Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4370

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-09-2014
Datum publicatie
07-07-2015
Zaaknummer
200.151.083-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Goederenrecht. Extinctieve verjaring met betrekking tot een strook grond. Bezitsvereiste Zie ook ECLI:NL:GHAMS:2015:2548.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.151.083/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/526492 / HA ZA 12-1161

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 september 2014

inzake:

de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE WIJDEMEREN,

zetelend te Loosdrecht,

appellante,

advocaat: mr. C.E.A.J. Kuipers te Amsterdam,

tegen

1 [geïntimeerde sub 1],

2. [geïntimeerde sub 2],

beiden wonend te [woonplaats],

geïntimeerden,

niet verschenen.

1 Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 17 maart 2014 heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen onder bovengenoemd zaak-/rolnummer gewezen vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 1 mei 2013 en 18 december 2013.

Appellante heeft de zaak aangebracht op de rol van 24 juni 2014.

Op diezelfde roldatum is tegen geïntimeerden verstek verleend.

Bij rolbeslissing van 24 juni 2014 is appellante in de gelegenheid gesteld zich op de rol van 8 juli 2014 bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid in hoger beroep en is bepaald dat geïntimeerden bij akte zullen mogen reageren.

Appellante heeft zich op 22 juli 2014, na een aanhouding van twee weken, bij akte uitgelaten over de ontvankelijkheid.

Geïntimeerden hebben geen antwoordakte genomen.

Arrest is nader bepaald op heden.

2 Motivering

2.1

Bij het bestreden vonnis van 18 december 2013 is in reconventie voor recht verklaard dat geïntimeerden door verjaring eigenaar van de litigieuze strook grond zijn geworden en is appellante veroordeeld om binnen twee maanden na betekening van het vonnis eraan mee te werken dat de nieuwe eigendomsverhoudingen bij het kadaster worden ingeschreven, onder welke medewerking zo nodig begrepen moet worden het doen opmaken van een notariële akte, met bepaling dat het vonnis in de plaats kan treden van een ter uitvoering van het vonnis op te maken akte.

2.2

Op grond van artikel 3:301 lid 2 BW moet hoger beroep, indien de rechter in eerste aanleg heeft bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte of een deel daarvan, op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel worden ingeschreven in het in artikel 433 Rv bedoelde register.

2.3

Appellante heeft bij akte meegedeeld dat het onderhavige hoger beroep niet is ingeschreven in het in artikel 433 Rv bedoelde register en heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van de vraag wat dit betekent voor het hoger beroep dat mede ten aanzien van de reconventie is ingesteld.

2.4

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat artikel 3:301 BW restrictief moet worden uitgelegd. In die bepaling is het voorschrift van inschrijving van het rechtsmiddel beperkt tot uitspraken die in de plaats treden van een tot levering bestemde akte als bedoeld in artikel 3:89 BW. Dat geval doet zich in de onderhavige zaak niet voor. De uitspraak treedt niet in de plaats van een leveringsakte. De uitspraak houdt in dat geïntimeerden door verjaring eigenaar van de grond zijn geworden, dat appellante eraan moet meewerken dat de juiste eigendomsverhoudingen bij het kadaster worden ingeschreven en dat zo nodig daartoe een akte moet worden opgesteld.

2.5

Op grond van de overgelegde vonnissen moet verder worden aangenomen dat de vorderingen van geïntimeerden niet strekken tot een verklaring met bijzondere positieve kracht als bedoeld in art. 3:27artikel 3:27 BW, doch slechts tot het verkrijgen van een declaratoire uitspraak als bedoeld in art. 3:302artikel 3:302 BW met werking uitsluitend tussen partijen. Dit volgt ook reeds uit de omstandigheid dat de in artikel 3:27 lid 1 bedoelde openbare oproeping van belanghebbenden niet heeft plaatsgevonden. Dit brengt mee dat de bijzondere processuele bepalingen van art. 3:27artikel 3:27 BW, onder meer die van het tweede lid met betrekking tot de inschrijving van de appeldagvaarding in het register als bedoeld in art. 433artikel 433 Rv, niet van toepassing zijn.

2.6

Het voorgaande betekent dat appellante in het hoger beroep kan worden ontvangen. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van een memorie van grieven door appellante.

2.7

Bij akte heeft appellante nog verzocht om het in deze zaak geheven bedrag aan griffie- rechten te verlagen. Op dit verzoek zal afzonderlijk worden beslist.

3 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 28 oktober 2014 voor het nemen van een memorie van grieven door appellante;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, W.J. van den Bergh en J.C. Toorman en uitgesproken in het openbaar door de rolraadsheer op 16 september 2014.