitspraak (als gevolg van het ingestelde cassatieberoep) niet onherroepelijk is komen vast te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 14/00019

16 oktober 2014

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

inzake het beroep - na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden - van

[A] te[B], belanghebbende,

[…]

betreffende een verzoek van belanghebbende tot het toekennen van een vergoeding van immateriële schade (hierna: het verzoek)

in het geding tussen

belanghebbende

en

- de Staat, de Minister van Veiligheid en Justitie te Den Haag, door tussenkomst

van de Raad voor de Rechtspraak, de Minister,

- de inspecteur van de Belastingdienst Haaglanden (kantoor Gouda), de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De uitspraak van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 25 mei 2012 waarop de onderhavige procedure na verwijzing betrekking heeft, betreft aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/Pvv) over de jaren 1993 tot en met 2000, aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting (hierna: VB) over de jaren 1993 tot en met 2000, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

1.2.

Het gerechtshof ’s-Gravenhage heeft bij zijn uitspraak in de sub 1.1. genoemde zaken als volgt beslist:

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken van de inspecteur;

- vernietigt de kwijtscheldingsbesluiten;

- vernietigt de navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor de jaren 1993 tot en met 1997, telkens met inbegrip van de daarin begrepen verhoging, en de bijbehorende beschikkingen heffingsrente;

- handhaaft de navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor de jaren 1998 tot en met 2000 en de bijbehorende beschikkingen heffingsrente;

- wijzigt de op die aanslagen betrekking hebbende boetebeschikkingen aldus, dat telkens de boete wordt vastgesteld op 64 percent van de belasting;

- vernietigt de navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting voor de jaren 1993 tot en met 1998, telkens met inbegrip van de daarin begrepen verhoging, en de bijbehorende beschikkingen heffingsrente;

- handhaaft de navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting voor de jaren 1999 en 2000 en de bijbehorende beschikkingen heffingsrente;

- wijzigt de op die aanslagen betrekking hebbende boetebeschikkingen aldus, dat telkens de boete wordt vastgesteld op 64 percent van de belasting;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2.576; en

- gelast de Inspecteur het griffierecht van € 37 aan belanghebbende te vergoeden.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het gerechtshof ’s-Gravenhage beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. De Staatssecretaris van Financiën heeft een

verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

1.4.

Bij arrest van 20 december 2013, nr. 12/03312, ECLI:NL:HR:2013:1822, heeft de Hoge Raad, voor zover hier nog van belang, de uitspraak van het gerechtshof 's-Gravenhage vernietigd voor zover dat hof had nagelaten te beslissen op het door belanghebbende gedane verzoek tot vergoeding van immateriële schade en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar dit Hof.

1.5.

Partijen zijn door de griffier van het Hof in de gelegenheid gesteld een schriftelijke reactie op het arrest in te dienen. De inspecteur heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 17 februari 2014, belanghebbende bij brief van 20 februari 2014, en de Minister bij brief van 12 maart 2014 van de Raad van de rechtspraak. In die brief heeft de Minister zich gerefereerd aan het oordeel van het Hof. Bij brief van 7 augustus 2014 heeft de Raad van de rechtspraak laten weten dat de Staat zich niet zal laten vertegenwoordigen ter zitting.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2014. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Geding na cassatie

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 20 december 2013, voor zover voor het geding na verwijzing van belang, het volgende overwogen:

2. Beoordeling van de door belanghebbende voorgestelde middelen

2.1.1. Het Hof heeft de zaak behandeld ter zitting van 15 april 2011 en nader behandeld ter zitting van

10 januari 2012 en het onderzoek toen gesloten. Het heeft vervolgens op 25 mei 2012 uitspraak gedaan.

2.1.2. Belanghebbende heeft vóór de sluiting van het onderzoek op 10 januari 2012 bij brief van 5 januari 2012

met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb een verzoek gedaan tot vergoeding van immateriële schade en daarbij voor zover nodig verzocht het onderzoek ter zitting te heropenen. Het Hof heeft de gevraagde

heropening geweigerd en de brief van belanghebbende niet tot de gedingstukken gerekend, onder meer omdat naar ‘s Hof s oordeel de schorsing van het onderzoek ter zitting niet ertoe heeft gestrekt een der partijen de

gelegenheid te bieden nieuwe geschilpunten op te werpen.

Daartegen richt zich middel 2.

2.1.3. Het middel slaagt. Aangezien het verzoek van belanghebbende vóór de sluiting van het onderzoek is

gedaan, had het Hof daaraan niet voorbij mogen gaan (vgl. onder meer HR 12 april 2013, nr. 12/01566,

ECLI:NL:HR:2013:BZ6799, BNB 2013/134).

3 Feiten

3.1.

De uitspraak van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 25 mei 2012 heeft betrekking op de over de jaren 1993 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen IB/Pvv, de over de jaren 1993 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen VB, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De belastingaanslagen zijn alle opgelegd in het kader van het zogeheten Rekeningenproject.

3.2.1.

De tegen de navorderingsaanslagen IB/Pvv 1993, 1994, 1995 en 2000 en VB 1993 tot en met 2000 (en de daarmee verband houdende beschikkingen, zoals vermeld onder 3.1) gerichte bezwaarschriften zijn bij de inspecteur ingekomen op 4 juni 2003.

De tegen de navorderingsaanslagen IB/Pvv 1996, 1997, 1998 en 1999 (en daarmee verband houdende beschikkingen) gerichte bezwaarschriften zijn bij de inspecteur ingekomen op 5 juni 2003.

3.2.2.

De inspecteur heeft de beslissing op de bezwaarschriften aangehouden om redenen van proceseconomie. Bij brief van 17 mei 2004 heeft de Staatssecretaris van Financiën toestemming verleend om de uitspraak op de bezwaarschriften te verdagen tot twee jaar na de datum van ontvangst ervan.

3.2.3.

De inspecteur heeft met dagtekening 7 juli 2004 uitspraak gedaan op de bezwaarschriften. Het beroep van belanghebbende tegen die uitspraken is op 21 juli 2004 bij het gerechtshof ’s-Gravenhage ingekomen.

3.3.

Bij de bezwaarprocedure en de daarop volgende procedure bij het gerechtshof ’s-Gravenhage zijn de in 3.1. vermelde belastingaanslagen en beschikkingen telkens gezamenlijk behandeld.

3.4.

In verband met de omstandigheid dat de Hoge Raad bij arrest van 21 maart 2008, nr. 3670, ECLI:NL:HR:2008:BC7249, BNB 2008/160, aan het Hof van Justitie prejudiciële vragen had gesteld over – kort gezegd – de toelaatbaarheid van de verlengde navorderings-termijn, heeft het gerechtshof ’s-Gravenhage de zaken waarin die kwestie speelde, aangehouden.

4 Geschil

4.1.

In het geding na verwijzing is nog in geschil of de redelijke termijn is overschreden bij de behandeling van de zaak van belanghebbende in bezwaar en beroep en, zo ja, of en tot welk bedrag aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade dient te worden toegekend.

4.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. De Minister heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het Hof.

5 Beoordeling van het geschil

5.1.1.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zowel in de bezwaarfase als in de beroepsfase sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn. De termijnoverschrijding bedraagt volgens belanghebbende, rekening houdend met de in de jurisprudentie van de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunten, in de bezwaarfase een maand en in de beroepsfase vijf jaar en ruim tien maanden. Gelet hierop maakt belanghebbende aanspraak op een schadevergoeding van € 500 wegens termijnoverschrijding in de bezwaarfase en van € 6.000 wegens termijnoverschrijding in de beroepsfase. Over beide bedragen verzoekt belanghebbende vergoeding van wettelijke rente, te rekenen vanaf de datum van indiening van het verzoek tot vergoeding van immateriële schade tot aan de datum van algehele voldoening.

5.1.2.

De inspecteur is van opvatting dat in de bezwaarfase geen sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn, aangezien met name de complexiteit van de zaken een bijzondere omstandigheid oplevert die de feitelijke behandelingsduur van de bezwaren rechtvaardigt. Voor het berekenen van wettelijke rente over een bedrag aan immateriële schadevergoeding is volgens de inspecteur hoe dan ook geen grond, aangezien het op grond van de jurisprudentie gehanteerde tarief van € 500 per half jaar termijnoverschrijding is bedoeld als een forfaitair berekend schadevergoedingsbedrag waarin alle te vergoeden componenten reeds zijn verdisconteerd.

5.2.1.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 juni 2011, nr. 09/02639, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BNB 2011/232, onder meer het volgende overwogen:

“3.3.1 (…) Dit beginsel [Hof: het beginsel van de rechtszekerheid] noopt ertoe dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden beslecht (…) Aangezien dit vereiste berust op een rechtsbeginsel dat ten grondslag ligt aan artikel 6 van het EVRM, wordt aansluiting gezocht bij de jurisprudentie over dat artikel van het EHRM. (…) Uit die jurisprudentie volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld. (…)

3.3.2.

Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet (…) aangesloten worden bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, LJN AO9006, BNB 2005/337.”

5.2.2.

Op grond van het evenvermelde arrest van 22 april 2005 van de Hoge Raad neemt het Hof tot uitgangspunt:

- dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg (de duur van de bezwaarfase inbegrepen) niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechter niet binnen twee jaar na aanvang van de termijn uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden;

- dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechter niet binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden;

- dat als bijzondere omstandigheid – waarvan de redelijkheid van de duur van de behandeling mede afhankelijk is – onder meer is aan te merken de ingewikkeldheid van de zaak, waartoe bijvoorbeeld kan worden gerekend de aard en omvang van de fiscale problematiek, de omvang van het verrichte onderzoek, alsmede de verknochtheid van het belastbare en/of beboetbare feit met andere belastbare en/of beboetbare feiten betreffende dezelfde of andere

belastingplichtige(n). Ook de invloed van de belanghebbende en/of diens gemachtigde op het procesverloop kan van betekenis zijn.

5.3.

Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2013, nr. 11/04270, ECLI:NL:HR:2013:BX6666, BNB 2013/152, moet ervan worden uitgegaan dat in belasting-zaken waarin de bezwaar- en beroepsfase tezamen (de ‘eerste fase') onredelijk veel tijd in beslag hebben genomen, de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt.

5.4.

In zijn arrest van 21 maart 2014, nr. 12/04057, ECLI:NL:HR:2014:540, BNB 2014/117, heeft de Hoge Raad overwogen dat indien meerdere zaken van een belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld en die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, voor die zaken gezamenlijk slechts éénmaal het tarief van € 500 per halfjaar wordt gehanteerd, waarbij de overschrijding van de redelijke termijn dient te worden berekend vanaf de datum van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel.

5.5.

Het onderhavige verzoek ziet op de (volgens belanghebbende onredelijk lange) duur van de behandeling van het bezwaar en van het beroep bij het gerechtshof ’s-Gravenhage, de eerste en enige feitenrechter in de in 3.1. bedoelde zaken. Gelet op het hiervoor genoemde arrest van 21 maart 2014 dient de behandelingsduur van die zaken gezamenlijk te worden beoordeeld. In termen van voormeld arrest van 22 april 2005 gaat het hier om de beoordeling van de vraag of de redelijke behandelingstermijn in de ‘eerste fase’ is overschreden.

5.6.

Met inachtneming van het vorenoverwogene stelt het Hof vast dat in deze zaken de (langste) behandelingsduur van het bezwaar 1 jaar en ruim 1 maand heeft bedragen en de behandelingsduur van het beroep 7 jaar en ruim 10 maanden. De behandelingsduur van de zaken in de ‘eerste fase’– het tijdsverloop tussen de indiening van het (eerste) bezwaarschrift en de uitspraak van het gerechtshof ’s-Gravenhage – heeft 8 jaar en ruim 11 maanden bedragen. Het tijdsverloop in de ‘eerste fase’ (tot aan de bekendmaking van de uitspraak van het gerechtshof ’s-Gravenhage) geeft gelet op de in 5.2. en 5.3. vermelde uitgangspunten in beginsel aanleiding tot het toekennen van een immateriële schadevergoeding ten laste van zowel de inspecteur als de Minister.

5.7.

Bij de beantwoording van de vraag of de zaken binnen redelijke termijn zijn behandeld, kunnen bijzondere omstandigheden in aanmerking worden genomen. Als zodanig heeft de inspecteur erop gewezen dat de onderhavige zaken moeten worden gekwalificeerd als zeer complex omdat daarin een veelheid van feitelijke en (voor een groot deel nieuwe) rechtsvragen speelt en waarbij coördinatie tussen de zaken in verband met het grote aantal daarbij betrokken belastingplichtigen diende plaats te vinden.

5.8.

Naar ’s Hofs oordeel is te dezen inderdaad sprake van zeer complexe zaken. De inhoudelijke complexiteit, zowel juridisch als feitelijk, gold niet alleen voor de inspecteur maar ook voor de rechterlijke instanties die de zaken te beoordelen kregen. In het onderhavige geval wordt dat geïllustreerd door het feit dat het gerechtshof ’s-Gravenhage de zaken heeft aangehouden in verband met de lopende prejudiciële procedure over de verlengde navorderingstermijn. Een complicerende factor was voorts gelegen in de noodzakelijke afstemming en coördinatie door de Belastingdienst bij de behandeling van en de standpuntbepaling jegens een groot aantal belastingplichtigen; voor de rechterlijke instanties gold als vergelijkbare complicerende factor het bewaken van consistentie in haar

uitspraken.

5.9.

Op grond van de in 5.7 en 5.8. genoemde bijzondere omstandigheden zijn naar ’s Hofs oordeel termen aanwezig af te wijken van de in 5.2. en 5.3. vermelde standaardtermijnen en wel in die zin dat de redelijke behandelingsduur voor de bezwaarfase in het onderhavige geval wordt gesteld op anderhalf jaar en voor de behandeling in de beroepsfase op tweeëneenhalf jaar. Dit betekent derhalve dat de termijnoverschrijding van de behandeling in de ‘eerste fase’ vier jaar en ruim 11 maanden bedraagt welke overschrijding gelet op hetgeen in 5.6 is vastgesteld, volledig aan de beroepsfase dient te worden toegerekend.

5.10.

Omdat de zaken gemeenschappelijk zijn behandeld en in hoofdzaak betrekking hadden op hetzelfde onderwerp, kent het Hof éénmaal een vergoeding van € 500 voor iedere zes maanden (of resterend deel van zes maanden) toe, zodat de vergoeding in totaal 10 x € 500 = € 5.000 beloopt.

5.11.1.

Het Hof wijst het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente over het bedrag aan te vergoeden immateriële schade af. Voor zover belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van rente tot aan de datum van de onderhavige uitspraak, dient dit verzoek te worden afgewezen aangezien het in de jurisprudentie ontwikkelde schadevergoedingstarief van € 500 per half jaar termijnoverschrijding naar ’s Hofs oordeel is bedoeld als een forfaitaire tegemoetkoming voor de geleden immateriële schade. Voor toekenning van een (aanvullende) vergoeding van rente bij wege van schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 Awb is dan ook geen plaats (vgl. HR 24 september 2010, nr. 09/03257, BNB 2010/325, inzake vergoeding van rente in geval van een veroordeling tot vergoeding van het betaalde griffierecht).

5.11.2.

Voor zover belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van (wettelijke) rente bij (te late) uitbetaling van de immateriële schadevergoeding na de datum van de rechterlijke uitspraak, wijst het Hof op het bepaalde in artikel 8:76 Awb. Op grond van deze bepaling levert de onderhavige uitspraak een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten uitvoer kan worden gelegd. Gelet hierop bestaat evenmin aanleiding tot vergoeding van wettelijke rente vanaf de datum van de gecasseerde uitspraak van het gerechtshof ’s-Gravenhage, aangezien deze uitspraak (als gevolg van het ingestelde cassatieberoep) niet onherroepelijk is komen vast te staan; van een verzuim van de Staat tot het (korte tijd na) deze uitspraak uitbetalen van een immateriële schade is daarom geen sprake. Dit nog daargelaten de omstandigheid dat in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Gravenhage geen betalingsverplichting aan de Staat is opgelegd.

Slotsom

5.12.

Al het voorgaande leidt ertoe dat de Minister een vergoeding van € 5.000 verschuldigd is.

6 Kosten

6.1.

Het Hof acht termen aanwezig de Minister te veroordelen in de door belanghebbende voor de verzoekprocedure gemaakte kosten, waarbij het Hof, gelet op de inhoud van de desbetreffende dossiers, de onderhavige zaak en de zaken met nummers 14/00020 tot en met 14/00022, aanmerkt als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

6.2.

In dit geval komen voor vergoeding in aanmerking de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht te stellen op 1,5 (proceshandelingen: indienen schriftelijke reactie (0,5) en verschijnen ter zitting) x 0,5 (zwaarte van de zaak) x € 487 (waarde per punt) = € 365,25 vermenigvuldigd met factor 1,5, alzo (afgerond) € 548. In verband met de samenhang wordt per zaak een vierde van deze vergoeding toegekend. Per zaak bedraagt de vergoeding derhalve € 137.

7 Beslissing

Het Hof

- veroordeelt de Staat, de Minister van Veiligheid en Justitie, tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade, vastgesteld op € 5.000, en tot het betalen van een proceskostenvergoeding, vastgesteld op € 137.

De uitspraak is gedaan door mrs. J. den Boer, voorzitter, E.F. Faase en H.E. Kostense, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van [de] griffier. De beslissing is op 16 oktober 2014 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.