Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4217

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-09-2014
Datum publicatie
12-12-2014
Zaaknummer
13/00725 en 13/00726
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:9333, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:833
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoewel de bijrijder meerijdt omdat zonder zijn hulp de lading (lantaarnpalen) niet kan worden gelost, heeft de bijrijdersstoel toch niet uitsluitend een functie voor het vervoer van goederen.

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964 13bis, geldigheid: 2007-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2992
V-N Vandaag 2014/2609
V-N 2015/15.2.4

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerken 13/00725 en 13/00726

25 september 2014

uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 13/1594 en AWB 13/1609 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 30 november 2012 voor het jaar 2007 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB) opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 49.406.

1.1.2.

De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 28 november 2012 voor het jaar 2009 een aanslag IB opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 55.764.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 7 februari 2013, de aanslagen gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 14 oktober 2013 heeft de rechtbank de door belanghebbende ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 25 november 2013. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2014. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

2.1.

Eiser werkt zowel in 2007 als in 2009 het gehele jaar bij [bedrijf] B.V. (de werkgever). In verband met zijn werkzaamheden als storingsmonteur is hem door de werkgever een Volkswagen Transporter (hierna ook: de auto) ter beschikking gesteld.

2.2.1.

Aan eiser is geen aangiftebiljet IB/PVV 2007 uitgereikt. Eiser heeft op 3 juli 2012 aangifte IB/PVV 2007 gedaan. In deze aangifte heeft eiser een bedrag aan inkomsten genoten bij de werkgever vermeld ten bedrage van € 49.406. Hierop heeft eiser een bedrag van € 4.470 in mindering gebracht in verband met de bijtelling wegens privégebruik van de auto.

2.2.2.

De werkgever heeft over het jaar 2007 een bedrag van € 4.470 wegens privégebruik auto tot het loon van eiser gerekend.

2.2.3.

Verweerder heeft bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2007 het negatieve bedrag wegens privégebruik auto gecorrigeerd en het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 49.406.

2.3.1.

Eiser heeft op 19 maart 2011 aangifte IB/PVV 2009 gedaan. In deze aangifte heeft eiser een bedrag aan inkomsten genoten bij de werkgever vermeld ten bedrage van € 55.764. Hierop heeft eiser een bedrag van € 5.079 in mindering gebracht in verband met de bijtelling wegens privégebruik van de auto van de werkgever.

2.3.2.

De werkgever heeft over het jaar 2009 een bedrag van € 5.079 wegens privégebruik auto tot het loon van eiser gerekend.

2.3.3.

Verweerder heeft bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2009 het negatieve bedrag wegens privégebruik auto gecorrigeerd en het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 55.764.

2.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan en voegt daaraan nog het volgende toe.

2.3.

Het onderdeel van de onderneming van de werkgever waar belanghebbende als storingsmonteur bij werkt, richt zich onder andere op het plaatsen, vervangen, repareren en onderhouden van lantaarnpalen ten behoeve van de openbare verlichting.

2.4.

Op de auto is een imperiaal gemonteerd die geschikt is om lantaarnpalen te vervoeren. Tijdens het vervoer steken de lantaarnpalen aan de voor- en achterzijde uit.

2.5.

De werkzaamheden van belanghebbende bestaan onder andere uit het verhelpen van storingen aan de openbare verlichting, alsmede uit het vervoeren en plaatsen van lantarenpalen.

3 Het oordeel van de rechtbank

3.1.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daarbij het volgende overwogen:

4.1.

Ingevolge artikel 3.81 van de Wet IB 2001 wordt onder ‘loon’ verstaan: loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting. Artikel 13bis, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB; tekst geldend voor 2007; het derde lid is in 2009 hernummerd tot het vijfde lid) bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende:

“3. Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt onder auto verstaan een personenauto of bestelauto als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, met uitzondering van de bestelauto die door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt blijkt te zijn voor vervoer van goederen en met uitzondering van de bestelauto die buiten de werktijd niet gebruikt kan worden of de bestelauto waarvoor een verbod op privé-gebruik geldt.(…)”

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de auto een bestelauto is in de zin van artikel 3, derde lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. De rechtbank ziet geen aanleiding hier anders over te oordelen. Evenmin is in geschil dat de auto aan eiser ter beschikking is gesteld.

4.3.

Naar aanleiding van een door eiser ingesteld hoger beroep betreffende de aanslag IB/PVV 2006 ten name van eiser, heeft het Gerechtshof Amsterdam in haar uitspraak van 16 mei 2013, nr. 11/00679, over dit geschilpunt het volgende overwogen:

“4.4.1. Het Hof stelt voorop dat de beoordeling van de vraag of de auto door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is voor vervoer van goederen, niet dient te geschieden aan de hand van het daadwerkelijke gebruik van de auto door de desbetreffende belastingplichtige, maar aan de hand van de aard en de inrichting van de auto. Anders dan de inspecteur ter zitting in hoger beroep heeft verdedigd, behoeven de omstandigheden dat in de bestuurderscabine van de auto een tweede stoel aanwezig is en in die cabine geen voorzieningen zijn aangebracht die zijn gericht op het vervoer van goederen, er op zichzelf niet aan in de weg te staan dat de auto door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is voor vervoer van goederen (vgl. onder meer HR 29 mei 2009, nr. 43.602, BNB 2009/217 en HR 18 september 2009, nr. 08/00707, BNB 2009/282). Indien de tweede stoel kan worden toegerekend aan – in functie staat van – de uit de aard of inrichting van de auto blijkende werkzaamheden, kan de bestelauto die naast de bestuurdersstoel nog een stoel heeft, kwalificeren voor de uitzondering van het derde lid van artikel 13bis, derde lid, Wet LB. Dit kan het geval zijn indien de aard van de werkzaamheden in het algemeen meebrengt dat in de auto plaats nodig is voor een bijrijder (bijvoorbeeld vanwege de noodzakelijke hulp bij laden en lossen). Ook kan hiervan sprake zijn indien de uit de aard of inrichting van de auto blijkende werkzaamheden in het algemeen meebrengen dat de daardoor veroorzaakte stank en/of vervuiling veroorzaken dat de auto (nagenoeg) uitsluitend geschikt is voor vervoer van goederen.

Voorts geldt, zo volgt uit de tekst van artikel 13b, derde lid, Wet LB, een verzwaarde op belanghebbende rustende bewijslast.

4.4.2.

In dat verband heeft belanghebbende bewijs door middel van een feitelijke waarneming van de aan hem (in 2013) ter beschikking gestelde Volkswagen Transporter aangeboden. Deze waarneming heeft door middel van een descente na afloop van de zitting van het Hof van 27 februari 2013 vóór het Paleis van Justitie plaatsgevonden. Daarbij is vastgesteld dat in de van de bestuurderscabine afgesloten laadruimte van de auto op maat gemaakte stellages zijn aangebracht, waarin de ten behoeve van de werkzaamheden als storingsmonteur te gebruiken materialen en gereedschappen zijn opgeborgen, dat in de van de laadruimte afgesloten bestuurderscabine van deze auto twee stoelen, bestemd voor twee (volwassen) personen aanwezig zijn, en dat de cabine en de stoelen niet zodanig geuren of bevuild zijn dat er redelijkerwijs niet in die cabine respectievelijk op die stoelen gezeten kan worden door personen in normale kleding, niet zijnde beschermende kleding die bestemd is voor vuile of vervuilende werkomstandigheden. Voorts is komen vast te staan dat in de cabine geen specifieke voorzieningen zijn aangebracht die gericht zijn op het vervoer van goederen. Gelet ook op door belanghebbende ter zitting overgelegde beschrijvingen, gaat het Hof ervan uit dat de Volkswagen Transporter die tijdens de descente is waargenomen voor de toepassing van artikel 13bis Wet LB (voldoende) identiek is aan de auto.

4.5.1.

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet ervan doen blijken dat de auto door aard of inrichting (nagenoeg) uitsluitend geschikt is voor goederenvervoer. Hierbij neemt het Hof mede in aanmerking dat de uitzondering waar belanghebbende zich op beroept, blijkens de bewoordingen van artikel 13bis, derde lid, LB en de parlementaire geschiedenis van deze bepaling, beperkt moet worden uitgelegd.

4.5.2.

Veeleer is aannemelijk geworden dat de auto ook geschikt is voor privé-gebruik. De uit de aard en inrichting van de auto blijkende werkzaamheden (vervoer van gereedschappen en te vervangen materialen van openbare verlichting) brengen in het algemeen niet mee - belanghebbende heeft dit althans niet aannemelijk gemaakt - dat de auto (nagenoeg) uitsluitend geschikt is voor vervoer van goederen. Zo heeft belanghebbende ter zitting in hoger beroep onder meer het volgende verklaard:

“Het is niet zo dat de auto zwart is van vuil. Ik ben vandaag, samen met mijn gemachtigde, in de kleding die ik nu aan heb in de auto hier naar toe gekomen. Het is dus niet zo, dat ik eerst een overall aan moet over m’n normale kleding heen, voordat ik in de auto ga zitten.”

4.5.3.

Belanghebbende heeft verklaard dat op de vloer van de cabine modderresten kunnen achterblijven als gevolg van werkzaamheden in modderige grond in het buitengebied. Naar het oordeel van het Hof volgt uit deze omstandigheid niet dat de auto uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is voor vervoer van goederen Voorts neemt het Hof – voor zover van belang – in aanmerking dat de werkzaamheden van belanghebbende niet (in het algemeen) met zich meebrengen dat hij tijdens die werkzaamheden wordt vergezeld van een hulp of bijrijder, op welke grond de tweede stoel in de cabine aan die werkzaamheden zou zijn toe te rekenen en (mede) op die grond zou zijn te oordelen dat de uitzondering van artikel 13bis, derde lid, Wet LB van toepassing zou zijn.

4.6.

Gelet op het voorgaande is de uitzonderingsbepaling van artikel 13bis, derde lid, Wet LB in het onderhavige geval niet van toepassing. Belanghebbende is niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat de auto uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is voor vervoer van goederen.”

4.4.

Zoals eiser ter zitting bij de rechtbank heeft aangegeven rijdt hij nog steeds in hetzelfde model auto als in de jaren 2006, 2007 en 2009. De auto is naderhand wel vervangen, maar type en inrichting van de auto zijn niet veranderd. Nu voorts de gronden die eiser heeft aangedragen nagenoeg gelijk zijn aan de gronden die eiser bij het Hof heeft aangevoerd maakt de rechtbank de oordelen van het Hof tot de zijne, zodat moet worden geconcludeerd dat de auto niet kan worden aangemerkt als een bestelauto die door aard en inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is voor het vervoer van goederen. De door eiser bij de rechtbank nader naar voren gebrachte omstandigheden, namelijk dat eiser samen met een bijrijder werkzaamheden voor zijn werkgever verricht, dat de auto is voorzien van een imperiaal van 30 centimeter hoog en dat met de auto zware materialen worden vervoerd, brengen de rechtbank niet tot een ander oordeel.

4.5.

Eiser heeft in de onderhavige jaren geen kilometeradministratie bijgehouden en ook niet op andere wijze doen blijken dat in deze jaren de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden is gebruikt. De beroepen dienen derhalve ongegrond te worden verklaard.

4.6.

De beroepen tegen de beschikkingen heffingsrente heeft eiser niet afzonderlijk onderbouwd. Omdat de beroepsgronden tegen de belastingaanslagen geen doel treffen, zullen de beroepen tegen de beschikkingen heffingsrente eveneens ongegrond worden verklaard.”

4 Geschil in hoger beroep

4.1.

Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of de inspecteur terecht het aangegeven box-1-inkomen wegens ‘privégebruik auto’ heeft verhoogd met € 4.470 (jaar 2007) en € 5.079 (jaar 2009). Meer in het bijzonder betreft het geschil de vraag of de auto uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is voor vervoer van goederen, zoals belanghebbende stelt en de inspecteur betwist.

4.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4.3.

Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof verklaard dat in rechtsoverweging 4.5.3 van de - in de rechtbankuitspraak aangehaalde - uitspraak van het Hof (uitspraak van 16 mei 2013, nr. 11/00679) een onjuistheid staat (en dat hij daarom wederom een procedure over het onderhavige geschilpunt voert). In genoemde rechtsoverweging staat:

“Voorts neemt het Hof – voor zover van belang – in aanmerking dat de werkzaamheden van belanghebbende niet (in het algemeen) met zich meebrengen dat hij tijdens die werkzaamheden wordt vergezeld van een hulp of bijrijder, op welke grond de tweede stoel in de cabine aan die werkzaamheden zou zijn toe te rekenen en (mede) op die grond zou zijn te oordelen dat de uitzondering van artikel 13bis, derde lid, Wet LB van toepassing zou zijn.”

Anders dan het Hof overwoog – aldus belanghebbende – wordt hij tijdens zijn werkzaamheden vergezeld door een bijrijder die noodzakelijk is omdat hij – alleen – niet in staat is om de zware lantaarnpalen en dergelijke die hij met de auto vervoert op de plaats van bestemming te lossen. De bijrijdersstoel heeft derhalve zijns inziens - zo verstaat het Hof hem - een aan het vervoer van goederen toe te rekenen functie.

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing genomen. Hetgeen belanghebbende omtrent de functie van de bijrijdersstoel verklaarde doet daar niet aan af. Dienaangaande overweegt het Hof als volgt.

5.2.

De vraag of aan het criterium ‘dat de bestelauto door aard of inrichting (nagenoeg) uitsluitend geschikt is voor vervoer van goederen’ is voldaan, dient objectief te worden bepaald. Ook indien het Hof er veronderstellenderwijs van uitgaat - zoals belanghebbende ter zitting van het Hof verklaarde - dat de bijrijder meerijdt omdat zonder zijn hulp hij de lading (lantaarnpalen) niet op de plaats van bestemming kan lossen, heeft de bijrijdersstoel niet (nagenoeg) uitsluitend een functie voor het vervoer van goederen. Belanghebbende heeft namelijk ter zitting ook verklaard dat de bijrijder na het lossen andere werkzaamheden ten behoeve van de (onderneming van de) werkgever verricht, zoals het graven van gaten om de lantaarnpalen te plaatsen, alsmede het plaatsen van lantaarnpalen. Aannemelijk is dat deze werkzaamheden – gelet op de aard van de onderneming van de werkgever – niet onbelangrijk zijn.

Functioneel bezien dient het meerijden van de bijrijder dan ook niet - in ieder geval niet in voldoende mate - te worden toegerekend aan het vervoer van goederen en kan het Hof in het midden laten of de bijrijder nagenoeg altijd meerijdt (zoals belanghebbende stelt maar de inspecteur bestrijdt) en, of belanghebbende in meer dan bijkomstige mate de auto feitelijk privé gebruikt (zoals de inspecteur stelt en belanghebbende ontkent).

Naar het oordeel van het Hof heeft de onderhavige bijrijdersstoel derhalve - reeds op deze grond - niet (nagenoeg) uitsluitend een functie voor het vervoer van goederen. Alsdan is er geen sprake van een bestelauto die door aard of inrichting (nagenoeg) uitsluitend geschikt is voor het vervoer van goederen (vgl. ook Hof Amsterdam, 13 september 2012, nr. 11/00175, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY2892).

Slotsom

5.3.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht vindt het Hof geen termen aanwezig.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mr. P.F. Goes, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op 25 september 2014 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.