Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4224

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-10-2014
Datum publicatie
15-01-2015
Zaaknummer
14/00137
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De aanslag waterschapsbelasting 2013 is terecht aan belanghebbende opgelegd.

Wetsverwijzingen
Verordening Zuiveringsheffing Amstel, Gooi en Vecht 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2015/76
FutD 2015-0152
NTFR 2015/541
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 14/00137

2 oktober 2014

uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende], wonende te [woonplaats] belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AMS 13/4122 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam,

de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 31 mei 2013 aan belanghebbende voor het jaar 2013 een aanslag waterschapsbelasting opgelegd ten bedrage van € 277,26 ten aanzien van de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning).

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 12 juli 2013, de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 21 januari 2014 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 27 februari 2014. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2014. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):

Eiser en zijn partner zijn huurders en gebruikers van de woning. Eiser en zijn partner voeren op het hiervoor vermelde adres een tweepersoonshuishouden.

2.1.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan.

3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daarbij het volgende overwogen (waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de heffingsambtenaar als verweerder):

2. In geschil is of verweerder de aanslag waterschapsbelasting voor het jaar 2013 terecht heeft opgelegd.

2.1

Eiser heeft - kort samengevat - aangevoerd dat de waterschapsbelasting te hoog is en verzoekt om vermindering omdat hij en zijn partner in 2013 veel afwezig zijn. Ook meent eiser dat de WOZ-waarde, waarop de watersysteemheffing ongebouwd is gebaseerd, te hoog is vastgesteld. Ten slotte is het riool achter zijn huis al een tijd niet onderhouden, aldus eiser.

2.2.

Verweerder heeft aangevoerd dat in de situatie van eiser sprake is van een tijdelijke onderbreking van bewoning, maar eiser blijft hoofdbewoner en gebruiker van de woning. Het argument dat de werkelijke vervuilingswaarde minder zou zijn is niet van invloed op de hoogte van de aanslag. De watersysteemheffing ingezetenen wordt geheven ter bestrijding van de kosten die verbonden zijn aan de zorg voor het watersysteem. Het tarief van de watersysteemheffing 2013 van € 93,24 geldt voor alle woonruimten in het gebied van het waterschap. Het tarief wordt vastgesteld door het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht; bezwaar tegen het tarief is niet mogelijk. De grondslag voor de watersysteemheffing gebouwd is de WOZ-waarde, zoals de gemeente die heeft vastgesteld. Dit is bepaald in artikel 121, eerste lid, van de Waterschapswet. Een bezwaar tegen de hoogte van deze waarde moet eiser indienen bij de gemeente. Het Verweerder volgt de uitspraak van de gemeente. De gemeente heeft geen bezwaarschrift tegen de hoogte van de vastgestelde WOZ-waarde ontvangen, aldus verweerder.

3.1.

Bij de beoordeling van het beroep stelt de rechtsbank ten eerste vast dat de aanslag waterschapsbelasting bestaat uit drie verschillende componenten, te weten: de watersysteemheffing ingezetenen, de watersysteemheffing gebouwd en de zuiveringsheffing.

4.1.

Ten aanzien van de watersysteemheffing ingezetenen en de watersysteemheffing gebouwd overweegt de rechtbank het volgende.

4.2.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Verordening Watersysteemheffing Amstel, Gooi en Vecht (hierna: de Verordening Watersysteemheffing) wordt, ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de zorg voor het watersysteem, onder de naam watersysteemheffing een directe belasting geheven. In het tweede lid, onder a, van dit artikel is bepaald dat de heffing wordt geheven van hen die ingezetenen zijn als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Verordening Watersysteemheffing.

4.3.

Onder ingezetene wordt, op grond van artikel 1, onder b, van de Verordening Watersysteemheffing verstaan degene die blijkens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) bij het begin van het kalenderjaar woonplaats heeft in het gebied van het waterschap en die aldaar gebruik heeft van woonruimte.

4.4.

Gelet op de hiervoor genoemde bepalingen is voor de vraag of eiser als ingezetene waterschapsbelasting is verschuldigd alleen de woonsituatie bij het begin van het kalenderjaar bepalend. Vast staat dat eiser op dat moment woonplaats had in het gebied van het waterschap en gebruik had van de woning. Daarmee is hij ingezetene en als zodanig belastingplichtig. . Dat eiser niet het gehele jaar in de woning verblijft, maakt dus geen verschil. Voorts volgt uit de Verordening watersysteemheffing dat de watersysteemheffing ingezetenen over 2013 € 93,24 per woonruimte betreft. Dit is een vast bedrag per jaar, dat ook aan eiser is opgelegd. Het standpunt van eiser dat de aan hem opgelegde watersysteemheffing ingezetenen te hoog is omdat hij en zijn partner veel afwezig zijn, kan dus niet slagen.

4.5.

Het beroep van eiser voor zover dat is gericht tegen de watersysteemheffing gebouwd kan eveneens niet slagen. Uit artikel 10 van de Verordening watersysteemheffing volgt dat de watersysteemheffing gebouwd in het jaar 2013 0,015561% van de WOZ-waarde van de woning betreft. In het geval van eiser is verweerder uitgegaan van een WOZ-waarde van € 141.500,-, waardoor de Watersysteemheffing gebouwd die eiser moet voldoen € 22,02 is. Niet verweerder, maar de heffingsambtenaar van gemeente Amsterdam is bevoegd om deze WOZ-waarde vast te stellen. Indien eiser het niet eens is met de vastgestelde WOZ-waarde, dient hij hiertegen dus bezwaar te maken bij de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam. De juistheid van de WOZ-waarde kan echter niet in deze procedure worden beoordeeld. Het standpunt van eiser kan daarom niet slagen. In dit verband merkt de rechtbank nog op dat de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft verklaard dat, indien de WOZ-waarde wordt aangepast door de heffingsambtenaar van de gemeente, verweerder de watersysteemheffing gebouwd ook zal bijstellen.

5.1.

Bij de beoordeling van de zuiveringsheffing gaat de rechtbank uit van het volgende wettelijk kader.

5.2.

Op grond van artikel 1 van de Verordening Zuiveringsheffing Amstel, Gooi en Vecht (hierna: de Verordening Zuiveringsheffing) wordt, ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, onder de naam zuiveringsheffing een directe belasting geheven ter zake van direct of indirect afvoeren op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het waterschap.

5.3.

Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Verordening Zuiveringsheffing, voor zover van belang, wordt aan de heffing ter zake van het afvoeren vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte onderworpen: degene die het gebruik heeft van die ruimte.

5.4.

Op grond van artikel 21 van de Verordening Zuiveringsheffing bedraagt het tarief
€ 54,- per vervuilingseenheid.

5.5.

De rechtbank begrijpt uit het betoog van eiser dat hij het niet redelijk acht dat de zuiveringsheffing wordt vastgesteld op een vast bedrag en geen rekening wordt gehouden met de mate van watergebruik. De rechtbank overweegt in dit verband dat de Waterschapswet ervan uit gaat dat degenen die afvalwater afvoeren via het riool de kosten van het zuiveren van dit afvalwater betalen. In artikel 122h, eerste lid, van de Waterschapwet is bepaald dat de vervuilingswaarde van woonruimten niet per individuele woonruimte hoeft te worden bepaald. Dit betekent dat niet is vereist dat voor elke woonruimte het daaruit afgevoerde afvalwater moet worden gemeten, bemonsterd en geanalyseerd. Gelet op het tweede lid van dit artikel kán bij verordening worden bepaald dat de vervuilingswaarde geheel of gedeeltelijk wordt bepaald aan de hand van geleverd drinkwater. In dit geval heeft het Hoogheemraadschap daar echter niet voor gekozen, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd is met het systeem van de Waterschapswet. Om praktische redenen wordt in de Waterschapswet uitgegaan van een vaste gemiddelde vervuilingswaarde per woning. In deze wet is bepaald dat de vervuilingswaarde voor woningen op drie vervuilingseenheden wordt gesteld. Alleen als een woonruimte door één persoon wordt bewoond, wordt de vervuilingswaarde op één vervuilingseenheid gesteld. Daar is in het geval van eiser geen sprake van, nu hij en zijn partner beiden in de woning wonen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op grond van de Verordening Zuiveringsheffing Amstel, Gooi en Vecht de zuiveringsheffing ten aanzien van eiser terecht vastgesteld op
€ 162,-.

5.5.

Voorts overweegt de rechtbank dat de zuiveringsheffing blijkens de toelichting op de Verordening Zuiveringsheffing een middel is ter dekking van de algemene kosten van het zuiveren van afvalwater. In tegenstelling tot wat eiser lijkt te veronderstellen, is dit geen retributie, waarbij de heffing tegenover een individuele dienst of prestatie moet staan.. Het onderhoud van het riool achter het huis van eiser acht de rechtbank in dit verband dan ook niet relevant.

6. Voor zover eiser ter zitting heeft verwezen naar een uitspraak van het Europees Hof voor Rechten van de Mens in een zaak uit België over het verlagen van de waterschapsbelasting, overweegt de rechtbank dat eiser deze uitspraak niet nader heeft kunnen specificeren of de vindplaats heeft kunnen noemen. De rechtbank is ambtshalve niet bekend met een dergelijke uitspraak, zodat op voorhand niet duidelijk is of het in die zaak ging om een gelijk geval dat op de situatie van eiser van toepassing zou kunnen zijn. De beroepsgrond faalt.

7. Ten slotte heeft eiser ter zitting aangevoerd dat de door verweerder en de rechtbank verzonden stukken misleidend zijn. De rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat de stukken misleidend zijn en dat bovendien niet is gebleken dat eiser hierdoor in zijn belangen zou zijn geschaad, zodat ook deze beroepsgrond faalt.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

4 Geschil in hoger beroep

4.1.

Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of de aanslag waterschapsbelasting 2013 terecht aan belanghebbende is opgelegd.

4.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing genomen.

5.2.

De in het hoger beroepschrift door belanghebbende aangehaalde uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (kennelijk ECLI:RBME:2013:7298 in plaats van op het eind 7290) – over de zogenaamde opbrengstlimiet - brengt het Hof niet tot een ander oordeel reeds omdat belanghebbende niet gesteld heeft dat de opbrengst van de afvalstoffenheffing wordt aangewend voor andere doeleinden dan die ter bestrijding van kosten die verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen (vgl. HR 23 mei 2014, zaaknr: 13/02954, ECLI:NL:HR:2014:1193, BNB 2014/142).

In ieder geval is onvoldoende dat belanghebbende in zijn hoger beroepschrift niet meer schrijft dan “Het bedrag is te hoog.”

5.3.

Ook hetgeen belanghebbende overigens in hoger beroep aanvoert leidt niet tot het oordeel dat de litigieuze aanslag ten onrechte of te hoog is vastgesteld.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht vindt het Hof geen termen aanwezig.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mr. P.F. Goes, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op 2 oktober 2014 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.