Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4325

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-10-2014
Datum publicatie
07-11-2014
Zaaknummer
200.117.320-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsovereenkomst ex art. 7:610 BW ontstaan?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/828
RAR 2015/27
AR-Updates.nl 2014-0936
GZR-Updates.nl 2014-0469
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.117.320/01

zaaknummer rechtbank (Amsterdam): 1311126 CV EXPL 11-43585

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 oktober 2014

(bij vervroeging)

inzake

[appellante] ,

wonend te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. M.C. Spil te Veenendaal,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KINDEROPVANG ’T ZONNEHOEKJE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. S.N.M. van Paassen-Pasch te Leusden.

Partijen worden hierna [appellante] en Zonnehoekje genoemd.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 11 oktober 2012 is [appellante] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (verder: de kantonrechter) van 13 juli 2012, voor zover in deze zaak onder bovengenoemd zaaknummer in conventie gewezen tussen [appellante] als eiseres en Zonnehoekje als gedaagde.

[appellante] heeft bij memorie vijf grieven geformuleerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw recht doende, de vorderingen van [appellante] alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Zonnehoekje in de proceskosten van beide instanties, met nakosten.

Zonnehoekje heeft bij memorie de grieven van [appellante] bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten van het geding in hoger beroep.

Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties.

2 De feiten

De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep onder 1.1 tot en met 1.4 een aantal feiten vermeld en tot uitgangspunt genomen. Omdat die feiten tussen partijen – behoudens voor zover het om de laatste zin van de onder 1.2 genoemde feiten gaat – niet in geschil zijn, zal ook het hof in zoverre daarvan uitgaan.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

(i) [appellante] en Zonnehoekje hebben op 10 november 2008 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten op grond waarvan [appellante] per 1 december 2008 in dienst is getreden als pedagogisch medewerker bij Zonnehoekje. Het ging daarbij om een zogenoemde Beroeps Begeleidende Leerwegplek (‘BBL-plek’), waarbij [appellante] in het kader van haar opleiding een leerstage volgde bij Zonnehoekje. Daarbij gold een proeftijd van twee maanden. Tijdens de proeftijd is de arbeidsovereenkomst in goed overleg beëindigd omdat [appellante] zwanger was.

(ii) In de periode van 17 januari 2011 tot 1 mei 2011 heeft [appellante] gewerkt bij Zonnehoekje. Partijen hebben hiervoor geen schriftelijke overeenkomst gesloten. [appellante] heeft geen betaling ontvangen voor haar werkzaamheden in deze periode.

(iii) Zonnehoekje heeft een schriftelijke arbeidsovereenkomst opgesteld en ondertekend ten behoeve van een BBL-plek voor [appellante] met als ingangsdatum 1 mei 2011. [appellante] is niet akkoord gegaan met deze door Zonnehoekje aangeboden arbeidsovereenkomst.

3.2.

[appellante] heeft in eerste aanleg gevorderd, kort gezegd, een verklaring voor recht dat – naar het hof begrijpt: met ingang van 17 januari 2011 – tussen haar en Zonnehoekje een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW bestaat, en, voorts, een veroordeling van Zonnehoekje tot wedertewerkstelling van haar, tot betaling van haar salaris ten bedrage van € 679,= bruto per maand over de periode 17 januari 2011 tot 12 december 2011 (te vermeerderen met vakantietoeslag en wettelijke verhoging), tot betaling van de wettelijke rente over het bruto loon, het bruto vakantiegeld en de wettelijke verhoging en, ten slotte, tot betaling van de proceskosten. Zij heeft daartoe gesteld, kort gezegd, dat weliswaar geen schriftelijke arbeidsovereenkomst vanaf 17 januari 2011 tussen haar en Zonnehoekje is aangegaan maar dat het bestaan van een dergelijke overeenkomst onder meer blijkt uit de tussen partijen bestaande e-mailcorrespondentie en dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 7:610 BW, omdat zij (vanaf dat moment) arbeid heeft verricht, Zonnehoekje een loonbetalingsverplichting had, de overeenkomst een zekere tijd heeft geduurd en sprake was van een gezagsverhouding. Zij heeft daaraan toegevoegd dat zij tussen 17 januari 2011 en 1 mei 2011 Zonnehoekje mondeling heeft verzocht om betaling maar in deze periode geen loon betaald heeft gekregen en dat zij in deze periode voor 100% kon worden ingezet en niet is ingeroosterd als stagiaire. Zonnehoekje heeft hiertegen verweer gevoerd en aangevoerd dat zij [appellante] slechts heeft ingeroosterd op aandringen van [appellante] en uitsluitend ten behoeve van het hervatten van de opleiding, waarbij [appellante] boventallig was en geen vergoeding zou ontvangen voor haar hulp.

3.3.

De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep, kort samengevat, als volgt overwogen. In de periode van 17 januari 2011 tot 1 mei 2011 heeft [appellante] gewerkt bij Zonnehoekje. Ter zake van deze werkzaamheden hadden partijen geen schriftelijke overeenkomst gesloten, zijn geen betalingsafspraken gemaakt en heeft [appellante] geen loon ontvangen, zodat de stelling van [appellante] dat Zonnehoekje betalingsplichtig was onvoldoende is gemotiveerd en dus niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 7:610 BW. Bovendien blijkt uit het e-mailbericht van [appellante] aan Zonnehoekje van 13 april 2011 waarin zij schrijft dat zij boventallig is, dat [appellante] zelf ook niet uitging van het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Op grond van een en ander heeft de kantonrechter in conventie de vordering van [appellante] afgewezen en [appellante] veroordeeld in de proceskosten.

3.4.

Vast staat tussen partijen dat [appellante] niet akkoord is gegaan met de schriftelijke arbeidsovereenkomst die Zonnehoekje heeft opgesteld en ondertekend ten behoeve van een BBL-plek voor [appellante] met als ingangsdatum 1 mei 2011 (productie 5 bij inleidende dagvaarding), zodat uitsluitend de vraag aan de orde is (zie ook inleidende dagvaarding onder 19) of [appellante] met Zonnehoekje een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW is aangegaan met ingang van 17 januari 2011, uit hoofde waarvan zij recht had op (weder)tewerkstelling en op betaling van salaris c.a. Omdat [appellante] zich met haar vorderingen beroept op de rechtsgevolgen van het bestaan van een dergelijke overeenkomst, rusten ingevolge artikel 150 Rv op haar de stelplicht en bewijslast ter zake.

3.5.

De eerste drie grieven, die alle betrekking hebben op de hiervoor (onder 3.4) genoemde vraag, zullen gezamenlijk worden behandeld.

3.6.

Het hof stelt voorop dat Zonnehoekje de stelling van [appellante] dat tussen partijen mondeling is afgesproken dat zij per 17 januari 2011 op grond van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW werkzaamheden voor Zonnehoekje zou gaan verrichten, uitdrukkelijk heeft weersproken. Voor zover [appellante] zich erop beroept dat de juistheid van deze stelling (mede) blijkt uit tussen partijen gevoerde e-mailcorrespondentie, overweegt het hof als volgt.

3.7.

[appellante] heeft zich in dit verband allereerst beroepen op een viertal e-mailberichten van 14 en 15 januari 2011, afkomstig van Zonnehoekje (zie productie 3 bij inleidende dagvaarding), waaruit blijkt dat een aantal personen – waaronder [appellante] – door Zonnehoekje voor in de maand januari 2011 te verrichten werkzaamheden in bepaalde groepen wordt ingedeeld. Uit de enkele inhoud van deze e-mailberichten kan echter niet worden afgeleid dat [appellante] haar werkzaamheden zou gaan verrichten krachtens een arbeidsovereenkomst in evenbedoelde zin, omdat daarover in die berichten in het geheel niet wordt gerept. Voor zover [appellante] zich ter staving van haar stellingen in dit verband er bovendien op heeft beroepen dat zij op dat moment werd ingedeeld als vervangster voor twee leidsters bij Zonnehoekje die met verlof gingen, kan het hof [appellante] evenmin in dat betoog volgen, omdat uit het e-mailbericht van[A] van 4 januari 2011 blijkt dat dit juist niet het geval is geweest:

“(…) Ik wil je doorgeven dat we een selectie hadden van sollicitanten (jou erbij) en in maand december hadden wij met spoed leidster (s)nodig.

Uit onze selectie hebben wij 2 leidsters intern met spoed aangenomen,omdat er 2 leidster i.v.m bijzonder omstandigheden uit dienst zijn.

Momenteel zijn er voldoende leidsters in elke groep.

Jij blijft in onze selectie desnoods iemand weg gaat willen we aan jou alsnog vragen om bij ons te komen werken. (…).”

Dat [appellante] in de periode van 17 januari tot 1 mei 2011 uitsluitend als stagiaire werkzaam was bij Zonnehoekje en niet krachtens een arbeidsovereenkomst, maar deze laatste haar eerst met ingang van 1 mei 2011 door Zonnehoekje werd aangeboden, volgt onder meer uit het e-mailbericht van [appellante] aan Zonnehoekje van 5 april 2011

“de school vraagt naat mijn arbeidsovereenkomst,zonder die kunnen zij mij niet inschrijven.”,

uit het e-mailbericht van Zonnehoekje aan [appellante] van 11 april 2011

“je staat vanaf volgende week bij de baarsjes ingepland.

Ik heb je vandaag gemist, je contact [contract: hof] is klaar.”,

en met name uit het e-mailbericht van [appellante] aan Zonnehoekje van 13 april 2011,

“ik zie in mij arbeidsovereenkomst dat het per 1 mei ingaat, maar ik sta voor de volgende week voor 3 dagen ingeroosterd, en aangezien ik daar boventalig zal staan wil ik even tussen uit tot 1 mei, tot mij plek vrij komt. want dat gaat mij alleen maar geld kosten, anders kan je mij contract wijzigen naar volgende week.”,

het e-mailbericht van Zonnehoekje aan [appellante] van 16 april 2011

“Wij hebben samen afspraken gemaakt dat je stage komt lopen totdat ik je een plek aan aanbieden.

deze plek komt vrij op 01 me op onze vestiging baarsjes. (…)”,

en het e-mailbericht van Zonnehoekje aan [appellante] van 17 april 2011

“je contract gaat in miv 01 mei. jij staat morgen van 08:30 tot 17:30 op de [adres] …

[B] en [C] hebben een contact tot 01 mei en tot deze datum zullen zij ook loon ontvangen, jij zal aansluiten op de dagen van [B]. (…)

jij vertelde mij dat je met spoed je contact moest hebben want je school vroeg erom. hierdoor heb je hem gekregen.

nu stel jij eisen dat deze moet ingaan miv 18 april, wij hebben onderling afspraken dat jij een contarcat krijgt zodra mogelijk is en tot deze tijd zou je minimaal 1 dag en maxiimaal 3 adgen opgeroepen worden.”,

alsmede uit het ontbreken van enigerlei e-mailbericht in deze periode van de kant van [appellante] waaruit blijkt dat zij zich op het standpunt stelt dat haar arbeidsovereenkomst al per 17 januari 2011 is ingegaan en aanspraak maakt op betaling van loon. Het e-mailbericht van Zonnehoekje met als aanhef “Dames van de [adres]” van 8 april 2011 sluit geheel op het voorgaande aan, terwijl het e-mailbericht van Zonnehoekje aan [appellante] van 6 februari 2011, waarop [appellante] zich bij memorie van grieven nog heeft beroepen, daaraan niet afdoet. De daarin voorkomende woorden “je bent BBL er” moeten immers worden gelezen in het licht van het gehele bericht (“Momenteel hebben wij voldoende leidsters, jij bent overbodig in de groepen”), en daaruit kan niet méér worden afgeleid dan dat het op dat moment uitsluitend (nog) om een (niet betaalde) stage ging.

3.8.

Dat [appellante] in de periode van 17 januari tot 1 mei 2011 uitsluitend als stagiaire werkzaam was bij Zonnehoekje en niet krachtens een arbeidsovereenkomst, is ook af te leiden uit de wijze waarop [appellante] zich gedurende die periode heeft gedragen. [appellante] heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken dat Zonnehoekje, teneinde [appellante] in staat te stellen haar opleiding (vanaf 17 januari 2011) weer te hervatten, haar zoveel mogelijk (als onbetaald stagiaire) had ingeroosterd, maar dat [appellante] slechts vier maal daadwerkelijk is verschenen op het werk, waarbij zij één maal ook nog de middag is weggeweest omdat er bij haar was ingebroken, en dat zij alle andere dagen dat zij was ingeroosterd bij Zonnehoekje in de periode van 17 januari tot eind april 2011 niet is verschenen, veelal zonder enig bericht (zie onder meer conclusie van antwoord onder 8 en 22). Een en ander wordt bevestigd door de inhoud van de e-mailberichten van Zonnehoekje aan [appellante] van onder meer 11 maart 2011, 16 april 2011 en 17 april 2011.

3.9.

Voor zover [appellante] heeft aangevoerd dat Zonnehoekje aan haar instructies heeft gegeven omtrent de wijze van ziekmelding, inroostering, opname van vakantiedagen en ruilen van ingeroosterde dagen en dat dergelijke instructies passen bij de instructiebevoegdheid van een werkgever tegenover een werknemer maar geen basis hebben in de verhouding met een onbetaalde vrijwilliger, overweegt het hof dat feit van algemene bekendheid is dat ook voor vrijwilligers bepaalde regels op de bedoelde gebieden dienen en plegen te gelden omdat een organisatie zonder het bestaan en de handhaving van dergelijke regels nu eenmaal niet kan functioneren.

3.10.

Het voorgaande brengt mee dat grief I, grief II en grief III falen.

3.11.

[appellante] heeft, in het licht van het door Zonnehoekje gevoerde verweer, voor het overige geen voldoende concrete feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel moeten leiden, zodat haar bewijsaanbod wordt gepasseerd. Ook grief IV treft derhalve geen doel. Omdat de eerste vier grieven falen en grief V afhankelijk is van het welslagen daarvan, kan deze grief evenmin slagen.

3.12.

De slotsom luidt als volgt. De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het geding in hoger beroep.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het geding in hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van Zonnehoekje gevallen, op € 683,= aan verschotten en € 894,= aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.A.J. Dun, D.J. van der Kwaak en W. Tonkens-Gerkema, en is in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2014 door de rolraadsheer.