Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4459

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-10-2014
Datum publicatie
05-03-2015
Zaaknummer
200.148.050/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2014:593, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-wijzigingsbeding behoudt zijn werking.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 159
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 28 oktober 2014

Zaaknummer: 200.148.050/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/513896 / FA RK 12-2577 (AW/SM)

Beschikking van de meervoudige familiekamer

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellant,

advocaat: mr. M.A. Baeten te Amsterdam,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. E.K.E. van Herk te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 28 april 2014 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 29 januari 2014 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/513896 / FA RK 12-2577 (AW/SM).

1.3.

De vrouw heeft op 11 juni 2014 een verweerschrift ingediend. Op 16 juni 2014 heeft zij een gecorrigeerde passage uit haar verweerschrift ingediend.

1.4.

Zowel de man als de vrouw heeft op 4 juli 2014 een nader stuk ingediend.

1.5.

De zaak is op 14 juli 2014 ter terechtzitting behandeld.

1.6.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 1986 na het maken van huwelijkse voorwaarden gehuwd. Het huwelijk is op 2 mei 2006 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 5 april 2006 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk is een thans meerderjarige dochter geboren.

2.2.

Partijen zijn in het door hen op 16 januari 2006 ondertekende echtscheidingsconvenant, voor zover thans van belang, overeengekomen:

“Artikel 1. –Alimentatie vrouw

(…)

1.2.1

De man is met ingang van 1 januari 2005 aan de vrouw een bijdrage in haar kosten van levensonderhoud verschuldigd van € 40.000,- bruto op jaarbasis. Dit bedrag wordt door de man in maandelijkse termijnen van € 3.333,33 aan de vrouw betaald. De maandtermijn dient vanaf de eerste van de maand, volgend op de ondertekening van dit convenant, bij vooruitbetaling te worden voldaan.

Gedurende de periode van 1 januari tot en met 31 december 2005 heeft de man aan en voor de vrouw de gebruikelijke huishoudelijke betalingen verricht op basis van een bedrag van € 2.500,- per maand.

Onverwijld na de ondertekening van dit convenant vult de man de betalingen aan tot het in dit artikel genoemde bedrag, derhalve € 40.000,- minus 30.000 = € 10.000

(….)

1.4

Per de datum van eigendomsoverdracht van het [adres] wordt de in artikel 1.2 genoemde alimentatie verhoogd tot € 60.000,- bruto per jaar, in maandelijkse termijnen van € 5.000,- bij vooruitbetaling te voldoen.

1.5

Eigen arbeidsinkomen van de vrouw tot een bedrag van € 20.000,- bruto per jaar leiden niet tot een vermindering van de alimentatie. Ingeval de inkomsten hoger zijn dan € 20.000,- bruto per jaar wordt het meerdere op de alimentatie gekort. Onder eigen arbeidsinkomsten wordt verstaan het inkomen in (salaris) of buiten dienstbetrekking (overig inkomen) en/of de naar goed koopmansgebruik vast te stellen winst uit onderneming die blijken uit de aangifte Inkomstenbelasting.

1.6

Na het verstrijken van ieder kalenderjaar gaan de partijen over tot afrekening op basis van de regeling zoals neergelegd in artikel 1.5. De vrouw zal de hoogte van haar eigen inkomsten in het verstreken kalenderjaar aantonen door overlegging aan de man van de fiscale aangifte(n), aanslagen en de jaarstukken van de eigen praktijk / onderneming. Zij zal deze informatie aan de man doen toekomen uiterlijk in de maand februari, en, wat de jaarstukken betreft, in de maand april, volgend op het jaar waarop de afrekening betrekking heeft. Vervolgens, uiterlijk in de maand mei daaropvolgend, berekenen de partijen hoeveel alimentatie de vrouw in het voorgaande jaar op basis van de regeling vastgelegd in artikel 1.5, te veel heeft ontvangen. Hetgeen zij teveel heeft ontvangen wordt onverwijld door de vrouw terugbetaald.

(…)

1.8.

Het in de artikelen 1.2 t/m 1.7 bepaalde kan niet bij rechterlijke uitspraak worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden, behoudens in het geval van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de partij die de wijziging verzoekt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden, zoals in artikel 1:159 lid 3 BW bepaald.

(…)”

2.3.

In de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat het convenant van partijen deel uitmaakt van deze beschikking. Verder is in deze beschikking, voor zover thans van belang, bepaald dat de man tot de datum van de eigendomsoverdracht van de voormalig echtelijke woning € 3.363,33 per maand zal betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud en dat hij met ingang van de datum van eigendomsoverdracht van de woning € 5.054,- per maand zal voldoen, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

2.4.

Bij tussenbeschikking van 17 juli 2013 van de rechtbank Amsterdam is de vrouw veroordeeld om de daarin genoemde financiële stukken over te leggen.

Verder is, voor zover thans van belang, afgewezen het verzoek van de man om de alimentatieverplichting jegens de vrouw te beëindigen op grond van artikel 1:160 Burgerlijk Wetboek (BW) en te bepalen dat de vrouw de door haar met ingang van 1 januari 2009 ontvangen alimentatie dient terug te betalen. Voornoemde beschikking is in zoverre door dit hof bij beschikking van 1 juli 2014 bekrachtigd.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking zijn, voor zover thans van belang, afgewezen de verzoeken van de man:

  • -

    de partneralimentatie te wijzigen op grond van artikel 1:159 lid 3 BW en deze op grond van artikel 1:157 lid 3 BW te limiteren met ingang van 1 januari 2009, zijnde het moment waarop de vrouw samenleeft met de heer [x] als waren zij gehuwd. Indien de rechtbank daartoe niet overgaat, verzoekt de man de partneralimentatie op grond van artikel 1:157 lid 3 BW op nihil te stellen;

  • -

    de door hem aan de vrouw te betalen alimentatie te verlagen, dan wel opnieuw vast te stellen, rekening houdend met de door de vrouw op grond van artikel 1.6 van het convenant in te dienen stukken, op grond waarvan zij dient aan te tonen welk inkomen zij over de jaren 2006 tot heden heeft ontvangen;

  • -

    te bepalen dat de vrouw aan de man dient te betalen hetgeen zij over de periode 2006 tot heden teveel en als onverschuldigd betaald van de man aan alimentatie heeft ontvangen, welk bedrag zij aan de man dient te voldoen binnen twee weken na de door de rechtbank te geven beschikking, althans binnen een zodanige termijn als de rechtbank juist acht en daarbij te bepalen dat de vrouw wettelijke rente verschuldigd is voor de duur dat zij met betaling na het verstrijken van de daarvoor gestelde termijn in gebreke blijft;

  • -

    de vrouw te veroordelen in de proceskosten, en te bepalen dat over die kostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd is vanaf veertien dagen na de door de rechtbank te geven beschikking tot aan de dag der algehele betaling.

3.2.

De man verzoekt met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:

  • -

    de partneralimentatie te wijzigen op grond van artikel 1:159 lid 3 BW en deze op grond van artikel 1:157 lid 3 BW te limiteren, dan wel op nihil te stellen, primair met ingang van 19 mei 2006, subsidiair met ingang van 1 januari 2011, dan wel een zodanige alimentatie met ingang van een zodanige datum vast te stellen als het hof juist zal achten;

  • -

    de alimentatie te verlagen, dan wel opnieuw vast te stellen op grond van artikel 1.5 van het convenant, rekening houdend met de door de vrouw op grond van artikel 1.6 van het convenant in te dienen stukken, op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof juist zal achten;

  • -

    te bepalen dat de vrouw aan de man dient te betalen hetgeen zij over de periode van 2006 tot heden teveel en als onverschuldigd betaald van de man aan alimentatie heeft ontvangen, welk bedrag zij aan de man dient te voldoen binnen twee weken na de door het hof te geven beschikking, althans binnen een zodanige termijn als het hof juist zal achten en daarbij te bepalen dat de vrouw wettelijke rente verschuldigd is, primair vanaf 5 april 2013, zijnde het moment van indiening van het aanvullend verzoekschrift, en subsidiair met ingang van een zodanige datum als het hof juist zal achten;

  • -

    de vrouw op grond van artikel 1.6 van het convenant te veroordelen tot overlegging van de navolgende gegevens die nodig zijn om haar huidige inkomenssituatie vast te stellen:

o de aangifte IB 2013;

o de definitieve aanslagen IB 2011 en 2012;

o de voorlopige aanslag (indien beschikbaar) IB 2013;

o de complete jaarstukken [a] en [b] 2013;

uiterlijk op een door het hof te bepalen datum, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor elke dag dat de vrouw daarmee in gebreke blijft.

3.3.

De vrouw verzoekt het door de man in hoger beroep verzochte af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen met veroordeling van de man in de proceskosten in beide instanties, waarbij onder kosten worden verstaan de werkelijke kosten die de vrouw tot haar verdediging heeft moeten maken, inclusief de bijkomende kosten zoals griffierecht.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

De man heeft drie grieven gericht tegen de bestreden beschikking. Het hof zal eerst de tweede grief van de man, als de meest verstrekkende, behandelen. Het hof begrijpt deze grief aldus, dat de man stelt dat de omstandigheden zodanig gewijzigd zijn dat hij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding in het echtscheidingsconvenant mag worden gehouden en dat de in het echtscheidingsconvenant vastgestelde door hem te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw gewijzigd dient te worden. De vrouw heeft deze stelling van de man gemotiveerd betwist.

4.2.

Partijen zijn in artikel 1.8 van hun echtscheidingsconvenant overeengekomen dat de in dat convenant onder 1.4 vastgelegde uitkering tot levensonderhoud van de vrouw niet bij een gerechtelijke uitspraak zal kunnen worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden. Niettegenstaande dit beding kan, gezien het convenant en artikel 1:159 lid 3 BW, op verzoek van een der partijen de overeenkomst door de rechter worden gewijzigd op grond van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de verzoeker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding mag worden gehouden.

4.3.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:159 lid 3 BW wordt een zodanige wijziging van omstandigheden slechts in uitzonderingsgevallen aangenomen. Er dient sprake te zijn van een situatie waarin een volkomen wanverhouding is ontstaan tussen wat de man en de vrouw bij het sluiten van het convenant voor ogen stond (aan mogelijke toekomstige omstandigheden), en wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, en wel zo, dat het in hoge mate onbillijk zou zijn als de vrouw de man aan het beding zou houden.

Volgens vaste rechtspraak dienen zware eisen te worden gesteld, zowel aan de stelplicht van de partij die de wijziging verzoekt, als aan de motivering door de rechter die de ingrijpende beslissing neemt dat een partij niet langer aan de overeenkomst kan worden gehouden waarvan nu juist uitdrukkelijk is overeengekomen dat die niet voor wijziging vatbaar was.

Bij beantwoording van de vraag of sprake is van een wanverhouding als hiervoor omschreven dient volgens vaste rechtspraak te worden betrokken hetgeen partijen ten tijde van het sluiten van het echtscheidingsconvenant over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen - overeenkomstig de zin, die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen - hebben afgeleid en van wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn niet alleen de bewoordingen van het convenant van belang, maar ook de omstandigheden waaronder de afspraken zijn gemaakt en de wederzijds kenbare bedoelingen van partijen.

4.4.

Ter onderbouwing van zijn stelling heeft de man het volgende naar voren gebracht. Partijen waren ten tijde van hun echtscheiding overeengekomen dat de voormalig echtelijke woning zou worden verkocht aan een derde partij. Tegen die achtergrond hebben zij in hun convenant laten vastleggen dat de man tot de datum van de verkoop van de woning een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw zou betalen van € 3.333,33 per maand en daarnaast de hypotheeklasten van deze woning zou voldoen en dat na verkoop van de woning de alimentatie zou worden verhoogd tot € 5.000,- per maand, ervan uitgaande dat de vrouw vanaf dat moment haar eigen woonlasten volledig zou betalen.

Na de ondertekening van het convenant uitte de vrouw de wens om de woning toebedeeld te krijgen. De man heeft daarmee, mede om de dochter van partijen in staat te stellen om in de echtelijke woning te kunnen blijven wonen, ingestemd en bij akte van verdeling en levering van 19 mei 2006 is de woning aan de vrouw toebedeeld tegen een waarde van € 1.170.000,-. Vervolgens is de man de hogere alimentatie gaan betalen, in de veronderstelling dat de vrouw de volledige hypotheeklasten zelf betaalde. Om de aankoop van de woning en de overbedelingsvordering van de man op de vrouw (van € 97.186,27) te financieren heeft de heer [y], een vriend van partijen, een lening van € 600.000,- verstrekt voor een looptijd van vijf jaar en tegen een rente van 5% per jaar. De vrouw heeft echter nimmer rente aan de heer [y] betaald, haar schuld bij de heer [y] liep daardoor op tot € 750.000,- en de heer [y] heeft medio 2011 de executieverkoop van de woning in gang gezet. De executieverkoop is afgewend nadat de heer [y] zijn vordering op 17 oktober 2011 heeft gecedeerd aan Participatiemaatschappij Bos en Partners B.V. tegen een bedrag van € 200.000,- . Vervolgens is de vrouw een lening van € 250.000,- aangegaan bij de heer [x] en daarmee heeft zij de vordering van Bos en Partners voldaan. De man stelt, naar het hof begrijpt, dat de vrouw door deze gang van zaken in een gunstiger financiële positie is gekomen, omdat haar vermogen met € 396.198,- zou zijn toegenomen. Indien hij ten tijde van het sluiten van het convenant had geweten dat het vermogen van de vrouw zo ingrijpend zou veranderen, dan zou hij niet met een partneralimentatie van € 5.851,- bruto (na indexering per 1 januari 2014) per maand hebben ingestemd, aldus de man. Bovendien stelt de man dat de vrouw feitelijk geen hypotheekrente betaalde aan de heer [y] en later aan de heer [x]. Doordat zij haar woonlasten niet voldoet, wordt niet voldaan aan het uitgangspunt zoals dat partijen – of in ieder geval de man – voor ogen heeft gestaan bij het opstellen van het echtscheidingsconvenant en is sprake van een wijziging van omstandigheden op grond waarvan niettegenstaande het niet-wijzigingsbeding de door de man aan de vrouw verschuldigde alimentatie moet worden gewijzigd, aldus de man.

4.5.

De vrouw erkent de door de man geschetste gang van zaken rond de aankoop van de woning, het aangaan van de lening bij de heer [y], de cessie van diens vordering aan Bos en Partners en de voldoening van deze vordering met geleend geld van de heer [x]. Zij betwist echter dat een en ander heeft geleid tot een aanzienlijke toename van haar vermogen en wijst erop dat zij geen vermogen heeft en slechts schulden. Deze schulden en de daarbij behorende rentelast zijn afgenomen door de transactie tussen de heer [y] en Bos en Partners, maar dat betekent nog niet dat dit zou moeten leiden tot aantasting van het niet-wijzigingsbeding in het echtscheidingsconvenant, aldus de vrouw.

4.6.

In het convenant is onder 3.1 bepaald dat de man garandeert dat het aandeel van de vrouw in de netto opbrengst van het [adres] minimaal € 150.000,- zal bedragen. In de akte van verdeling en levering van 19 mei 2006 is hieromtrent nader bepaald dat de man, nu de woning aan de vrouw wordt toebedeeld, in plaats van dat deze wordt verkocht, aan de vrouw geen € 150.000,- verschuldigd is, maar € 25.000,- als kostenvergoeding inzake door de vrouw gemaakte en te maken opknapkosten van de voormalig echtelijke woning. Voorts is in de akte van verdeling en levering bepaald dat de man, als gevolg van toebedeling van de voormalig echtelijke woning aan de vrouw, een vordering wegens overbedeling op haar heeft van € 97.186,27.

Tussen partijen staat vast dat het convenant het resultaat vormde van langdurige en moeizame onderhandelingen en dat zij met de toedeling van het [adres] aan de vrouw mede hebben beoogd om hun dochter […] na de echtscheiding een verhuizing te besparen. Blijkbaar hebben partijen beoogd om het [adres] tegen zodanige voorwaarden aan de vrouw toe te delen dat zij in staat zou zijn de daarmee gepaard gaande woonlasten te dragen, in ruil waarvoor zij de man financieel is tegemoet gekomen. Het hof betrekt voorts in zijn overwegingen de - onweersproken gebleven – stelling van de vrouw dat het de man is geweest die op de opname van een niet-wijzigingsbeding heeft aangedrongen en dat zij daarmee akkoord is gegaan om een einde te maken aan de onderlinge geschillen, ook al betekende dit dat de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden voor haar ongunstig zou zijn.

Bovendien staat vast dat partijen bij de opstelling van het convenant beiden beschikten over deskundige rechtsbijstand.

Gelet op hiervoor geschetste omstandigheden en de letterlijke tekst van het convenant en de nadere overeenkomst, komt het hof tot de conclusie dat partijen bij sluiting van het convenant hebben beoogd de onderhoudsbijdrage van de vrouw te verhogen tot (destijds) € 5.000,- per maand, zodra de voormalig echtelijke woning aan het [adres] zou zijn verkocht en dat deze verhoging tot doel had om de vrouw tegemoet te komen in de woonlasten die zij na de verkoop van het [adres] zou hebben.

Dat in het convenant tevens is vastgelegd dat partijen de voormalig echtelijke woning aan een derde zouden verkopen doet daaraan niet af, nu de man blijkens de akte van verdeling en levering van 19 mei 2006, akkoord is gegaan met verkoop van de woning aan het [adres] aan de vrouw en hij in dat verband ook enige financiële tegemoetkoming van de vrouw heeft bedongen. Uit de tekst van het bepaalde in artikel 1.2.1 in samenhang met artikel 1.4. van het convenant valt naar het oordeel van het hof af te leiden dat partijen ten tijde van het sluiten van het convenant de door de vrouw na de echtscheiding maandelijks te dragen woonlasten hebben begroot op € 1.666,67 (= € 5000,- minus € 3333,33). Gesteld noch gebleken is echter dat partijen ten tijde van het sluiten van het convenant hebben beoogd om de verhoging van de onderhoudsbijdrage na verkoop van de woning aan het [adres] te relateren aan de exacte en daadwerkelijke woonlasten die de vrouw na deze verkoop zou realiseren. Dit brengt naar het oordeel van het hof met zich dat het de vrouw na de toedeling van de voormalig echtelijke woning vrij stond en staat haar met deze woning samenhangende schulden te financieren op een wijze die haar goeddunkt en zonder dat dit van invloed is op haar onderhoudsbijdrage ingevolge artikel 1.4 van het convenant. Bovendien diende en dient de vrouw nog steeds de rente van de oorspronkelijke hypothecaire schuld te voldoen. Deze rente bedraagt € 2.663,- per maand en derhalve ruimschoots meer dan het oorspronkelijk in het convenant begrote bedrag voor woonlasten, zodat niet gezegd kan worden dat haar woonlasten zodanig zijn verminderd dat dit tot een wanverhouding heeft geleid tussen wat partijen voor ogen heeft gestaan bij sluiting van het convenant en wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan. Ook als ervan wordt uitgegaan dat de vrouw en haar geldschieters [y] en [x] een “kasrondje” hanteerden en hanteren, hetgeen inhoudt dat vrouw feitelijk geen maandelijkse rentebetalingen verricht, draagt zij dit deel van de woonlasten, omdat deze rente bij de hoofdsom van de lening werd en wordt bijgeschreven. Dat de vrouw door de cessie van de vordering van Bos en Partners aan de heer [x] en de lening van de heer [x] uiteindelijk, door een verlaging van de rentelast, in een gunstiger financiële positie is komen te verkeren dan waarin zij verkeerde op het moment dat zij de woning toebedeeld kreeg, doet aan het vorenstaande niet af.

Gelet op het voorgaande acht het hof de wijze waarop de vrouw haar schulden betreffende het de voormalig echtelijke woning heeft gefinancierd niet een zodanige wijziging van omstandigheden dat sprake is van een wanverhouding tussen wat partijen voor ogen stond en wat zich daarna in werkelijkheid heeft voorgedaan zodanig dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet meer aan de afspraken in het convenant over de alimentatie kan worden gehouden. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat de man onvoldoende heeft gesteld om aan de zware stelplicht in het kader van artikel 1:159 lid 3 BW te voldoen. Het niet-wijzigingsbeding behoudt derhalve zijn werking en grief twee slaagt niet.

4.7.

De eerste en derde grief van de man worden in het navolgende gezamenlijk behandeld.

De man stelt dat rekening moet worden gehouden met (fictief) inkomen uit vermogen van de vrouw bij de vraag of de vrouw de grens van € 20.000,- per jaar aan inkomen overschrijdt en zij dus alimentatie aan de man moet terugbetalen op grond van de artikelen 1.5 en 1.6 van het convenant. Voorst stelt de man dat de vrouw niet voldoende gegevens heeft verstrekt waaruit de hoogte van haar inkomen in de afgelopen jaren kan worden afgeleid.

De vrouw betoogt dat de man er met zijn stellingen ten aanzien van onder meer haar vermogenstoename aan voorbij gaat dat partijen hebben afgesproken dat alleen arbeidsinkomsten van de vrouw boven een bepaalde grens relevant zijn voor de hoogte van de alimentatie. Het kan niet zo zijn dat de afspraken dusdanig worden opgerekt dat ook andere financiële omstandigheden een grond voor wijziging opleveren.

4.8.

Het hof is van oordeel, dat de bewoordingen van artikel 1.5 van het convenant geen andere uitleg toestaan dan dat slechts inkomsten uit arbeid van meer dan € 20.000,- kunnen leiden tot aanpassing van de alimentatie. Immers, in de eerste zin van dit artikel wordt specifiek genoemd “eigen arbeidsinkomen”, terwijl in de derde zin nog wordt gespecificeerd wat onder eigen arbeidsinkomen moet worden verstaan. De stelling van de man dat hieronder ook inkomen uit of in verband met vermogen moet worden verstaan, omdat in de slotzin van deze bepaling wordt gesproken van inkomen buiten dienstbetrekking, wordt verworpen onder verwijzing naar (wederom) de letterlijke tekst van deze zin die omschrijft dat onder arbeidsinkomsten wordt verstaan het inkomen in of buiten dienstbetrekking. Kennelijk wordt hier gedoeld op inkomsten die de vrouw uit arbeid verwerft en die verwerving kan plaatsvinden op basis van een arbeidsovereenkomst (een dienstbetrekking) of daarbuiten, bijvoorbeeld door te werken als freelancer. Ter zitting in hoger beroep heeft de man bovendien bevestigd dat de hoogte van het voor de vrouw vrij van verrekening te laten bedrag van € 20.000,- was gebaseerd op de gemiddelde inkomsten, die de vrouw tijdens het huwelijk met haar werk verdiende.

De stelling van de man dat ook rekening moet worden gehouden met door de vrouw genoten inkomsten uit vermogen wordt dan ook door het hof verworpen nu de bewoordingen van het convenant op dit punt geen twijfel laten bestaan.

4.9.

Het hof is met de rechtbank (rechtsoverweging 2.6.2 van de bestreden beschikking) van oordeel, dat de vrouw aan de op haar krachtens artikel 1.6 van het convenant rustende verplichting heeft voldaan en met de overgelegde stukken voldoende inzage heeft gegeven in de hoogte van haar inkomen over de jaren 2006 tot en met 2012. De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep desgevraagd meegedeeld, dat zij nog wacht op de definitieve aanslag over 2011. De belastingdienst heeft deze nog niet kunnen vaststellen in verband met nader onderzoek. De stukken met betrekking tot 2013 heeft zij ook nog niet aan de man kunnen toesturen, omdat deze nog niet gereed zijn door de vragen van de fiscus met betrekking tot het jaar 2011.

Op de vrouw rust krachtens het convenant de plicht om onverwijld, zodra de in artikel 1.6 van het convenant genoemde stukken gereed zijn, deze aan de man ter hand te stellen, zodat kan worden vastgesteld of de man over enig jaar te veel alimentatie heeft betaald. De vrouw dient op grond van het convenant aan deze verplichting te voldoen zonder dat daarvoor een rechterlijke uitspraak nodig is. Derhalve zal het hof het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen tot overlegging van stukken als genoemd onder overweging 3.2, vierde bullet, afwijzen wegens gebrek aan belang. Op dit moment is er nog geen reden aan de vrouw een dwangsom op te leggen, aangezien de vrouw een aanvaardbare verklaring heeft gegeven voor het feit dat zij de door de man verzochte stukken met betrekking tot 2013 nog niet heeft kunnen leveren. Het hof zal ook dit verzoek van de man afwijzen.

Gelet op het bovenstaande behoeven de overige door partijen over en weer aangevoerde stellingen verder geen bespreking meer.

4.10.

De man heeft aangeboden nader bewijs van zijn stellingen te leveren door het horen van de door hem in zijn appelschrift genoemde personen, onder wie de heer [y] en de heer [x].

Het hof passeert dit bewijsaanbod nu de man zijn stellingen, ten bewijze waarvan de verklaringen van deze personen moeten dienen, onvoldoende heeft onderbouwd.

4.11.

De vrouw heeft verzocht de man te veroordelen in de volledige proceskosten van beide instanties, omdat hij haar lichtvaardig in een kansloze procedure heeft betrokken.

Voor een veroordeling is nodig dat zeer evident sprake is van het nodeloos in rechte betrekken van de wederpartij. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de juridische argumenten, maar ook naar de emotionele geladenheid van de procedure. Naar het oordeel van het hof kan niet worden gezegd dat de man de procedure nodeloos heeft ingesteld of dat deze bij voorbaat geen kans van slagen had en dat hij de vrouw daarom heeft belast met onnodige kosten. Gelet hierop en op het feit dat partijen ex-echtelieden zijn, is het hof van oordeel dat iedere partij de eigen proceskosten van zowel de eerste aanleg als het hoger beroep dient te dragen. Het verzoek van de vrouw zal daarom worden afgewezen.

4.12.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst af hetgeen in hoger beroep meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.M.A. Gerritzen-Gunst, M.F.G.H. Beckers en J.A. van Keulen in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2014.