Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4407

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-10-2014
Datum publicatie
29-10-2014
Zaaknummer
13/00134
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het bezwaarschrift is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. De stelling van belanghebbende, dat het bezwaar ontvankelijk is omdat het tijdig is ingediend tegen de ambtshalve vermindering met de aanhef "uitspraak op bezwaar", wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/2191
V-N 2015/4.25.2
FutD 2014-2539
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 13/00134

23 oktober 2014

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[A] B.V., te [P], belanghebbende,

gemachtigde: mr. G. Opheikens, belastingadviseur

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 11/4670 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 25 april 2007 voor het

tijdvak 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003 een naheffingsaanslag in de

omzetbelasting opgelegd ten bedrage van € 20.000. Bij gelijktijdig genomen beschikking

heeft hij een boete opgelegd van € 1.000. Tevens is bij beschikking een bedrag van € 2.779

aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

De inspecteur heeft de naheffingsaanslag op 12 september 2008 ambtshalve verminderd tot € 12.719, de boete verminderd tot € 635 en de te vergoeden heffingsrente vastgesteld op

€ 1.767.

1.3.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 18 juli 2011, het bezwaar tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting, de boetebeschikking en de beschikking inzake de heffingsrente niet-ontvankelijk verklaard.

1.4.Bij uitspraak van 31 januari 2013 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 11 maart 2013. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2014. Het onderzoek in de onderwerpelijke zaak heeft gelijktijdig plaatsgevonden in de zaak met kenmerk 13/00135. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Geschil in hoger beroep

2.1.

Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of het bezwaar op goede gronden niet- ontvankelijk is verklaard.

2.2.

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken, waaronder het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting.

3 Beoordeling van het geschil

3.1.

Belanghebbende heeft in hoger beroep verwezen naar de door haar in bezwaar en beroep in eerste aanleg aangevoerde argumenten.

3.2.

De rechtbank heeft ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaar het volgende overwogen. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiseres’, de inspecteur als ‘verweerder’.

“4.1. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn. Ingevolge de artikelen 6:7 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 22j, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken en vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van bekendmaking. Bij verzending per post is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. De naheffingsaanslag is gedagtekend 25 april 2007. Dit houdt in dat de bezwaartermijn eindigde op (dinsdag) 5 juni 2007. Hieruit volgt dat het bezwaarschrift van eiseres van 20 oktober 2008 niet is ingediend binnen de wettelijke termijn.

4.2.

Verweerder heeft op 12 september 2008 de naheffingsaanslag en boete ambtshalve verminderd. Eiseres stelt dat deze ambtshalve beschikking voor bezwaar vatbaar is nu zij vermeldt dat het een ‘uitspraak op bezwaar’ betreft zodat haar brief van 20 oktober 2008 als een daartegen (tijdig) gemaakt bezwaar moet worden aangemerkt. Indien dit standpunt niet wordt gevolgd stelt eiseres dat op grond van de tekst van de ambtshalve beschikking, niet kan worden uitgesloten dat eiseres wél tijdig bezwaar heeft gemaakt nu daarin wordt verwezen naar een bezwaarschrift. Verweerder heeft bovendien toegezegd dat hij zich niet op de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar zou beroepen.

Verweerder voert aan dat de vermelding ‘uitspraak op bezwaar’ in de brief van 12 september 2008 het gevolg is van een systeemfout. Uit de inhoud van de brief blijkt echter duidelijk dat het een ambtshalve vermindering betreft zodat hier sprake is van een kennelijke misslag. Daar komt bij dat het termijnen van openbare orde betreft. Voorts bestrijdt verweerder dat hij heeft toegezegd om zich niet op niet-ontvankelijkheid te beroepen.

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder aangevoerde systeemfout niet meebrengt dat een ambtshalve vermindering, waartegen geen bezwaar mogelijk is, wordt geconverteerd in een voor bezwaar vatbare beschikking. Het wettelijke systeem, dat als een gesloten systeem van rechtsbescherming is bedoeld, prevaleert boven een kennelijke misslag waarvan in het onderhavige geval sprake is; uit de inhoud van de brief blijkt immers genoeglijk dat het een ambtshalve beoordeling betreft. Verweerder heeft de brief van 20 oktober 2008 op goede gronden opgevat als een niet tijdig ingediend bezwaarschrift. Dat gelet op de tekst op de ambtshalve beschikkingen niet kan worden uitgesloten dat wel (tijdig) een bezwaarschrift is ingediend, zoals eiseres stelt, kan de rechtbank niet volgen. Verweerder heeft gemotiveerd aangevoerd, onder verwijzing naar de uitspraak op bezwaar, dat het bezwaar ruim buiten de termijn is ontvangen. Het ligt dan op de weg van eiseres om het bewijs te leveren dat zij tijdig bezwaar heeft gemaakt. Eiseres is hierin niet geslaagd. Eiseres heeft haar stelling aangaande de door verweerder gedane toezegging, voor welke stelling zij de bewijslast draagt, evenmin aannemelijk gemaakt. Aan de vraag wat de gevolgen van een dergelijke toezegging zijn gelet op het feit dat de ontvankelijkheid van een bezwaar/ beroepschrift een zaak van openbare orde is, komt de rechtbank dan ook niet toe.

4.4.

Eiseres heeft weliswaar gesteld dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding maar heeft verzuimd, terwijl dat op haar weg ligt, daarvoor het bewijs aan te dragen. De slotsom luidt dan ook dat verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil.”

3.3.

Het Hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Het Hof neemt deze beslissing over en maakt de daartoe gebruikte overwegingen tot de zijne.

Slotsom

3.4.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

4 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. D.B. Bijl, voorzitter, E.M. Vrouwenvelder en A.H.R.M. Denie, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch, als griffier. De beslissing is op 23 oktober 2014 in het openbaar uitgesproken.

De uitspraak is door de griffier en de oudste raadsheer ondertekend.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.