Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4368

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
11-12-2014
Zaaknummer
200.152.035-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:505, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In eerder ingesteld appel is de appellant niet-ontvankelijk verklaard bij gebreke van grieven. In het onderhavige tweede appel is hij niet ontvankelijk omdat door het arrest in het eerdere appel een eind aan de appelinstantie is gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.152.035/01

rolnummer rechtbank Amsterdam : 2058566 CV EXPL 13-12873

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 september 2014

inzake

[appellant], in zijn hoedanigheid van bestuurder van[X],

wonend te Amsterdam,

appellant,

advocaat: mr. D.J. Rijnbout te Houten,

tegen

1 [geïntimeerde sub 1],

wonend te [woonplaats],

2. [geïntimeerde sub 2],

wonend te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. P.M. Verwijs te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 6 juni 2014 is appellant in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht, dat onder bovengenoemd rolnummer tussen partijen is gewezen op 10 maart 2014.

De zaak is aangebracht op de rol van 15 juli 2014.

Geïntimeerden hebben op diezelfde roldatum bij H2-formulier een ontvankelijkheids- verweer opgeworpen.

Bij rolbeslissing van 15 juli 2014 is appellant in de gelegenheid gesteld zich op de rol van 29 juli 2014 bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid in hoger beroep en is bepaald dat geïntimeerden bij akte zullen mogen reageren.

Appellant heeft zich op 29 juli 2014 bij akte uitgelaten over de ontvankelijkheid.

Geïntimeerden hebben op 12 augustus 2014 een antwoordakte, met producties, genomen.

Arrest is bepaald op heden.

2 Beoordeling

2.1

Appellant is eerder bij appeldagvaarding van 26 maart 2014 in hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis. Bij arrest van dit hof van 1 juli 2014, bekend onder zaaknummer 200.145.416/01, is appellant bij gebreke van grieven niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, met veroordeling van appellant in de proceskosten. Thans is appellant binnen de appeltermijn nogmaals in hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis.

2.2

Geïntimeerden hebben zich op het standpunt gesteld dat appellant niet kan worden ontvangen in het onderhavige, tweede hoger beroep. Daartoe hebben geïntimeerden aangevoerd dat het systeem van de wet zich verzet tegen het nogmaals appelleren tegen een vonnis waarop al bij eindarrest is beslist. Het geijkte rechtsmiddel tegen dit eindarrest is immers cassatie. Door wederom een appeldagvaarding uit te brengen tracht appellant volgens geïntimeerden de strikte regels (van het toepasselijke Pilot Procesreglement) te omzeilen en zijn fout, te weten het niet tijdig nemen van een memorie van grieven, te herstellen. Appellant heeft hiertegen ingebracht dat hij niet opkomt tegen het arrest van het hof van 1 juli 2014 en dat er evenmin sprake is van een tweede hoger beroepsprocedure tegen het bestreden vonnis omdat een inhoudelijke behandeling van het eerdere hoger beroep is uitgebleven nu appellant bij gebreke van grieven daarin niet kon worden ontvangen.

2.3

Het hof stelt voorop dat de eerdere procedure tussen partijen bij dit hof hetzelfde vonnis van de kantonrechter van 10 maart 2014 betrof waartegen appellant thans appelleert en dat in die procedure door het hof op 1 juli 2014 een eindarrest is gewezen. Daarmee is aan de appelinstantie een definitief einde gekomen. Nu het hof het appel tegen het bestreden vonnis al heeft behandeld, kan dat in het kader van de onderhavige appelprocedure niet nogmaals gebeuren. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat van de gewone rechtsmiddelen alleen nog cassatie openstaat. Dat de eerdere appelprocedure niet tot een inhoudelijke beoordeling van het bestreden vonnis maar tot een niet-ontvankelijkverklaring heeft geleid, kan daaraan niet afdoen. Anders dan appellant heeft betoogd, heeft hij wel degelijk de mogelijkheid gehad om het geschil tussen hem en geïntimeerden in twee feitelijke instanties te laten behandelen. Het enkele feit dat het in de eerdere appelprocedure niet tot een inhoudelijke behandeling is gekomen doordat appellant heeft verzuimd tijdig van grieven te dienen, maakt niet dat hij - zoals hij heeft bepleit - er recht op heeft dat dit in deze procedure alsnog geschied.

2.4

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat appellant niet kan worden ontvangen in zijn hoger beroep. Appellant zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

3 Beslissing

Het hof:

verklaart appellant niet-ontvankelijk in het hoger beroep;

veroordeelt appellant in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van geïntimeerden begroot op € 704,- aan verschotten en € 815,50 aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, W.J. van den Bergh en J.C. Toorman en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 september 2014.