Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:437

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
21-02-2014
Zaaknummer
200.130.633/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling nalatenschap. Klager, als legitimaris, geldt niet als erfgenaam en is daarom uit dien hoofde geen deelgenoot in de nalatenschap. De notaris heeft niet dezelfde verplichtingen jegens klager als hij, als boedelnotaris, heeft jegens de erfgenamen en de executeur. Of de notaris aan zijn zorgplicht heeft voldaan, moet worden bezien in relatie met de bijzondere positie die klager als legitimaris heeft.

Wetsverwijzingen
Wet op het notarisambt, geldigheid: 2014-02-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.130.633/01

nummer eerste aanleg : 07.831/2013/3

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 18 februari 2014

inzake

[klager]

wonende te[woonplaats],

appellant,

tegen:

[notaris],

notaris te[vestigingsplaats],

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Van de zijde van appellant, verder klager, is bij een op 18 juli 2013 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift – met bijlage – tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden, verder de kamer, van 19 juni 2013, waarbij de kamer de klacht van klager tegen de notaris ongegrond heeft verklaard.

1.2.

Van de zijde van de notaris is op 23 september 2013 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.3.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 5 december 2013. Klager en de notaris zijn verschenen en hebben het woord gevoerd.

2 De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

4 Het standpunt van klager

Klager verwijt de notaris dat de afwikkeling van de nalatenschap van zijn moeder (hierna: erflaatster), waarin deze is benoemd tot boedelnotaris, te lang duurt en dat een aantal goederen uit de nalatenschap niet meer aanwezig is, althans dat deze niet door de executeur van de nalatenschap ter beschikking worden gesteld. Daarnaast – begrijpt het hof – maakt klager bezwaar tegen de declaratie van € 624,75 van de notaris en stelt hij zich op het standpunt dat de notaris voor de door hem gemaakte kosten niet bij hem maar bij de executeur moet zijn.

5 Het standpunt van de notaris

De notaris heeft de stellingen van klager gemotiveerd betwist. Voor zover van belang zal hierna op dat verweer worden ingegaan.

6 De beoordeling

6.1.

Bij zijn beoordeling gaat het hof er van uit dat klager, als legitimaris, niet geldt als erfgenaam en derhalve uit dien hoofde geen deelgenoot is in de nalatenschap. Van een andere grond waaruit een deelgenootschap in de nalatenschap voortvloeit, is het hof niet gebleken. De notaris heeft dus niet dezelfde verplichtingen jegens klager als hij, als boedelnotaris, heeft jegens de erfgenamen en de executeur. Of de notaris aan zijn zorgplicht heeft voldaan, moet worden bezien in relatie met de bijzondere positie die klager als legitimaris heeft.

6.2.De notaris heeft met toestemming van de erfgenamen klager benaderd met de vraag of hij al dan niet zijn legitieme portie zou inroepen. Dit, omdat erflaatster in haar uiterste wilsbeschikking klager, haar enige zoon, heeft uitgesloten als erfgenaam. Op 27 april 2010 is klager bij de notaris op kantoor geweest, waarna hij schriftelijk heeft verklaard een beroep op zijn legitieme portie te willen doen. Verder wilde klager weten of er nog contant geld aanwezig was (verder de contanten), of er nog foto’s van hem als kind aanwezig waren en of een verzameling van gouden munten nog aanwezig was. Klager betwist ook niet voormelde opdrachten aan de notaris te hebben gegeven. Het verwijt dat klager de notaris maakt is er meer in gelegen dat hij de notaris van begin af aan (en meermalen) op de hoogte heeft gesteld van zijn wantrouwen jegens de executeur en dat de notaris daar onvoldoende acht op heeft geslagen.

6.3.

Gelet op de positie van klager zoals in rechtsoverweging 6.1. omschreven, wordt als volgt overwogen.

6.4.

Uit de stukken blijkt dat de notaris de legitieme portie van klager heeft berekend, met uitzondering van het (eventuele) bedrag dat kan voortvloeien uit een aandeel dat erflaatster had in een nog onverdeelde erfenis. Het hof is met de kamer van oordeel dat de notaris op voldoende zorgvuldige wijze heeft getracht van de executeur de door klager gewenste informatie over en zaken uit de nalatenschap te verkrijgen. Met betrekking tot de door klager gewenste foto’s is hij daarin geslaagd; voor wat betreft de contanten en de collectie gouden munten niet. Dit kan de notaris evenwel niet worden verweten. Hij heeft voldoende gedaan om tegemoet te komen aan de verzoeken van klager. Het verwijt van klager dat het horen van de executeur onder ede ook betrekking had moeten hebben op de contanten en andere ‘ter zake doende stukken uit de erfenis’ is tegenover de gemotiveerde betwisting van de notaris onvoldoende onderbouwd. Niet kan worden geoordeeld dat de notaris met zijn handelwijze tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld.

6.5.

Verder heeft de notaris ook in hoger beroep erkend dat de afwikkeling van de nalatenschap reeds geruime tijd duurt. Het hof is met de kamer van oordeel dat niet is gebleken dat dit aan de notaris te wijten is. Het is begrijpelijk dat klager een en ander (te) lang vindt duren, maar zowel op de snelheid van handelen van de executeur als op de afwikkeling van de erfenis van de vader van klager, heeft de notaris geen of slechts zeer beperkte invloed en de notaris heeft in dit verband gedaan wat van hem verwacht had mogen worden. Zo heeft de notaris, naar hij onweersproken heeft gesteld, onderzoek gedaan bij een bank, bij de belastingdienst en bij een andere notaris. Uit de stukken blijkt verder dat de notaris voor de geschillen tussen klager en de executeur verschillende oplossingen heeft voorgesteld, maar dat klager heeft geweigerd aan een daartoe leidende oplossing mee te werken. Van klachtwaardig handelen door de notaris is naar het oordeel van het hof dan ook op geen enkele wijze gebleken.

6.6.1.

Met betrekking tot de klacht die ziet op de vraag of de notaris al dan niet terecht kosten aan klager in rekening heeft gebracht, stelt het hof vast dat de kamer dit onderdeel in de bestreden beslissing niet heeft behandeld en mitsdien daarover geen oordeel heeft gegeven.

6.6.2.

Het hof is ten aanzien van het in rekening brengen van kosten door de notaris van oordeel dat de tuchtrechter niet bevoegd is hierover te oordelen omdat declaratiegeschillen ingevolge artikel 55 lid 2 (oud) Wna tot 1 januari 2013 tot de competentie van de ringvoorzitter behoorden. Met ingang van die datum zijn de bij of krachtens verordening te stellen/gestelde regels betreffende de inrichting van een algemene klachten- en geschillenregeling voor het notariaat, waaronder de instelling van een geschillencommissie, te dezen toepasselijk. Klager is dan ook niet-ontvankelijk in dit klachtonderdeel.

6.7.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven, omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

6.8.

Nu het hof deels tot een andere beslissing is gekomen dan de kamer zal het omwille van de duidelijkheid de bestreden beslissing geheel vernietigen en als volgt beslissen.

7 De beslissing

Het hof:

-vernietigt de bestreden beslissing van de kamer;

en, opnieuw beslissende:

-verklaart klager in zijn klacht met betrekking tot het declaratiegeschil niet-ontvankelijk;

-verklaart de overige klachten ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, A.M.A. Verscheure en J.H. Huijzer en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 18 februari 2014 door de rolraadsheer.