Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4426

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-10-2014
Datum publicatie
11-10-2016
Zaaknummer
23-000113-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

witwassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000113-13

datum uitspraak: 23 oktober 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2012 in de strafzaak onder parketnummer 13-666950-11 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,

adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 oktober 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1:

hij op of omstreeks 28 februari 2012 te Leende, gemeente Heeze-Leende, op de openbare weg, [adres 2] , althans op de openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit het geldafgeefluik van Rabobank Dommelstreek (gelegen aan perceel [adres 2] aldaar) heeft weggenomen een of meer geldbedrag(en) (van in totaal ongeveer 68310 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Rabobank Dommelstreek en/of [transport] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door (met kracht) de (zij)ruit van voornoemd geldafgeefluik in te slaan en/of te trappen, welke diefstal met braak en/of verbreking werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) voornoemd geldafgeefluik (met kracht) en/of met veel lawaai en/of onverhoeds en/of in de onmiddellijke nabijheid van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft/hebben ingeslagen en/of getrapt.

feit 2:

hij op of omstreeks 01 mei 2010 tot en met 28 februari 2012, te Amsterdam en/of Uithoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een) voorwerp(en), te weten een of meer (grote) geldbedrag(en) en/of een (personen)auto (merk Mercedes Benz (met kenteken [kenteken] ) en/of (lounge)cafe VIP Lounge (gelegen aan perceel [adres 3] te Amsterdam) en/of een of meer kleding(stukken) en/of tas(sen) en/of (andere) goed(eren), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van enig voorwerp gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Partiële nietigheid van de dagvaarding t.a.v. feit 1

Met betrekking tot de onder feit 1 ten laste gelegde onderdelen ‘een of meerdere (grote) geldbedrag(en)’ en ‘en/of (andere) goed(eren)’ is het hof met de raadsvrouw en de advocaat-generaal van oordeel dat deze onderdelen van de tenlastelegging onvoldoende feitelijk en geconcretiseerd zijn. Het hof verklaart deze onderdelen van de dagvaarding nietig.

Partiële vrijspraak t.a.v. feit 1

Het hof is van oordeel dat, hoewel van het door de verdachte en zijn mededader onverhoeds, met kracht en veel lawaai inslaan van de ruit van de sluis zeker een dreigende werking zal zijn uitgegaan op de aanwezige medewerkers van het geldtransportbedrijf en de medewerker van de bank, niet bewezen kan worden dat de verdachte en zijn mededader die ruit insloegen met het oogmerk om die dreiging te veroorzaken en aldus de diefstal gemakkelijk te maken. Mitsdien zal het hof de verdachte in zoverre van het onder feit 1 ten laste gelegde vrijspreken.

Partiële vrijspraak t.a.v. feit 2

De verdachte dient naar het oordeel van het hof tevens partieel vrijgesproken te worden van – kort gezegd – het witwassen van de ten laste gelegde kleding en tassen nu uit de stukken van het witwasdossier en het verhandelde op de terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep niet met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat deze onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1:

hij op 28 februari 2012 te Leende, gemeente Heeze-Leende, op de openbare weg, [adres 2] , tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van in totaal ongeveer 68.310 euro, toebehorende aan Rabobank Dommelstreek en/of [transport] , waarbij verdachte en zijn mededader het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door met kracht de zijruit van een geldafgeefluik in te slaan en/of te trappen.



feit 2:

hij in de periode van 1 mei 2010 tot en met 28 februari 2012 in Nederland voorwerpen, te weten een personenauto (merk Mercedes Benz met kenteken [kenteken] ) en (lounge)café VIP Lounge (gelegen aan perceel [adres 3] te Amsterdam), heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsoverweging t.a.v. feit 2

Bij de beoordeling van dit feit stelt het hof het volgende voorop. Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan, in een geval zoals dat zich hier voordoet, waarin geen direct bewijs voor inkomsten uit brondelicten aanwezig is, witwassen bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat - zoals door de advocaat-generaal is gerekwireerd – de goederen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het ligt op de weg van het Openbaar Ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.

De toetsing door de zittingsrechter dient daarbij de volgende stappen te doorlopen.

Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulks zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Zo een verklaring dient te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.

Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Het hof zal ook het onderhavige verwijt aan de hand van dit toetsingskader beoordelen.

Vermoeden van witwassen

De verdachte heeft contant een personenauto (merk Mercedes) van ongeveer 25.000 euro, gekocht met coupures van 500 euro.1 Daarnaast heeft de verdachte contant een loungecafé, voor 35.000 euro gekocht met coupures van 100, 200 en 500 euro.2 Daartegenover staat dat de verdachte destijds een laag legaal inkomen heeft gehad.3 Op basis van deze feiten en omstandigheden is sprake van een vermoeden van witwassen.

Gelet hierop mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft aangaande zijn handelen met betrekking tot de voornoemde auto en het loungecafé.

Verklaring herkomst goederen

De verdachte heeft gedurende het politieonderzoek voornamelijk gezwegen.4 Ten aanzien van de personenauto heeft verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep aangegeven dat zijn vader de auto heeft gefinancierd met zijn spaargeld en zijn vader degene is geweest die als hoofdgebruiker gebruik heeft gemaakt van de auto. Het hof acht deze verklaring niet aannemelijk, dit op grond van de omstandigheden dat verdachte de auto feitelijk heeft betaald, heeft opgehaald en direct op zijn naam heeft laten zetten5, hij bij observaties meermalen als bestuurder werd waargenomen en hij de auto als zijn betaalmiddel heeft aangeboden bij de financiering van het door hem te kopen loungecafé. Uit de door verdachte overgelegde financiële gegevens van zijn vader volgt niet zonder meer dat deze over een bedrag van circa € 25.000 kon beschikken. Mede is ter verklaring van de aanwezigheid van het aankoopbedrag verwezen naar een uitgekeerd schadebedrag van ruim € 15.000, dat door de uitkerende instantie op de rekening van verdachtes vader is gestort. Daarmee is echter niet aangetoond dat dit bedrag ook daadwerkelijk voor de aankoop van de personenauto door de vader van verdachte is opgenomen. Dit is ook overigens niet aannemelijk geworden.

Voor de aanschaf van het loungecafé stelt de verdachte geld te hebben geleend bij familieleden. Hij zou daarmee ongeveer de helft van het loungecafé hebben gefinancierd. Het andere gedeelte is volgens verdachte betaald door medeverdachte [medeverdachte] . Het hof stelt vast dat deze verklaring pas in een zeer laat stadium van de procedure is afgelegd en niet concreet of verifieerbaar is. De drie door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde, daags vóór deze zitting gedateerde en vrijwel identieke verklaringen omtrent de leningen met familieleden, die tweemaal 4.000 euro en eenmaal 8.000 euro zouden bedragen, vormen geen plausibele verklaring voor het gehele bedrag dat door verdachte is betaald voor het loungecafé. Daarbij betrekt het hof de verklaring van de getuige . [getuige] , die heeft aangegeven dat de verdachte het gehele aankoopbedrag (€ 35.000) heeft betaald. Blijkens de kwitanties met betrekking tot de aankoop van het loungecafé heeft verdachte ook inderdaad alle bedragen betaald.6 Medeverdachte [medeverdachte] heeft wisselend verklaard omtrent de hoogte van het door hem betaalde bedrag. Enerzijds heeft hij bij de raadsheer-commissaris verklaard dat zijn gedeelte van het aankoopbedrag ongeveer de helft bedroeg van het totale bedrag, anderzijds heeft hij verklaard7 dat hij € 20.000 heeft ingebracht, welk bedrag hij bij anderen had geleend. Het hof acht het gelet op het voorgaande niet aannemelijk geworden dat een gedeelte van het bedrag dat is gebruikt ter financiering van het loungecafé van [medeverdachte] afkomstig is.

Het hof constateert dat de door de verdachte gegeven verklaringen omtrent de herkomst van de bedragen waarmee de personenauto en het loungecafé zijn gefinancierd, niet voldoen aan de eerdergenoemde vereisten.

Conclusie

Het hof is van oordeel dat – gelet op het voorgaande – het niet anders kan zijn dan dat de goederen – middellijk of onmiddellijk – afkomstig zijn uit enig misdrijf en dat de verdachte daarvan op de hoogte was.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft met zijn mededader een geldtransportwagen overvallen door op het moment dat de wagen tegen de pui van de Rabobank was geparkeerd, de zijruit van de sluis in te slaan of te trappen en snel twee sealbags weg te nemen, totaal inhoudende een bedrag van bijna 70.000 euro. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit soort overvallen op de dienstdoende bankmedewerkers en geldlopers een grote impact heeft en vaak voor hen tot langdurig nadelige psychische gevolgen leidt. Dit soort gebeurtenissen zijn ook in bredere zin - voor de omwonenden en de omgeving waarin zulke incidenten plaatsvinden - verontrustend en tasten de gevoelens van vertrouwen en veiligheid in de omgeving aan. Verdachte en zijn mededader hebben blijkbaar enkel gehandeld met het oog op eigen financieel gewin en zich niet bekommerd om deze gevolgen van hun handelen voor anderen. Vergeleken met de straf die eerder door de rechtbank is opgelegd, zal in strafmatigende zin moeten meewegen dat het hof niet bewezen acht dat de verdachte en zijn medeverdachte het oogmerk hadden op het ontstaan van de dreiging. Ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte geen medeleven getoond richting de slachtoffers.

Het hof weegt ten nadele van verdachte mee dat de overval een sterk professioneel karakter had en zorgvuldig was voorbereid.

Ten aanzien van het witwassen rekent het hof het de verdachte aan dat hij door zijn handelen opbrengsten uit misdrijf aan het zicht van justitie heeft onttrokken en daaraan een schijnbaar legale herkomst heeft verschaft. Daardoor heeft de verdachte de integriteit van het economische verkeer geschaad.

Verbeurdverklaring

Het hof zal verbeurd verklaren een personenauto (merk Mercedes, beslaglijstnummer 31) en een kentekenbewijs ([kenteken], beslaglijstnummer 32) nu het thans bewezen geachte feit 2 met betrekking tot deze de verdachte toebehorende goederen is begaan.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.633,94. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.333,94. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 57, 311 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart de dagvaarding nietig voor zover het (in het onder 1 ten laste gelegde) betreft de onderdelen:

‘een of meerdere (grote) geldbedrag(en)’ en ‘en/of (andere) goed(eren)’.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

een personenauto (merk Mercedes, nummer 31 op de bij dit verkort arrest gevoegde beslaglijst) en een kentekenbewijs ([kenteken], beslaglijstnummer 32).

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

een Apple iPad (beslaglijstnummer 1), een Acer notebook (beslaglijstnummer 2), een videocamera (beslaglijstnummer 3), een horloge (merk Rolex, beslaglijstnummer 35), een motorhoes (beslaglijstnummer 53), verpakkingsmateriaal (beslaglijstnummer 54) en tevens alle in beslag genomen kleding en tassen (beslaglijstnummers 6 tot en met 25, 30 en 34).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.333,94 (duizend driehonderddrieëndertig euro en vierennegentig cent) bestaande uit € 333,94 (driehonderddrieëndertig euro en vierennegentig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 1.333,94 (duizend driehonderddrieëndertig euro en vierennegentig cent) bestaande uit € 333,94 (driehonderddrieëndertig euro en vierennegentig cent) materiële schade en

€ 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 23 (drieëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. Mijnsberge, mr. H.A. van Eijk en mr. F.M.D. Aardema, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Schoutsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 oktober 2014.

[.......]

1 [.......]

2 [.......]

3
[.......]

4 [.......]

5 [.......]

6 [.......]

7 .