Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4457

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-10-2014
Datum publicatie
11-03-2015
Zaaknummer
200.138.979/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2014:1450
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2015:2522
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Raad heeft niet volledig aan onderzoeksvraag voldaan, nader onderzoek gelast.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253g
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 28 oktober 2014

Zaaknummer: 200.138.979/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/542528 / FA RK 13-3729 (LBA TJ)

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellant,

advocaat: mr. J. Breeveld te Amsterdam,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. A.I. de Haan te Amersfoort.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna wederom respectievelijk de vader en de tante genoemd.

1.2.

Het hof verwijst naar en neemt over hetgeen is opgenomen in zijn tussenbeschikking van 22 april 2014. Bij die beschikking is, onder aanhouding van de behandeling van de zaak en van iedere verdere beslissing, de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam, locatie Amsterdam (hierna: de Raad) verzocht een onderzoek te verrichten naar de vraag of er feiten en/of omstandigheden zijn die – bij toewijzing van het gezag aan de vader – gegronde vrees voor verwaarlozing van de belangen van [de minderjarige] zouden opleveren.

1.3.

Ter griffie van dit hof is op 18 juli 2014 het rapport van de Raad van 17 juli 2014 binnengekomen.

1.4.

De mondelinge behandeling van de zaak is op 22 september 2014 voortgezet, alwaar zijn verschenen:

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de tante, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    mevrouw […] namens de Raad.

2 Verdere beoordeling van het hoger beroep

2.1.

In zijn tussenbeschikking van 22 april 2014 heeft het hof onder meer overwogen dat, gelet op het bepaalde in artikel 1:253g lid 3 BW, nu de vader de overlevende ouder van [de minderjarige] is, het verzoek van de vader om hem met het gezag over [de minderjarige] te belasten in beginsel dient te worden toegewezen, tenzij gegronde vrees bestaat dat daardoor de belangen van [de minderjarige] zouden worden verwaarloosd.

2.2.

Aangezien het hof zich ten tijde van de eerste behandeling ter zitting nog onvoldoende voorgelicht achtte voor het nemen van een eindbeslissing, heeft het hof de Raad in voornoemde tussenbeschikking verzocht om een onderzoek te verrichten zoals hierboven bij 1.2 weergegeven en daaromtrent advies uit te brengen. Het hof heeft daarbij overwogen dat de Raad in zijn onderzoek diende te betrekken of er sprake is van contra-indicaties aan de zijde van de vader en dat, anders dan de Raad ter zitting naar voren had gebracht, de onderzoeksvraag niet betrof welke opvoedsituatie (bij de tante of bij de vader) het meest in het belang van [de minderjarige] is. Ter beantwoording van de door het hof gestelde vraag diende de Raad zowel de huidige thuissituatie van [de minderjarige] bij de tante als zijn mogelijke thuissituatie bij de vader te onderzoeken, aldus de overwegingen van het hof.

2.3.

De Raad heeft in zijn rapport als onderzoeksvraag de vraag “zou toewijzing van het gezag aan de vader gegronde vrees voor verwaarlozing van de belangen van [de minderjarige] opleveren” geformuleerd en ter beantwoording daarvan de mogelijkheden en belemmeringen van [de minderjarige], de vader en de tante onderzocht. De Raad stelt vervolgens in zijn rapport dat -ondanks het feit dat op dit moment niet gesproken kan worden van een gegronde vrees voor verwaarlozing wanneer het gezag aan de vader zou worden toegewezen- een dergelijke gezagstoewijzing niet in het belang van [de minderjarige] is. Volgens de Raad moet niet worden uitgesloten dat bij toewijzing van het gezag aan de vader, de stabiliteit en continuïteit die de huidige plaatsing bij de tante biedt, in gevaar komt. De continuïteit van de huidige situatie acht de Raad het meest in het belang van [de minderjarige]. De Raad adviseert het hof in zijn rapport om het verzoek van de vader om hem te belasten met het gezag af te wijzen.

Ter zitting van 22 september 2014 heeft de Raad zijn advies gehandhaafd. De Raad heeft desgevraagd verklaard dat, aangezien de Raad reeds op grond van het verrichte onderzoek van mening was dat toewijzing van het gezag aan de vader niet in het belang van [de minderjarige] is, een onderzoek naar de thuissituatie van de vader niet heeft plaatsgevonden.

2.4.

Het hof acht zich ondanks dit rapport en advies nog steeds onvoldoende voorgelicht voor het nemen van een eindbeslissing. De Raad heeft, nu onderzoek naar de (mogelijke) thuissituatie van [de minderjarige] bij de vader achterwege is gelaten, niet volledig aan de onderzoeksvraag van het hof voldaan. Aan het hof is derhalve nog niet voldoende duidelijk of de belangen van [de minderjarige] zouden worden verwaarloosd bij toewijzing van het verzoek van de vader, nu de Raad slechts stelt dat continuering van de bestaande situatie bij de tante het meest in het belang van [de minderjarige] is. Deze stelling lijkt, ondanks de door de Raad in zijn rapport geformuleerde onderzoeksvraag, meer een antwoord te zijn op de vraag welke opvoedsituatie van [de minderjarige] (bij de tante of de vader) het meest in zijn belang is, dan op de vraag of er gegronde vrees bestaat dat [de minderjarige]’s belangen zouden worden verwaarloosd bij toewijzing van het gezag aan de vader.

Voor een bevestigend antwoord op een vraag als de laatstgenoemde is in het algemeen niet alleen aanleiding indien er gegronde vrees bestaat voor daadwerkelijke verwaarlozing van de belangen van het kind in die zin dat de ouder in de zorg voor het kind zou tekortschieten, maar ook indien er gegronde vrees bestaat dat het kind de overgang naar een ander gezin niet goed zal kunnen verwerken. Met het oog op beide situaties acht het hof het, om een juiste beslissing te kunnen nemen, noodzakelijk om inzicht te krijgen in de thuissituatie van de vader en daardoor in de opvoedsituatie die [de minderjarige] bij zijn vader zou kunnen hebben, zoals dat ook reeds was verzocht in de tussenbeschikking van 22 april 2014.

Het hof zal de Raad derhalve gelasten hiernaar nader onderzoek te verrichten, waarbij zoveel mogelijk informatie over de mogelijkheden van de vader om [de minderjarige] op te voeden dient te worden verschaft, zoals de werktijden van de vader, zijn relatie, de huisvesting, de mogelijkheden voor continuering van de schoolgang van [de minderjarige], de bereidheid van de vader om hulpverlening te aanvaarden en zo mogelijk de interactie van de vader en [de minderjarige] tijdens de omgangsmomenten. Daarbij wordt de Raad verzocht tevens de meest actuele situatie van alle betrokkenen in zijn nadere rapportage te betrekken, zoals de mogelijke verhuizing van de tante met het gezin naar [plaatsnaam].

2.5.

De Raad wordt verzocht het hof omtrent de resultaten van het nadere onderzoek schriftelijk te rapporteren en te adviseren. De behandeling van de zaak zal hiertoe worden aangehouden en na ontvangst van het rapport worden voortgezet ter terechtzitting.

2.6.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

3 Beslissing

Het hof:

gelast de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam, locatie Amsterdam, een nader onderzoek in te stellen zoals omschreven onder 2.4;

bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 12 maart 2015, met het verzoek aan de Raad het hof uiterlijk vier weken vóór die datum schriftelijk te informeren over de uitkomsten van het onderzoek;

bepaalt dat de behandeling ter terechtzitting zal worden voortgezet op 12 maart 2015 om 9.30 uur;

verzoekt partijen het hof binnen twee weken na heden schriftelijk te informeren indien zij op die datum verhinderd zijn, in welk geval een nieuwe zittingsdatum zal worden bepaald;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. van Haeringen, mr. C.E. Buitendijk en mr. M. Perfors in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2014.