Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4470

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-10-2014
Datum publicatie
31-10-2014
Zaaknummer
14/00069
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

1. Belanghebbende heeft na het einde van de termijn bezwaar gemaakt. Belanghebbende heeft geen omstandigheden gesteld waardoor het niet aan hem is toe te rekenen dat het bezwaar te laat is ingediend.

2. De redelijke termijn voor de behandeling in het bezwaar en het beroep is bij gerechtshof ’s-Gravenhage met 5 jaar en ruim 4 maanden overschreden. Omdat de zaken gemeenschappelijk zijn behandeld en in hoofdzaak betrekking hadden op hetzelfde onderwerp, kent het Hof éénmaal een vergoeding van € 500 voor iedere zes maanden (of resterend deel van zes maanden) toe, zodat de vergoeding in totaal 11 x € 500 = € 5.500 beloopt. Van de totale vergoeding van € 5.500 rekent het Hof

€ 500 toe aan de inspecteur en € 5.000 aan de Minister.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 14/00069

2 oktober 2014

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

inzake het beroep - na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden - van

[A te B] , belanghebbende,

[… 1]

tegen een uitspraak van

de inspecteur van de Belastingdienst[… 2], de inspecteur

en betreffende een verzoek van belanghebbende tot het toekennen van een vergoeding van immateriële schade (hierna: het verzoek)

in het geding tussen

belanghebbende

en

- de Staat, de Minister van Veiligheid en Justitie te Den Haag, door tussenkomst

van de Raad voor de Rechtspraak, de Minister,

- de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 31 december 2003 aan belanghebbende voor het jaar 2000 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/Pvv) opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen van f 113.801 (hierna: de aanslag). Gelijktijdig met de aanslag is bij beschikking een boete ad f 4.956 opgelegd alsmede heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak van 20 oktober 2004 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.3.

Bij uitspraak van 8 juni 2012 heeft het gerechtshof ’s-Gravenhage de uitspraak van de inspecteur vernietigd, de aanslag gehandhaafd, de boetebeschikking vernietigd en de boete vastgesteld op 12 percent van de verschuldigde belasting, met nevenbeslissingen inzake proceskosten en griffierecht als in de uitspraak vermeld.

1.4.

De inspecteur heeft tegen de uitspraak van het gerechtshof ’s-Gravenhage beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Belanghebbende heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

1.5.

Bij arrest van 24 januari 2014, nr. 12/03558, ECLI:NL:HR:2014:89, BNB 2014/45, heeft de Hoge Raad beide beroepen in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van het gerechtshof ‘s-Gravenhage vernietigd, doch uitsluitend voor zover die betrekking heeft op de boete ter zake van de IB/Pvv voor het jaar 2000 en voor zover het Hof heeft nagelaten te beslissen op het door belanghebbende gedane verzoek tot vergoeding van immateriële schade, en het geding verwezen naar het gerechtshof Amsterdam (het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

1.6.

Partijen zijn door de griffier van het Hof in de gelegenheid gesteld een schriftelijke reactie op het arrest in te dienen. De inspecteur heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt bij brieven van 17 februari 2014 en 25 augustus 2014, de Minister bij brief van 12 maart 2014, en belanghebbende bij brief van 29 augustus 2014.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2014. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

1.8.

De griffier heeft na de zitting telefonisch contact opgenomen met de gemachtigde[… 3] en hem de vraag gesteld of hij de brief van de inspecteur van 17 februari 2014 heeft ontvangen. De gemachtigde heeft hierop bevestigend geantwoord.

2 Geding na cassatie

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 24 januari 2014, voor zover voor het geding na verwijzing van belang, het volgende overwogen:

“2. Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel

2.1.

Het Hof heeft geoordeeld dat het boeten van 15 percent in het onderhavige geval passend, gelet op de aard van het vergrijp, en geboden acht, uit een oogpunt van normhandhaving, behoudens de gevolgen wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hiertegen keert zich het middel.

2.2.1.

In de toelichting op het middel wordt onder meer betoogd dat het Hof bij zijn hiervoor in onderdeel 2.1 vermelde oordeel wat betreft de boete ter zake van de IB/PVV voor het jaar 2000, is voorbijgegaan aan het feit dat het tegen die boetebeschikking gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.

2.2.2.

Het middel slaagt in zoverre. Indien het Hof heeft bedoeld dat het de boete, ongeacht de niet-ontvankelijkheid van het daartegen gemaakte bezwaar, op de hiervoor in onderdeel 2.1 vermelde gronden kon verminderen, is zijn oordeel onjuist. Indien het Hof heeft bedoeld te oordelen dat het bezwaar tegen de boete ontvankelijk is te achten, is zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Uit ‘s Hof s uitspraak blijkt immers niet op grond van welke feiten en omstandigheden het tot dat oordeel is gekomen.

(…)

3. Beoordeling van de door belanghebbende voorgestelde middelen

3.1.1.

Het Hof heeft de zaak behandeld ter zitting van 18 maart 2011 en de mondelinge behandeling toen geschorst met het doel partijen in de gelegenheid te stellen over de afwikkeling van de zaak tot een akkoord te komen. Bij brief van 16 augustus 2011 heeft belanghebbende aan het Hof meegedeeld dat partijen niet tot een akkoord zijn gekomen. Kennelijk heeft het Hof het onderzoek toen gesloten. Het heeft vervolgens op 8 juni 2012 uitspraak gedaan.

3.1.2.

Belanghebbende heeft in de hiervoor in 3.1.1. vermelde brief van 16 augustus 2011 een verzoek gedaan om in de gelegenheid te worden gesteld een schriftelijke reactie te geven op het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2011, nr. 09/02639, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BNB 2011/232, inzake schadevergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof heeft het door belanghebbende verzochte kennelijk aangemerkt als een verzoek om heropening van het onderzoek, heeft dat geweigerd en de brief van belanghebbende in zoverre niet tot de gedingstukken gerekend, onder meer omdat naar ‘s Hof s oordeel de schorsing van het onderzoek ter zitting niet ertoe heeft gestrekt een der partijen de gelegenheid te bieden nieuwe geschilpunten op te werpen.

Daartegen richt zich middel IV.

3.1.3.

Het middel slaagt. Aangezien het verzoek van belanghebbende vóór de sluiting van het onderzoek is gedaan, had het Hof daaraan niet voorbij mogen gaan (vgl. onder meer HR 12 april 2013, nr. 12/01566, ECLI:NL:HR:2013:BZ6799, BNB 2013/134).”

3 Geschil

3.1.

In het geding na verwijzing is nog in geschil:

- de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift tegen de boetebeschikking IB/pvv
2000 en

- de vraag of de redelijke termijn is overschreden bij de behandeling van de zaak van

belanghebbende in bezwaar en beroep en, zo ja, of en tot welk bedrag aan
belanghebbende een vergoeding van immateriële schade dient te worden
toegekend.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4 Feiten

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift

4.1.1. Belanghebbende heeft aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen van f 80.672 en daarbij geen melding gemaakt van een rekening bij de Kredietbank S.A. Luxembourgeoise te Luxemburg (KBL).

4.1.2. De inspecteur heeft bij brief van 5 december 2003 belanghebbende ervan in kennis gesteld dat hij voornemens is het aangegeven belastbaar inkomen te verhogen met f 33.129, waarvan f 19.631 ter zake van (fictief) rendement uit hoofde van de rekening bij KBL, en een vergrijpboete op te leggen van 50% over de over die bijtelling verschuldigde belasting, met als motivering dat en waarom belanghebbende met betrekking tot het niet vermelden in de aangifte van de door hem bij KBL aangehouden rekening (voorwaardelijk) opzet wordt verweten.

4.1.3. De aanslag, met als nummer [… 4], heeft als dagtekening 31 december 2003. De Inspecteur heeft een kopie van het aanslagbiljet overgelegd.

De aanslag is opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 113.801, bestaande uit het aangegeven belastbare inkomen van f 80.672, vermeerderd met f 12.720 voor privégebruik auto, f 252 voor rente-inkomsten, en f 19.631 voor inkomsten uit hoofde van de KBL-rekening. Zoals ook uit het aanslagbiljet blijkt is gelijktijdig met de aanslag de vergrijpboete vastgesteld op f 4.956.

4.1.4. Belanghebbende, althans de huidige gemachtigde, heeft bij faxbericht van 18 mei 2004 tegen de aanslag en boetebeschikking bezwaar gemaakt.

4.1.5. De inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de voor het in bezwaar gaan geldende termijn. De uitspraak op bezwaar vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:

“Het bezwaarschrift inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2000 is op 19 mei 2004 ingediend. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend als het binnen zes weken na de dagtekening van de aanslag bij mij is bezorgd. De aanslag is gedagtekend 31 december 2003. Nu het bezwaarschrift niet binnen de vorenvermelde termijn bij de belastingdienst is binnengekomen, is uw bezwaarschrift niet tijdig ingediend. Daarom verklaar ik u niet-ontvankelijk in uw bezwaar.”

De inspecteur heeft geen reden gezien ambtshalve aan belanghebbendes bezwaar tegemoet te komen.

4.1.6. In het verweerschrift, gedagtekend 24 april 2006, is met betrekking tot de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift het volgende vermeld;

“Het bezwaarschrift inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2000 is op 19 mei 2004 ingediend. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend als het binnen zes weken na de dagtekening van de aanslag is ontvangen.
De aanslag is gedagtekend 31 december 2003. Nu het bezwaarschrift niet binnen de vorenvermelde termijn is ontvangen, is het bezwaarschrift niet tijdig ingediend. Belanghebbende is daarom niet ontvankelijk in zijn bezwaar.”

4.1.7. Bij brief van 25 augustus 2014 heeft de inspecteur een ambtsedige verklaring overgelegd van (blijkens die verklaring) [C] ambtenaar van de Belastingdienst en werkzaam bij de eenheid [… 5], opgemaakt [… 6] op 23 december 2003. Deze luidt voor zover hier van belang als volgt:

“Betreft: [A] Aanslagnummers [… 7]

(…)

verklaart op de eed/gelofte 1) bij de aanvang zijner bediening afgelegd, de (navorderings)- aanslagbiljetten inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1991, 2000 en vermogensbelasting 1992 met brieven inzake mededeling op

23 december 20003 omstreeks 12.35 uur

in opdracht van de

Unit niet winst van de Belastingdienst[… 8]:

3) te hebben bezorgd op het op de (navorderings)aanslagbiljetten en brieven vermelde adres, nadat ik diverse malen gepoogd had deze persoonlijk aan geadresseerde of één zijner huisgenoten/vertegenwoordigers te overhandigen.”

4.1.8. In het nadere stuk van de inspecteur van 25 augustus 2014 is nog het volgende vermeld:

“Bij het voorbereiden van de zitting constateerde ik dat de verklaring van de ambtenaar over de bezorging ten onrechte niet als bijlage bij het verweerschrift noch bij mijn latere conclusie is gevoegd. Om deze omissie te herstellen doe ik u hierbij deze verklaring alsnog toekomen (in drievoud).”

Met betrekking tot het verzoek om toekenning van een vergoeding van immateriële schade

4.2.1. De uitspraak van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 8 juni 2012 heeft betrekking op de over de jaren 1990 en 1992 tot en met 2000 opgelegde belastingaanslagen IB/Pvv, de over de jaren 1991 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen vermogensbelasting (VB), de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De belastingaanslagen zijn alle opgelegd in het kader van het zogeheten Rekeningenproject.

4.2.2.1. De navorderingsaanslagen IB/Pvv 1990 en VB 1991 zijn gedagtekend 31 december 2002.

De navorderingsaanslagen IB/Pvv 1992 tot en met 2000 en VB 1993 tot en met 1997 zijn gedagtekend 28 februari 2004.

De navorderingsaanslagen IB/Pvv 1997 tot en met 1999 en VB 1998 tot en met 2000 zijn gedagtekend 5 maart 2004.

De aanslag IB/Pvv 2000 is gedagtekend 31 december 2003.


4.2.2.2. De tegen de navorderingsaanslagen IB/Pvv 1990 en VB 1991 gerichte bezwaar-schriften zijn bij de inspecteur ingekomen op 22 januari 2003.

De tegen de navorderingsaanslagen IB/Pvv 1992 tot en met 1999 en VB 1993 tot en met 2000 gerichte bezwaarschriften zijn bij de inspecteur ingekomen op 30 maart 2004.

Het tegen de aanslag IB/Pvv 2000 gerichte bezwaarschrift is bij de inspecteur ingekomen op 19 mei 2004.


4.2.2.3. De inspecteur heeft met dagtekening 20 oktober 2004 uitspraak gedaan op de in 4.2.2.2. vermelde bezwaarschriften. Het beroep van belanghebbende tegen die uitspraken is op 1 december 2004 bij het gerechtshof ’s-Gravenhage ingekomen.

4.2.3. Bij de bezwaarprocedure en de daarop volgende procedure bij het gerechtshof ’s-Gravenhage zijn de in 4.2.1. vermelde beschikkingen telkens gezamenlijk behandeld.

4.2.4. De inspecteur heeft de beslissing op de bezwaarschriften IB/Pvv1990 en VB 1991 aangehouden om redenen van proceseconomie. Bij brief van 1 december 2003 heeft de staatssecretaris van Financiën toestemming verleend om de uitspraak op het bezwaarschrift te verdagen tot uiterlijk 22 januari 2005.

4.2.5. In verband met de omstandigheid dat de Hoge Raad bij arrest van 21 maart 2008, nr. 3670, ECLI:NL:HR:2008:BC7249, BNB 2008/160, aan het Hof van Justitie prejudiciële vragen had gesteld over – kort gezegd – de toelaatbaarheid van de verlengde navorderings-termijn, heeft het gerechtshof ’s-Gravenhage de zaken waarin die kwestie speelde, aangehouden.

4.2.6. De inspecteur heeft in zijn brief van 17 februari 2014 onder meer het volgende meegedeeld:

“Immateriële schade

De onderhavige procedure is een van de procedures in het kader van het zgn. Rekeningenproject. Er is sprake van een procedure welke — zeker in het begin daarvan — kan worden gekwalificeerd als een zeer complexe zaak, waarin een veelheid van feitelijke en rechtsvragen speelde (zie bijv. ook de vele nieuwe jurisprudentie die in het kader van het Rekeningenproject is gevormd). Inmiddels zijn vele rechts- en feitelijke vragen in het kader van het rekeningenproject KBLux beantwoord (zo zijn bijv. de vragen ten aanzien van de schatting en de verlengde navorderingstermijn (…) in 2011 beslist). De beoordeling van een redelijke beslistermijn moet echter plaatsvinden naar de situatie op het moment dat het bezwaar en/of beroep werd ingediend en de beslissing moest worden genomen. Op dat moment waren alle vraagpunten nog onbeslist. Dit betekent dat naar mijn mening voor de procedure in eerste aanleg (Inspecteur en Gerechtshof) uitgegaan moet worden van een langere redelijke beslistermijn dan twee jaar.

Bovendien wijs ik nog op het volgende.

In de periode waarin het bezwaar werd ingediend was de wettelijke behandeltermijn voor een bezwaar nog één jaar (art 25 lid 1 AWR tekst 2003). In een aantal zaken is gebruik gemaakt van de mogelijkheid die art 25 lid 2 AWR (tekst 2003) bood om de termijn voor het doen van uitspraken te verlengen. Daarvoor was toestemming van de Minister nodig. Een dergelijke verlenging werd uiteraard niet gevraagd of gegeven voor eenvoudige zaken. In casu is dit gebeurd voor de eerste twee bezwaarschriften: voor IB/PVV 1990 en VB 1991.

Hoewel deze wettelijke termijn op zich niet meebrengt dat de bezwaartermijn voor de Inspecteur een jaar zou moeten zijn, geeft de wet daarmee wel een indicatie voor de termijn waarbinnen afwikkeling van een niet eenvoudig bezwaarschrift door de Inspecteur nog als een redelijke beslistermijn moet worden beschouwd.

De onderhavige aanslagen zijn opgelegd in het kader van het Rekeningenproject. Reeds daardoor was duidelijk dat er geen sprake was van een eenvoudige zaak.

(…)

In casu zijn de bezwaarschriften voor de in geschil zijnde periode op diverse data ingediend. Voor IB/VB 1990/1991 zijn de bezwaarschriften op 22 januari 2003 binnengekomen, voor IB/VB 1992/1993

— IB/VB 1999/2000 zijn de bezwaarschriften op 30 maart 2004 binnengekomen en voor IB 2000 op 19

mei 2004 (bijlage A9, A18 en A20). Het bezwaar tegen IB/VB 1990/91 was uiterst summier gemotiveerd; de overige bezwaarschriften waren zgn. pro forma bezwaarschriften.

Op 3 juni 2004 wordt de belanghebbende verzocht aan te geven of hij instemt met aanhouding. Zo neen, dan wordt hij verzocht het bezwaar te motiveren. Er is niet ingestemd met aanhouding. De belanghebbende (gemachtigde) is vervolgens in september 2004 gehoord. Daarna is op 20 oktober 2004 uitspraak gedaan.

Alleen voor het jaar IBNB 1990/91 heeft de volledige bezwaarfase iets langer dan anderhalf jaar geduurd; voor de overige jaren heeft de bezwaarfase iets langer dan zes maanden geduurd en voor het jaar IB 2000 zelfs korter dan een zes maanden. De periode tussen motivering en uitspraak heeft in alle gevallen minder dan een half jaar geduurd.

(…)

Dat de inspecteur snel na de motivering uitspraak kon doen, komt niet omdat er sprake zou zijn van een eenvoudig bezwaar of een eenvoudige zaak. Het was mogelijk omdat in de tussentijd de Inspecteur geanticipeerd heeft op de vermoedelijk door de gemachtigde in te nemen standpunten of naar voren te brengen bezwaren. Immers: in de periode voorafgaand aan de uitspraak waren ook door andere gemachtigden bezwaren, standpunten en stellingen naar voren gebracht. Ook had het overleg en de formulering van de rechtsvragen en standpunten in het kader van de zgn. Nautaprocedure plaatsgevonden. Aan de hand van al deze elementen kon in de periode voorafgaand aan de vermoedelijke motivering van de gemachtigde al gewerkt worden aan de formulering van de

standpunten in de uitspraak. Na binnenkomst van de uiteindelijke motivering en de beoordeling daarvan kon daarom snel de definitieve uitspraak worden geformuleerd.”

4.2.7. Namens de Minister heeft de Raad voor de rechtspraak in zijn brief van 12 maart 2014 onder meer het volgende meegedeeld:

“Onder verwijzing naar uw brief van 3 maart 2014 deel ik u, namens de minister van veiligheid en Justitie, het volgende mede. De Raad voor de rechtspraak refereert zich aan uw oordeel en zal geen gebruik maken van de gelegenheid een schriftelijke uiteenzetting over de zaak te geven.”

4.2.8. Belanghebbende heeft in zijn brief van 29 augustus 2014 onder meer het volgende meegedeeld:

“Het recht op schadevergoeding

1. Op 10 juni 2011 heeft de Hoge Raad in een mijn ogen baanbrekende uitspraak gedaan (HR 10 juni 2011, nr. 09/02639). Letterlijk overweegt de Hoge Raad in dit arrest:

(…)

2. De beslissing is baanbrekend omdat de Hoge Raad oordeelt dat ook in zuivere belastingzaken (dus zonder boete) de redelijke termijn kan worden geschonden. De Hoge Raad oordeelt evenwel in dit arrest dat ook rechtzoekenden in belastingzaken recht hebben op een beslechting van hun geschil door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht binnen een redelijke termijn. De Hoge Raad past hier het rechtszekerheidsbeginsel toe als algemene en ongeschreven regel van procesrecht die binnen de nationale rechtsorde past. Dat beginsel ligt weliswaar ten grondslag aan art. 6 EVRM, maar is ook van toepassing in gevallen waarin art. 6 EVRM niet geldt.

3. Voor de hoogte van deze schadevergoeding zoekt de Hoge Raad aansluiting bij arrest Riccardi Pizzati tegen Italië van 29 maart 2006, nr. 62361/00, JB 2006/134. Het EHRM bepaald hierin dat

- de Staat aansprakelijk is voor schade die voortvloeit uit onredelijk trage juridische procedures;

- bij zo’n vertraging de Staat een bedrag verschuldigd is tussen de € 1000 en € 1500 per jaar;

- voor ieder jaar dat de rechtsgang in beslag heeft genomen;

- niet alleen over de periode dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn;

- een totaal bedrag dat nog met € 2000 moet worden verhoogd als er in het geschil voor de betrokkene veel op het spel staat.

4. De Hoge Raad is beduidend minder scheutig met de schadevergoeding. Hij oordeelt in navolging van de andere bestuursrechters dat een bedrag van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden als uitgangspunt heeft te gelden. Letterlijk overweegt de Hoge Raad: ‘Indien bij een zodanig geschil de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.’

5. De Hoge Raad is heel duidelijk in zijn oordeel dat bij de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de vuistregels die hij heeft gegeven in zijn arrest van 22 april 2005, nr. 37.984, NTFR 2005/591.

6. Een eventuele vertraging kan dus zowel optreden bij het bestuursorgaan als bij de rechterlijke macht. In dat kader overweegt de Hoge Raad: Opmerking verdient dat de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) daarbij met toepassing van artikel 8:26 van de Awb in de gelegenheid dient te worden gesteld als partij aan het geding deel te nemen, nu het gaat om een mogelijke overschrijding van de redelijke termijn door de rechter. Indien sprake is van een dergelijke overschrijding kan de Staat immers met overeenkomstige toepassing van artikel 8: 73, lid 1, van de Awb worden aangewezen als rechtspersoon die de hieruit voortvloeiende schade dient te vergoeden. Dus ofwel de Inspecteur als bestuursorgaan (= het Ministerie van Financiën) ofwel de Minister van Veiligheid en Justitie zal de schade moeten vergoeding. Danwel, indien in zowel de bezwaarfase als de beroepsfase de termijn is overschreden, zullen beide instantie een deel van de schade moeten vergoeden. Voor de belastingplichtige zal het niet veel uitmaken wie de schade moet vergoeden.

5 Beoordeling van het geschil

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift

5.1.

De bekendmaking van een boetebeschikking geschiedt ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in samenhang gelezen met artikel 8, eerste lid, van de Invorderingswet 1990, door toezending of uitreiking door de ontvanger van het door de inspecteur voor de belastingschuldige opgemaakte aanslagbiljet.

5.2.

Op de Inspecteur rust de last om aannemelijk te maken dat de aanslag op de voorge-schreven wijze is bekendgemaakt. De inspecteur voert daartoe aan dat de aanslag op 23 december 2003 op het woonadres van belanghebbende te Lisse is bezorgd. Ten bewijze hiervan heeft hij de sub 4.1.7. vermelde verklaring overgelegd. Daarin zijn de bevindingen van de ambtenaar die het aanslagbiljet heeft bezorgd, beschreven. Het Hof is van oordeel dat de inspecteur zijn standpunt hiermee aannemelijk heeft gemaakt en dat sprake is van een bekendmaking van de boetebeschikking vóór de dag van dagtekening van het aanslagbiljet (en de op dat biljet vermelde boetebeschikking). Nu het aanslagbiljet is gedagtekend 31 december 2003 dient op grond van het hiervoor overwogene en het bepaalde in artikel 22j, eerste lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), ervan te worden uitgegaan dat de termijn van zes weken voor het indienen van bezwaar tegen de boetebeschikking is aangevangen op 1 januari 2004.

5.3.

Belanghebbende heeft bij brief van 18 mei 2004, ingekomen bij de inspecteur op 19 mei 2004, bezwaar aangetekend tegen de boetebeschikking. Dit is na het einde van de bezwaar-termijn. Belanghebbende heeft geen omstandigheden gesteld waardoor het niet aan hem is toe te rekenen dat het bezwaar te laat is ingediend.

5.4.

Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat de inspecteur het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

5.5.

Nu het bezwaar niet-ontvankelijk is, komt het Hof niet toe aan de gronden die belanghebbende tegen de boetebeschikking heeft aangevoerd.

Slotsom

5.6.

Het Hof zal het beroep van belanghebbende, voor zover na verwijzing nog in geding, ongegrond verklaren.

Met betrekking tot het verzoek om toekenning van een vergoeding van immateriële schade

5.7.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 juni 2011, nr. 09/02639, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BNB 2011/232, onder meer het volgende overwogen:

“3.3.1 (…) Dit beginsel [Hof: het beginsel van de rechtszekerheid] noopt ertoe dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden beslecht (…) Aangezien dit vereiste berust op een rechtsbeginsel dat ten grondslag ligt aan artikel 6 van het EVRM, wordt aansluiting gezocht bij de jurisprudentie over dat artikel van het EHRM. (…) Uit die jurisprudentie volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld. (…)

3.3.2.

Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet (…) aangesloten worden bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, LJN AO9006, BNB 2005/337.”

5.8.

Op grond van het evenvermelde arrest van 22 april 2005 van de Hoge Raad neemt het Hof tot uitgangspunt:

- dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg (de duur van de bezwaarfase inbegrepen) niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechter niet binnen twee jaar na aanvang van de termijn uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden;

- dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechter niet binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden;

- dat als bijzondere omstandigheid – waarvan de redelijkheid van de duur van de behandeling mede afhankelijk is – onder meer is aan te merken de ingewikkeldheid van de zaak, waartoe bijvoorbeeld kan worden gerekend de aard en omvang van de fiscale problematiek, de omvang van het verrichte onderzoek, alsmede de verknochtheid van het belastbare en/of beboetbare feit met andere belastbare en/of beboetbare feiten betreffende dezelfde of andere belastingplichtige(n). Ook de invloed van de belanghebbende en/of diens gemachtigde op het procesverloop kan van betekenis zijn.

5.9.

Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2013, nr. 11/04270, ECLI:NL:HR:2013:BX6666, BNB 2013/152, moet ervan worden uitgegaan dat in belasting-zaken waarin de bezwaar- en beroepsfase tezamen (de ‘eerste fase') onredelijk veel tijd in beslag hebben genomen, de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt.

5.10.

In zijn arrest van 21 maart 2014, nr. 12/04057, ECLI:NL:HR:2014:540, BNB 2014/117, heeft de Hoge Raad overwogen dat indien meerdere zaken van een belangheb-bende gezamenlijk zijn behandeld en die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, voor die zaken gezamenlijk slechts éénmaal het tarief van € 500 per halfjaar wordt gehanteerd, waarbij de overschrijding van de redelijke termijn dient te worden berekend vanaf de datum van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel.

5.11.

Het onderhavige verzoek ziet op de (volgens belanghebbende onredelijk lange) duur van de behandeling van het bezwaar en van het beroep bij het gerechtshof ’s-Gravenhage, op 1 december 2004 (de datum waarop het beroep van belanghebbende bij dat gerechtshof is ingekomen) de eerste en enige feitenrechter in de in 4.2.3 bedoelde zaken. Gelet op het hiervoor genoemde arrest van 21 maart 2014 dient de behandelingsduur van die zaken gezamenlijk te worden beoordeeld. In termen van voormeld arrest van 22 april 2005 gaat het hier om de beoordeling van de vraag of de redelijke behandelingstermijn in de ‘eerste fase’ is overschreden.

5.12.

Met inachtneming van het vorenoverwogene stelt het Hof vast dat in deze zaken de (langste) behandelingsduur van het bezwaar 1 jaar en bijna 9 maanden heeft bedragen en de behandelingsduur van het beroep 7 jaar en ruim 6 maanden. De totale behandelingsduur van de zaken – het tijdsverloop tussen de indiening van het (eerste) bezwaarschrift en de uitspraak van het gerechtshof ’s-Gravenhage – heeft 9 jaar en ruim 4 maanden bedragen.

Het tijdsverloop in de ‘eerste fase’ (tot aan de bekendmaking van de uitspraak van het gerechtshof ’s-Gravenhage) geeft gelet op de in 5.8. en 5.9. vermelde uitgangspunten in beginsel aanleiding tot het toekennen van een immateriële schadevergoeding ten laste van zowel de inspecteur als de Minister.

5.13.

Bij de beantwoording van de vraag of de zaken binnen redelijke termijn zijn behandeld, kunnen bijzondere omstandigheden in aanmerking worden genomen. Als zodanig heeft de inspecteur erop gewezen dat de onderhavige zaken moeten worden gekwalificeerd als zeer complex omdat daarin een veelheid van feitelijke en (voor een groot deel nieuwe) rechtsvragen speelt en waarbij coördinatie tussen de zaken in verband met het grote aantal daarbij betrokken belastingplichtigen diende plaats te vinden.

5.14.

Naar ’s Hofs oordeel is te dezen inderdaad sprake van zeer complexe zaken. De inhoudelijke complexiteit, zowel juridisch als feitelijk, gold niet alleen voor de inspecteur maar ook voor de rechterlijke instanties die de zaken te beoordelen kregen. In het onderhavige geval wordt dat geïllustreerd door het feit dat het gerechtshof ’s-Gravenhage de zaken heeft aangehouden in verband met de lopende prejudiciële procedure over de verlengde navorderingstermijn. Een complicerende factor was voorts gelegen in de noodzakelijke afstemming en coördinatie door de Belastingdienst bij de behandeling van en de standpuntbepaling jegens een groot aantal belastingplichtigen; voor de rechterlijke instanties gold als vergelijkbare complicerende factor het bewaken van consistentie in haar uitspraken.

5.15.

Op grond van de in 5.13. en 5.14. genoemde bijzondere omstandigheden zijn naar ’s Hofs oordeel termen aanwezig af te wijken van de in 5.8. en 5.9. vermelde standaard-termijnen en wel in die zin dat de redelijke behandelingsduur voor de bezwaarfase in het onderhavige geval wordt gesteld op anderhalf jaar en voor de behandeling in de beroepsfase op tweeëneenhalf jaar.

5.16.

Dat belanghebbende de bezwaarschriften niet, althans uiterst summier zou hebben gemotiveerd, wat hier ook van zij, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel dan het Hof in 5.15. hiervoor heeft overwogen.

5.17.

Uitgaande van het vorenoverwogene, is de redelijke termijn voor de behandeling in het bezwaar en het beroep bij gerechtshof ’s-Gravenhage met 5 jaar en ruim 4 maanden overschreden. Omdat de zaken gemeenschappelijk zijn behandeld en in hoofdzaak betrekking hadden op hetzelfde onderwerp, kent het Hof éénmaal een vergoeding van € 500 voor iedere zes maanden (of resterend deel van zes maanden) toe, zodat de vergoeding in totaal 11 x € 500 = € 5.500 beloopt. Van de totale vergoeding van € 5.500 rekent het Hof
€ 500 toe aan de inspecteur en € 5.000 aan de Minister.

Slotsom

5.18.

Al het voorgaande leidt ertoe dat de inspecteur een vergoeding van € 500 verschuldigd is en de Minister een vergoeding van € 5.000.

6 Kosten

In beginsel zijn termen aanwezig de inspecteur en de Minister te veroordelen in de door belanghebbende voor de verzoekprocedure gemaakte kosten. In dit geval komen voor vergoeding in aanmerking de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht te stellen op 1 (proceshandeling: indienen schriftelijke reactie) x 0,5 (zwaarte van de zaak) x € 487 (waarde per punt) = € 243,50. Overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn niet gesteld of gebleken. Van de op € 243,50 vastgestelde vergoeding dienen de inspecteur en de Minister ieder de helft, ofwel € 121,75 aan belanghebbende te betalen.

7 Beslissing

Met betrekking tot de bij de aanslag IB/PVV voor het jaar 2000 genomen boetebeschikking

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Met betrekking tot het verzoek om toekenning van een vergoeding van immateriële schade

Het Hof

- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade, vastgesteld op € 500, en tot betaling van een proceskostenvergoeding, vastgesteld op

€ 121,75;

- veroordeelt de Staat, de Minister van Veiligheid en Justitie, tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade, vastgesteld op € 5.000, en tot het betalen van een proceskostenvergoeding, vastgesteld op € 121,75.

De uitspraak is gedaan door mrs. E.F. Faase, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en J. den Boer, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van [de] griffier. De beslissing is op 2 oktober 2014 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.